Christenen en het marxisme
1975-03-21
Over dit onderwerp is veel geschreven; vooral de laatste maanden n.a.v. het ontslag van de heer G. Los, godsdienstleraar aan een christelijke scholengemeenschap in Zwolle en tevens lid van de CPN. De heer Los is door het schoolbestuur ontslagen. Hoewel de leraar in beroep ging, heeft het bestuur van de school gelukkig gelijk gekregen. In Opbouw van 11 oktober 1974 schreef ik ook over dit onderwerp. In het artikel 'Een christen-communist?' heb ik geprobeerd aan te tonen, dat het christelijk geloof en het marxisme elkaar uitsluiten. Ook prof. C. Veenhof heeft over dit onderwerp meerdere malen geschreven. Ik ben het met zijn artikelen volkomen eens. Toch wil ik over dit onderwerp iets meer zeggen.- Jaargang 19
- nummer 12
• TWEE OPMERKINGEN
In het artikel 'Een christen-communist?' in Opbouw van 11 oktober 1974 schreef ik over de bekende uitspraak van Marx, dat de godsdienst opium van het volk is. Over deze uitspraak van Marx maakte ik twee opmerkingen.
Ten eerste, dat wij als christenen zo'n uitspraak wel kunnen begrijpen als we letten op het 'officiële christendom' in de vorige eeuw.
Letterlijk schreef ik: "In de tijd van Marx waren er veel christenen (en zij zijn er vandaag nog!), die zeiden: laat de armen, de arbeiders en de boeren toch tevreden zijn. Vroeger waren zij toch ook tevreden? Zij hebben toch genoeg om van te leven? God heeft de verschillen onder de mensen gewild en in het hiernamaals zal alle ellende voorbij zijn. Als dit onder de dekmantel van de christelijke godsdienst wordt verkondigd, dan kunnen wij die godsdienst een groot opiumgehalte toeschrijven. Dan wordt niet meer opgeroepen om tegen de vastgeroeste zondige verhoudingen in de samenleving te strijden. Dan wordt in de ongerechtigheid berust. De godsdienst verwijst met voorbijzien aan het hiernumaals naar het hiernamaals. Dat is opiumachtige godsdienst.
Marx heeft zich tegen deze vorm van godsdienst fel verzet. En terecht!"
Mijn tweede opmerking over Marrx ging verder, namelijk als volgt: "Maar Marx zijn kritiek op de godsdienst zit uiteindelijk dieper! In zijn vroege geschriften lezen wij, dat zijn kritiek op de godsdienst het begin is van alle kritiek op de samenleving, op het ekonomische en het politieke leven. Marx wilde niet alleen de verkeerde godsdienst bestrijden.
Zijn kritiek op alle godsdienstigheid is de voorwaarde voor en het eerste begin van zijn kritiek op de toestanden in de samenleving.
Marx wilde realist zijn: geen andere werkelijkheid kon hij serieus nemen dan de zintuigelijk waarneembare. Daarom gaat zijn realisme samen met atheïsme."
Met de eerste opmerking heb ik niet willen suggereren, dat Marx gunstiger over het christelijk geloof geoordeeld zou hebben, als de christenen maar meer tegen de onrechtvaardigheden in de samenleving gestreden hadden. Ook bij leninistisch-marxistische denkers van deze tijd zal dat niet het geval zijn. De essentie van Marx' kritiek op de godsdienst ligt in de tweede opmerking.
Waarom werd die eerste opmerking dan gemaakt?
In de eerste plaats omdat christenen kritisch tegenover hun verleden behoren te staan en in de tweede plaats, omdat zij ook kritisch in hun tijd behoren te staan. Het kritisch willen zijn, betekent voor alles zelfkritiek.
Dáárom heb ik mijn eerste opmerking over Marx gericht op ons, christenen, zèlf. Niet liefdeloos was dit bedoeld, maar om onze waakzaamheid te prikkelen.
Waakzaamheid?
Komt onze waakzaamheid niet het best tot uiting als we het marxisme scherp afwijzen?
Daar ben ik het wel mee eens, maar met afwijzen alléén zijn we er niet.
Het valt me weleens op, dat sommige mensen zo gauw, te gauw, met het marxisme klaar zijn. Met het zonder meer afwijzen van het marxisme, lopen we het gevaar voorbij te gaan aan wat het ons te zeggen kan hebben.
Enkele jaren geleden besprak ik in Opbouw het boek van prof. dr S. U. Zuid erna over 'de revolutionaire maatschappijkritiek van Herbert Marcuse'.
