Zendingsnieuws
1975-03-21
- Jaargang 19
- nummer 12
Soemba ..Borneo (69) Bij het nagaan van de geschiedenis van de zending op Soemba waren we gekomen bij het jaar 1890. Zendeling Van Alphen werkte toen in de omstreken van de havenplaats Waingapoe onder een groep Saveenezen, ongeveer 200 man.
In die tijd nam het zendingswerk in de Nederlandse kerken een grote plaats in. Daarbij kwam ook, dat zich broeders en zusters aanboden om uitgezonden te worden.
De Here gaf mogelijkheden. Na de eerste - heel moeilijke - periode (1880-1890) brak een tweede aan: de komst van de zendelingen W. Pos (1890) en C. de Bruijn (1892) op Soemba, Pos zou gaan werken aan de Oostkust te Melolo. Dat was de plaats waar indertijd Van Alphen óók was begonnen. Voor hem was daar de enige mogelijkheid om bij de Savoenezen te beginnen.
Beide zendelingen dachten nog steeds aan kansen om op die manier tot de Soembanezen te komen. Ze zagen voor hun ogen hoe nodig dat was. In hun onmiddellijke omgeving was de wreedheid van de Soembanese vorsten ten opzichte van hun slaven tastbaar, maar evenzeer was er vijandschap tussen de verschillende stammen. Ze hoorden van huiveringwekkende slachtingen, veroorzaakt door heidense priesters, die zich in hun positie konden laten gaan. En het gouvernement kon er in die tijd niets aan doen.
Er was in feite geen Nederlands gezag.
Toen in 1892 ds De Bruijn arriveerde meenden ze met hun drieën dat deze in de omgeving van Melolo een plaats in een van de Soembanese kampongs moest gaan zoeken. Dan werd mogelijk de afstand tussen Soembanezen en Savoenezen doorbroken. De oorspronkelijke eilandbewoners bleven nl. altijd op een afstand staan van die Savoenese bevolkingsgroep.
Die kwamen 'van buiten' en 'hoorden er niet thuis' en om die reden waren de Hollanders, die zich bij die 'vreemden' aansloten, voor hen (Soembaneien) taboe.
Maar de ontworpen plannen konden geen werkelijkheid worden.
Ds Van Alphen werd uit de zendingsdienst ontslagen (1893).
Waarom? 't Is in de beschikbare boeken niet te vinden. Hij zou 'ongeschikt' geacht zijn, maar dat lijkt niet zo waarschijnlijk, als je overweegt dat hij 12 1/2 jaar onder heel moeilijke omstandigheden heeft gewerkt. Hoe het zij, zijn vertrek liet een lege plaats achter en De Bruijn moest die vervullen.
Zo waren ze opnieuw met z'n tweeën en beide zendelingen werkten in Savoenese gemeenten en dat bleef zo tot 1904.
Er was wel vrucht op hun werk te zien. Velen voegden zich bij de gemeenten. Die bij Waingapoe groeide zelfs tot ruim 300 zielen.
Daarmede was men er echter niet.
Velen, tot Christus gekomen, waren nog met veel banden aan het heidendom verbonden. Vooral offergebruiken en feesten bleven trekken. Ds Pos schreef eens 'Gij ziet; dat er jaren overheen zullen gaan, eer deze Christenen waarlijk Christenen zullen zijn'. Deze strijd is er thans nog. Alleen op Soemba?