"Die dood geweest en hij leeft.”

1975-03-28
  • Jaargang 19
  • nummer 13



• Grensgebied

Als je het "van de dood hebt weggehaald" ben je ver weg geweest. Zo zou Hizkia het hebben kunnen zeggen of de dichter van Ps. 116: banden van de dood hadden mij omvangen, angsten van het dodenrijk hadden mij aangegrepen. 't Is duidelijk: de man stond met één been in het graf, hij verbleef in het grensgebied van leven en dood.
Die grens is in onze tijd, bij wijze van spreken nog wat verlegd naar de kant van de dood toe. De uitdrukking is niet helemaal correct: men is tot de ontdekking gekomen dat de grens een stukje verder ligt dan men dacht. Dat "kleine stukje" maakt niettemin een groot verschil. Heel wat mensen zijn (in de termen van de oude zienswijze) "klinisch dood" geweest, sommige zelfs meerdere malen, en zijn door reanimatie weer tot leven gebracht. Beter gezegd: ze zijn eigenlijk nooit echt dood geweest, al waren ze heel dicht aan de grens. De discussie over de schijnbaar simpele vraag wanneer de dood is ingetreden, is - ondanks de nieuwe terminologie: hersendood - voor arts en wetgever nog niet ten einde. Het mysterie van de dood is er alleen maar groter op geworden, alle populaire filosofieën over "dood is dood" ten spijt.

Over de grens

Met grote nadruk vertelt Johannes in zijn evangelie, dat Jezus aan het kruis écht gestorven is, echt dood was. Niet alleen, zegt hij, hebben de soldaten het geconstateerd, maar een van hen wilde, ten overvloede, het overtuigend bewijs geleverd zien: hij stak met een speer in zijn zijde en terstond kwam er water en bloed uit: Deze "proef op de som" en de formulering ervan moge de medicus van nu vreemd voorkomen, maar Johannes - zelf geen medicus - beschrijft in leke-termen wat hij met eigen ogen heeft gezien. Daar doet hij een eed op: en die het gezien heeft, heeft er van getuigd en zijn getuigenis is waarachtig en hij weet, dat hij de waarheid spreekt, opdat ook gij gelooft.
Daargelaten welke feitelijke reden Johannes had voor deze nadrukkelijkheid, duidelijk is dat "geloven" (vgl. Joh. 20 : 30, 31) niet om Jezus' echt-dood-geweest-zijn heen kan.
Het leke-getuigenis wordt overigens gestaafd door dat van een toenmalige arts: Lucas.
Diens verwondering èn zekerheid staan, in medische terminologie, geboekstaafd in het begin van zijn tweede boek: Handelingen.
Sprekend over Jezus, noemt hij de apostelen, door Jezus uitgekozen, "aan wie Hij zich ook na zijn lijden met vele kentekenen levend heeft vertoond". De verbazing over het "zich levend vertonen"
berust uiteraard op de volslagen zekerheid dat Jezus dood geweest is. En daarvan heeft hij in zijn eerste boek, na minutieus onderzoek, ook als medicus rekenschap gegeven.

Het terrein verkend

Beleven we met Lucas de grote verwondering, Johannes geeft ons door de zorgvuldige keus van wat hij wel dan niet meedeelt, nog meer stof tot nadenken. Johannes is immers de enige evangelist die over de opwekking van Lazarus schrijft. En ook dat in niet mis te verstane bewoordingen. 't Is Jezus zelf die uitdrukkelijk verklaart dat Lazarus gestorven is. Komt Hij eindelijk in Bethanië dan ligt Lazarus reeds vier dagen in het graf. Jezus' verzekering: uw broeder zal opstaan, wordt door Martha beantwoord met de bevestiging: ik weet dat hij zal opstaan bij de opstanding ten jongsten dage. Gebiedt Jezus, in het bijzijn van "de Joden" de steen van het graf weg te nemen, dan is Martha's weerwoord: Here, er is reeds een lijklucht, want het is al de vierde dag ... Met volstrekte zekerheid en zonder er doekjes om te winden, is Johannes aan het vertellen. Het staat onomstotelijk vast voor hem: Lazarus wàs dóód. En deze dode Lazarus, bij wie de ontbinding al is ingetreden, komt levend terug uit het graf. Met niet alleen de discipelen, maar ook "de Joden" als getuigen. Natuurlijk is een opstanding uit de doden iets ongehoords. Desnoods zou je bij de opwekking van die jonge man uit Naïn of het dochtertje van Jaïrus nog kunnen twijfelen aan het "echt dood zijn" - de begrafenis vindt in het Oosten plaats op de sterfdag. Je zou kunnen denken aan "slapen" of aan schijndood. Maar in het geval van Lazarus is dat onmogelijk. Anders gezegd: Johannes laat zien dat Jezus noch "de Joden" noch zijn discipelen onvoorbereid geplaatst heeft voor het "ten derden dage wederom opgestaan uit de doden".
En Johannes blijkt te weten waarover hij het heeft, als hij de woorden "dood" en "leven" bezigt. In de dagen van de discipe1en en ook in Paulus' tijd (1 Cor. 15 : 6) is navraag mogelijk: men is geen "kunstig verdichte fabelen" gevolgd, maar hield zich aan de harde feiten.
Van dit feit zal alle moderne theologie zich toch rekenschap moeten geven als zij achteraf toch weer tot ,,kunstig verdichte fabelen" meent te mogen concluderen

