Over een boekje, een fantasie en een les

1975-03-21
  • Jaargang 19
  • nummer 12
Onlangs verscheen van mijn hand een boekje met de titel "Kerkgemeenschap en Kerkorde, Kort overzicht van de strijd in de Afgescheiden Kerken tussen 1836 en 1840 over de Kerkgemeenschap en Kerkorde." .
Het is niet gebruikelijk dat een schrijver van een of ander geschrift op de recensies die daarvan worden gegeven ingaat. Hij heeft het produkt van zijn denken schrijfwerk "voor de (critici)-leeuwen" geworpen en moet nu maar afwachten hoe die er hun tanden inzetten. Hij kan zich al of niet ergeren over de oppervlakkigheden, de nonsens en de onbenulligheden die daarover gezegd worden. Maar hij moet er het zwijgen toe doen. Als hij een integer mens is zal hij zakelijke, rechtvaardige kritiek daarop moeten aanvaarden, de fouten en omissies erin eerlijk erkennen en die bij de eerste de beste gelegenheid daartoe corrigeren. Soms evenwel wordt er iets over gezegd dat er zo naast is, en zo geheel buiten het kader van een recensie valt, dat hij er om der wille van de lezers wel iets over zeggen moet.
In zo'n situatie verkeer ik momenteel.
En daarom schrijf ik dit artikeltje.

Om te vertellen wat ik nu zeggen moet wil ik beginnen met een verhaaltje.
Zoals de lezers die een beetje kennis nemen van wat ik in Opbouw "ten papiere breng" weten, ben ik nog al gefascineerd door wat er in de Afgescheiden Kerken voorviel.
De liefde voor die Afgescheidenen is mij ook met de paplepel ingegeven.
Toen mijn grootouders Veenhof in 1888 zijn zilveren bruiloft vierde maakte mijn vader een lang vers dat eindigde met de woorden: "Wij zijn en blijven Christelijk Gereformeerd"! Zoiets zegt nog al wat! Jaren lang heb ik het in de kamer van mijn grootvader zien hangen. Een onderwijzer had het gecalligrafeerd en het was zo in een lijst gezet. Als jongen hoorde ik met rode oren naar de verhalen over de vervolgingen van die broeders. Tijdens de "bezetting" van 1940-45 heb ik nog beter begrepen wat die betekenden!
Alles wat ik over de Afscheiding te pakken kon krijgen las ik. Eerst de dikke "Verhagen" en later "Een nagel in de heilige plaats" van Rullmann - De latere drukken ervan hadden tot titel "De Afscheiding".
En die belangstelling voor de Afgescheidenen bleef. Vanaf mijn studententijd verzamelde ik alles wat ik daarvan in antiquariaten te pakken kon krijgen. De magazijnen van de firma Wristers heb ik geplunderd. Vooral de zware strijd van de Afgescheidenen naar binnen en naar buiten boeiden mij geweldig, En de verhalen over de vervolging, minachting en laster waaraan zij tientallen jaren bloot stonden verdiepten al meer mijn sympathie voor hen.
In de tijd vóór en ná de kerkelijke katastrofe van 1944 gingen mijn ogen steeds meer open voor de verbazingwekkende arbeid die deze mannen des geloofs, zonder zware theologische uitrusting, hebben gepresteerd. Nee, hun namen zullen nooit met vette letters in de handboeken voor de Dogmen-geschiedenis prijken!
Maar hun grote verdienste is dat ze midden in de verwarring en verwoesting die door de na-reformatorische scholastiek in de nederlandse gereformeerde kerken was aangericht - ook in de afgescheiden kerken van de eerste decenniën - weer teruggrepen op de reformatorische theologie ten gevolge waarvan die kerken ongewoon gingen bloeien. En voorts dat ze tegenover de oppermachtige, geseculariseerde - en dus hoogmoedige! - theologie van de negentiende eeuw trouw zijn gebleven aan Gods Woord.
Ik kwam daarbij tot de overtuiging dat deze Afgescheidenen juist door hun terugkeer tot de reformatorische theologie een veel Schriftuurlijker kijk op verbond, doop, geloof, wedergeboorte etc. bezaten dan Kuyper en zijn epigonen.
Ik herinner me nog goed hoe verrast mijn beste kuyperiaanse vriend Vollenhoven was toen hij van deze theologie kennis kreeg, Hij gaf daaraan uiting toen hij in het "Woord vooraf" van "Rondom “1905"" dit schreef: "dat speciaal in de leer omtrent het genadeverbond menig gegeven van Schrift en confessie en daarmee ook de christelijke levenspraktijk in de eenvoudige theologie van Helenius de Cock c.s. beter tot zijn recht kwam dan in de ongetwijfeld geniale, maar ook wel eens ietwat speculatieve gedachtengang van een constructieve geest als Kuyper."
Wat mij voorts ook bizonder obsedeerde was de vraag hoe het toch mogelijk was dat de Afgescheiden voormannen die in de aanvang zo eendrachtig samenwerkten al heel gauw zo fel tegenover elkaar kwamen te staan.
Alles hadden ze voor de zaak des HEREN op het spel gezet - geld, positie, eer - en toen kwam de grote ellende. Zelfs ontstonden er een paar kerkscheuringen.

