Paasmorgen

2005-03-25
  • Jaargang 49
  • nummer 6
Ik, Gaius Claudius, had deze nacht
juist bij het graf van Jezus – de Zoon Gods,
Zoals Hij zich bij voorkeur noemde – wacht.
Het graf was nieuw, gehouwen in een rots,

de nauwe ingang door een steen versperd,
de steen verzegeld door de commandant.
Er werd gedobbeld tot het morgen werd.
Maar ik stond stom en zwijgend aan de kant.

Ik wachtte, op mijn stok geleund, de dag.
Op eenmaal deinsden wij terug. Bij Zeus!
Een bliksemflits – een donderende slag,
zoals men ook gehoord heeft bij het kruis.

De rotsen spleten, gaapten als een muil.
Wij, ’s keizers veteranen, zijn ontzind
in wilde vlucht gevloden, door een zuil
van vlammen en van stenengruis verblind.

Men kocht met veel denariën mij om.
Dit prentte men mij in: het was een droom.
Maar nu ik langzaam tot bezinning kom,
herinner ik mij weer, met vreemde schroom:

de steen lag omgekanteld in het gras
en, als het licht, onvergelijklijk schoon,
trad Jezus uit zijn graf. Ik, Gaius Claudias,
bezweer u, bij mijn zwaard, Hij is Gods Zoon.

Meld je aan voor onze gratis nieuwsbrief