• In leven blijven

Was het pascha voor de Joden de gedachtenis van het in leven blijven (bij de uittocht uit Egypte), de inhoud van onze gedachtenis op het Paasfeest is grootser: Jezus werd niét gespaard, voorbijgegaan (pascha) maar kwam op de derde dag uit de dood terug tot het leven. Met alle nadruk zegt Hij, bevestigend, tot Johannes: Ik bén dood geweest, en zie Ik ben levend tot in alle eeuwigheden! En dienen graven, zeker 'Verzegelde, gesloten te blijven: Ik heb de sleutels van dood en dodenrijk (Op. 1 : 18).
Dat alles na de mededeling aan Johannes: Ik ben de levende!
Als Johannes dit hoort, zal Lazarus inmiddels opnieuw gestorven zijn, en die jongeman uit Naïn en dat meisje uit Kapernaüm denkelijk ook. Het wezenlijk verschil tussen die laatsten en Jezus is, dat Jezus kan zeggen: Ik ben levend tot in alle eeuwigheden.
Voorgoed. Door die boodschap wordt het hele evangelie gedragen, Daar gaan de overleggingen van de gelovigen van uit.
Houdt Martha, tegenover de leer van de Sadduceeën (vgl. Luc. 20 : 27), vol: ik weet dat Lazarus zal opstaan bij de opstanding ten jongsten dage, dan weten wij al meer.

• Terugkeer van over de grens

Niet voor niets verhalen de evangelisten hóe Jezus zich levend vertoond heeft - met vele kentekenen. Johannes schrijft een en andermaal: Hij toonde hun zijn handen en zijn zijde. En aan het adres van Thomas: ... wees niet ongelovig, maar gelovig! Wij zouden denken, dat er voor littekens geen plaats was na de opstanding. Maar voor Jezus zijn het de bewijzen ten behoeve van zijn discipelen dat Hij het wezenlijk zèlf is. Hij, de gekruisigde die dood geweest is en die leeft.
Niet minder duidelijk is de weergave bij de arts Lucas. Het feit jat de deuren gesloten waren toen Jezus binnenkwam hoeft niet te leiden tot het aannemen van een "verheerlijkt" lichaam.
Zou Hij, die de sleutels heeft van dood en dodenrijk blijven steken voor een gesloten alledaagse deur, geen macht hebben die te openen?
Niet hoe Jezus binnenkomt is belangrijk, maar hoe Hij zich levend vertoont met vele kentekenen.
De discipelen herkennen Jezus zó duidelijk, en weten tegelijk zó zeker dat Hij dood (geweest) is, dat zij, ontsteld, menen een geest te aanschouwen (Luc. 24 : 37). Een geest - d.w.z. onlichamelijk, zonder vlees en beenderen. Maar juist daarom benadert Jezus hen met de woorden: ziet mijn handen en mijn voeten, dat Ik het zèlf ben; betast Mij en ziet, dat een geest geen vlees en beenderen heeft, zoals gij ziet, dat Iik heb. En zijn overtuigende vraag: hebt gij iets te eten, zal Petrus zó diep bijblijven, dat hij later vertelt hoe Jezus verschenen is "aan ons, die met Hem gegeten en gedronken hebben, nadat Hij uit de doden was opgestaan" (Hand. 10 : 41).
Er is geen spoor van twijfel dat deze levende Jezus dezelfde is als die is gestorven en begraven. De identiteit is door velen onweerlegbaar vastgesteld - ook de arts Lucas was overtuigd. En wanneer dan beloofd wordt dat ook wij zullen opstaan zoals Jezus is opgestaan, dan krijgt het Paasfeest een onwaarschijnlijk diepe zin. Ook al moeten wij sterven, de dood betekent geen identiteitsverlies.
Bij de opstanding ten jongsten dage zal één (en niet de minste) van de vele vreugden zijn: zie, dat ik het zèlf ben!
Geen "geest" maar een mens!

Meld je aan voor onze gratis nieuwsbrief