Toen ik in Kampen kwam heb ik de studie van de Afgescheiden Kerken en de Afgescheiden theologie en wat daarmee samenhangt voortgezet. Ik heb speciaal over de prediking in die kerken college gegeven. Ik bestudeerde de dogmatische opvattingen van de leiders daarvan en hun kerkrechtelijke ideeën en praktijk uit de bronnen. Zoals vanzelf spreekt legde tk de resultaten van die studie vast. Wat de dogmatische opvattingen betreft publiceerde ik veel materiaal in een lange reeks artikelen in De Reformatie naar aanleiding van het boek van dr Smilde: Een eeuw van strijd over Verbond en Doop. Men kan ze vinden - het waren er 20 - in de nummers van 26 april-26 juli 1947. Daarna maakte ik een studie gereed over de strijd in de Afgescheiden Kerken over de kerkregering.
Ik begon deze te publiceren in het nummer van De Reformatie van 17 maart 1956. Maar tot een volledig afdrukken. ervan kwam het toen niet. Juist in die dagen werd namelijk de redaktie van De Reformatie waartoe ook ik behoorde van de éne dag op de andere aan kant gezet. En ds Kamphuis en zijn vrienden plaatsten zich daarna op de redaktiezetels van dat blad. Deze studie bleef sindsdien in mijn bureau liggen.

Na 1956 ging ik verder met de studie van de theologische opvattingen van de Afgescheidenen. Al duidelijker werd mij dat die verschillen bijna alle stamden uit de tijd van de nareformatorische orthodoxie waarop de scholastiek een sterke invloed had uitgeoefend.
In de tijd nà de dordtse synode kwam het ten gevolge van die dogmaticale verschillen, hoe fel erover gestreden evenwel nog, niet tot kerkscheuring . Vooreerst leefde men toen in de tijd - en in de ban! - van de éne, ondeelbare bevoorrechte, heersende kerk. En voorts legde de overheid meermalen de theologen het zwijgen op als ze elkaar te erg in de haren vlogen.
De reeds een paar eeuwen levende controversen over verbond, belofte, doop, geloof doken evenwel in de eerste jaren nà de Afscheiding in de Afgescheiden Kerken met grote kracht opnieuw op. En ze leiden tot felle conflicten. Zelfs tot scheuringen. En het werd mij ook steeds duidelijker dat precies dezelfde dogmaticale verschillen opnieuw virulent werden nà de vereniging van Afgescheiden en Dolerende Kerken in 1892, wat, via de strijd uit de eerste jaren van deze eeuw over de "veronderstelde wedergeboorte" en alles wat daarom en daaraan zit, leidde tot de katastrofe van 1944.
Bovendien bemerkte ik, vooral ook door de geschriften van Woelderink dat de aangeduide verschillen van opvatting ook een zeer grote - en destructieve!rol speelden in de andere sectoren van de "gereformeerde gezindte".
Maar - en dat was de grote verrassing - ik zag ook al voor ogen dat toen, vooral door het werk van mannen als Brummelkamp, De Cock, Gispen, Van Andel e.a., de reformatorische prediking weer werd verstaan en al meer greep kreeg op de geesten, de twisten over dogmaticale kwesties verminderden, de kerkelijke eenheid bevorderd werd en de kerken tot ongekende bloei kwamen.
Dit alles heb ik pogen weer te geven in mijn in 1959 uitgekomen boek - de uitwerking van een rectorale oratie - "Prediking en Uitverkiezing"; Kort overzicht van de strijd gevoerd in de Christelijke afgescheidene Gereformeerde Kerk tussen 1850 en 1870 over de plaats van de leer der uitverkiezing in de prediking."
Ik hoopte met deze studie tegelijk iets te kunnen doen ter bevordering van de eenheid van alle gereformeerden die sinds decenniën mijn vurige wens en bede is.
Wat ik geschreven had over de kerkordelijke controversen raakte zo geheel uit mijn gezichtsveld, ik was dat nagenoeg vergeten!
Maar toen de heer Sneep, de directeur van de firma Buijten en Schipperheijn, mij vroeg om de redactie van het Informatieboekje van de "buitenverbandse" kerken op mij te nemen, dacht ik: ik kon de studie wel als een bijlage daarin opnemen! De uitgever oordeelde evenwel dat dat boekje dan te dik en te duur zou worden. En daarom werd besloten die studie apart uit te geven. Ik schreef er een "Inleiding" voor en vijlde de stijl hier en daar wat bij. En voorts verscheen ze precies zoals ze voor ongeveer twintig jaar was klaargekomen.