Deze bespreking was tamelijk kritisch. Niet omdat ik het niet met prof. Zuidema eens kon zijn. Integendeel, zijn kritiek was scherp en overtuigend. Maar prof. Zuidema ging voorbij aan de problemen in de westerse samenleving, waarbij Marcuse terecht de vinger legde.
Wat doen wij met de problemen, die de marxisten aanwijzen en waar zij zich druk over maken. Wij wijzen hun marxistische benadering af, maar daarmee hebben we nog niet zo veel gedaan. Het zijn onze problemen ook!
Hoezeer ik de filosofie van Marx én van tegenwoordige marxisten afwijs, toch zou het dom zijn te beweren dat er niets van hen te leren valt.
• WAARHEIDSELEMENTEN
Laten we nu even aandacht besteden aan de openingsrede die Kuyper uitgesproken heeft op het eerst christelijk sociaal congres in 1891. Hij blijkt een fundamentele kritiek op de samenleving te hebben. Vooral de ekonomische verhoudingen in de samenleving neemt hij onder de loep.
Zijn kritiek doet niet voor die van de marxisten van zijn tijd onder. Hij peilt de problemen m.i. zelfs dieper!
Hoewel Kuyper religieus scherp stelling neemt tegen de marxisten, geeft hij ook toe (evenals Groen van Prinsterer), dat de marxisten in veel opzichten gelijk hebben en dat in het socialisme "een waarheid gemengd ligt, die het kracht geeft."
Van de ekonomische analyse van de westerse samenleving, door een marxist gegeven, zegt Kuyper: hij heeft "volomen gelijk".
Wie het marxisme onbelangrijk vindt, maakt volgens Kuyper de indruk, dat hij nooit iets leest en niet meeleeft met het wereldgebeuren. Wie aan het marxisme voorbij gaat maakt zich volgens hem schuldig aan struisvogelpolitiek Het is onzin de marxisten maatschappelijk dood te verklaren. Volgens Kuyper hebben zij scherp de problemen van hun tijd gezien.
Kuyper was goed op de hoogte van de marxistische lektuur van zijn dagen. Hoewel hij hun grondgedachten verwierp, had hij tevens oog voor waarheidselementen in hun theorieën en zegt hij openlijk: zij hebben daarin gelijk.
• ANTI OF KONTRA ?
Hoe gaan wij als christenen in onze tijd de problemen van de toekomst tegemoet? Een meedrijven met de modestromingen van onze tijd is even gevaar lijk als het terug trekken in de bastions van vooroordelen die het kontakt met andersdenkenden uitsluit.
Hopelijk kunnen we als christenen inde problemen van onze tijd ons steentje bijdragen voor het zoeken naar oplossingen. Hopelijk hebben we iets eigens te bieden in het meespreken in deze problemen. Daarbij is het noodzakelijk de diepste drijfveren van anderen goed te onderkennen en tevens open te staan voor de goede gedachten en voorstellen, die uit die hoek komen. Ook al staan zulke gedachten en voorstellen niet op zichzelf en staan zij in verband met de daaraan ten grondslag liggende motieven, dit neemt niet weg, dat we in onze samenleving met veel dezelfde problemen gekonfronteerd worden, Er valt iets van elkaar te Ieren.
Om deze reden is in onze kring ook altijd het onderscheid gehanteerd: we willen wel anti-revolutionair zijn, maar niet kontra-revolutionair.
M.a.w.: hoezeer we de grondgedachten van de Franse Revolutie ook verwerpen, er zijn ook goede en bruikbare resultaten uit voortgekomen.
De kontra-revolutionairen verwierpen niet alleen de grondgedachten van de Franse Revolutie, maar ook de eventueel goede resultaten die het met zich meegebracht zou hebben. Dit noemen we als anti-revolutionairen in gezond Nederlands: het kind met het badwater weggooien.
Ik heb wel eens de indruk, dat in onze tijd veel kerkelijke en politieke verontrusten zich meer kontra- dan anti-revolutionair opstellen. Als het maar tegen het marxisme gericht is, dan vinden zij het blijkbaar al gauw goed; een reaktiehouding waar weinig konstruktiefs van te verwachten is.
Met dit artikel hoop ik ook grotendeels geantwoord te hebben op de vragen, die de heer G. Goossens in het blad 'Tot vrijheid geroepen' me heeft gesteld. Het heeft me pijn gedaan, dat hij publiek schreef mij te verdenken van neo-marxistische sympathieën. De grondgedachten van het marxisme verwerp ik even hartgrondig als hij. Maar met het verwerpen ervan alleen zijn we er niet. Er is meer aan de hand. Het is een begin, een goed begin, maar niet meer dan slechts het halve werk.