Waarom ik dit nu allemaal schrijf?
Wel prof. Kamphuis recenseerde deze studie, of beter gezegd: hij schreef er wat over in "De Reformatie".
En hij begon zo: "Vanuit de moeite en verdeeldheid van de zogenaamde buiten verbandse kerken over kerkverband en kerkorde heeft prof. Veenhof zich gewend tot het bewogen verhaal van de tijd der Afgescheiden. kerken uit de eerste jaren na 1834 over dikwijls gelijksoortige zaken."
heeft prof. C. Veenhof zich ge- Prof. Kamphuis vroeg voorts of ik mij niet grondig vergiste door de situatie van na 1834 te vergelijken met die van de buitenverbandse kerken nu. En hij schreef er voorts bij dat ik wel niet "expliciet" naar een overeenstemming van toen en nu wees, maar dat die vergelijking er wel zo dik op "impliciet" in zat dat ze overal uit wat ik schreef "uitsprong".
Toen ik dat las dacht ik: ik moet wel een wondermens zijn!
Jaren voordat er van "kerken-buiten-verband" sprake was; voordat iemand er zelfs maar van had gedroomd, voorzag ik blijkbaar dat die er komen zouden; wisten bovendien daarin nog al wat te doen zou komen ter sanering van de vrijgemaakte kerken en schreef toen met het oog daarop al vast een studie ter lering en vermaning!
Ik kan alleen maar zeggen dat ik zo'n wondermens niet ben!
En dat deze studie al klaar was toen prof. Kamphuis-als-kerkhistoricus nog beginnen moest!
Vermoedelijk herinnert prof. Kamphuis zich nog wel het volgende.
Toen hij pas was opgetreden als hoogleraar had ik een gesprek met hem, waarin ik o.a. ongeveer het volgende zei: Ik snap goed in welk een moeilijke situatie jij verkeert.
Want ik heb dezelfde doorleefd.
Deze: dat we van de vakken die we moeten gaan doceren ongeveer evenveel weten als een kandidaat. Nu heb ik alles wat H. H. Kuyper in veertig jaar in De Heraut over kerkrechtelijke vragen schreef - voor wie het niet weet: H. H. Kuyper was een formidabel kenner van het kerkrecht! - voor enkele jaren laten uitknippen en opplakken. 't Is een hele stapel! Die wou ik je cadeau geven. Want je hebt ze meer nodig dan ik en ze zijn voor je colleges-kerkrecht van grote waarde.
Alles werd door de dame die dat voor mij opknapte keurig geordend.
En dan heb ik nog wat. Ik ben ook nog in het bezit van ongepubliceerde studies over de Afgescheidenen.
Als ik je daarmee van dienst kan zijn staan die tot je beschikking, Als prof. Kamphuis op dit aanbod was ingegaan zou hij wat in het bovenstaande boekje staat reeds zeventien jaar geleden onder ogen' hebben gehad!
Hiermee wou ik alleen maar zeggen dat uit dit boekje nooit iets kan "uitspringen" wat er niet "inzit".

Natuurlijk wil ik hiermee niet zeggen dat men uit de gebeurtenissen die in dit boekje verhaald werden niet zeer veel te leren is.
Ik wil wel eerlijk zeggen dat ik er zelf heel veel tot mijn beschaming uit geleerd heb.
Hoe beter je b.v. Brummelkamp leert kennen des te kleiner je je gaat voelen als christen. Brummelkamp die zo maar ergens in een wachtkamer van een station - de mensen kwamen een eeuw geleden minstens een half uur voor het vertrek van de trein naar het station - zó ging evangeliseren dat allen ademloos luisterden. Brummelkamp van wie Baas in zijn verrukkelijke boekje "Marskramer van het Evangelie" de volgende marktbelevenis vertelde: "Een figuur die meer op de achtergrond staat, verkoopt - uitgedost in een witte doktersjas - zinkingssnuif, bereid uit Zwitserse bergwortel, als probaat middel tegen hoofdpijn en verder tincturen tegen andere kwalen. Hij is aloud; ik heb hem als jongen reeds gezien op de markt in Zaandam. Nu is hij mijn confrater. Eens staat hij onder mijn gehoor, als ik het publiek toespreek. Na de toespraak loopt hij op mij toe en nu leer ik de oorzaak van zijn belangstelling kennen: "Hep ik èm niet gekend, jullie prefester Brummelkamp?
Nah, een edele man, dat was-ie!
Hep ik niet in zijn huiskamer gezeten in Kampen en hep-ie niet met me gesproke over de profete?
Geef me een blaadje, jongen, zal ik het niet lezen? Moesten jullie allemaal zo wezen als jullie prefester Brummelkamp!"
lik heb lezend van en over Brummeikamp vaak gedacht: als nu al die, duizenden en duizenden guldens kostende; tonnen en tonnen papier verslindende; door bijna niemand gelezen nota's, rapporten en acta producerende synoden van de onderscheiden kerken eens enkele jaren verdwenen en de tienen honderdtallen mensen die daar ontelbare kostbare werkuren volpraten eens in plaats daarvan de wijk ingingen en met de talloze tobbers van deze wereld liefdevol spraken - zou dat niet oneindig veel meer voor het Koninkrijk Gods en de kerk van Christus betekenen dan hun veelszins ijdele en vaak zelfs kerkschadende arbeid in keurige synodezalen?
Ik heb de geschiedenis van de Afgescheiden kerken navorsend geleerd dat een kerkorde die gebruikt wordt als niet meer dan een aantal afspraken, opgesteld tot "heil en zegen" van de kerken, veel goeds kan doen. Maar dat die, als men ze - om een term van wijlen ds Lindeboom te gebruiken - als een handleiding voor kerkelijk kannibalisme" hanteert, een ramp voor de kerken wordt.
Ik heb uit de geschiedenis van de Afgescheiden Kerken ook geleerd hoe scherp Calvijn het heeft gezien - hij had het trouwens ook uit de Schrift geleerd - dat de .
diepste oorzaak van alle kerkelijke ellende, van ketterijen, kerkelijke ruzies, onrechtvaardige tuchtoefeningen, kerkelijke scheuringen uiteindelijk voortkomen uit hoogmoed, eerzucht en afgunst.
Of, om het met de woorden van Paulus te zeggen, uit de "werken des vleses", Want daartoe behoren vooral: twist. afgunst, uitbarstingen van toorn, zelfzucht, tweedracht; partijschap. En dat een kerk gaat bloeien als daarin groeit de "vrucht des Geestes": liefde, blijdschap, vrede, lankmoedigheid, goedheid trouw. zachtmoedigheid, zelfbeheersing. (Gal. 5 : 19-22).
Als mijn boekje, door te laten zien èn wat die "werken des vleses" in de kerk verwoesten èn welk een zegen de "vrucht des Geestes" daarin verspreidt, de ogen van de lezers èn voor dat kwade èn voor dat goede helpt openen, zal ik dankbaar zijn.

Meld je aan voor onze gratis nieuwsbrief