Het "ledige graf" hoort erbij!
1975-03-28
Wanneer we de evangelieverhalen uit de Heilige Schrift lezen krijgen we van wat er op de grote Paasdag gebeurde het volgende beeld: Op de "goede Vrijdag" stierf onze Heiland aan het kruis. Na verlof daartoe te hebben ontvangen heeft Jozef van Arimathea de gestorven Jezus van het kruis gehaald, zijn lichaam in zuivere linnen gewikkeld en het in zijn graf, dat hij pas in een rots had laten uithouwen, neergelegd. Daarna heeft hij dat graf gesloten door er een grote steen voor te wentelen.- Jaargang 19
- nummer 13
Op de grote Paasdag geschiedde 's morgens vroeg een grote aardbeving: want een engel des Heeren daalde uit de hemel neer, wentelde de steen weg en zette zich daarop. De bewakers van het graf werd-en door vrees voor die engel bevangen en werden als doden. Maar tot de vrouwen die een tijd daarna bij het graf kwamen zei de engel: Weest niet bevreesd: want ik weet, dat gij Jezus zoekt, de Gekruisigde. Hij is evenwel niet hier, want Hij is opgewekt, gelijk Hij gezegd heeft, komt maar en ziet waar Hij heeft gelegen. Gaat nu terstond naar de discipelen en zegt hun dat Jezus is opgewekt uit de doden en dat Hij hun voorgaat naar Galilea.
Daar zullen ze Hem zien.
De vrouwen gaan dadelijk op weg om te doen wat de engel gezegd had. En zie, als ze op weg zijn naar de discipelen komt de opgestane Jezus haar tegemoet en zegt: Weest gegroet! Zij naderden Hem, grepen zijn voeten en aanbaden Hem. Jezus zegt dan tot haar: Weest niet bevreesd! Gaat heen en bericht mijn broeders dat zij naar Galilea gaan, daar zullen zij Mij zien. 1) Volgens de Heilige Schrift heeft de gestorven Jezus dus van Vrijdagavond tot Zondagmorgen in het graf gelegen, is toen opgewekt uit de doden - of zoals we ook wel lezen opgestaan uit de doden -, kwam daarna als de verrezen Christus uit het graf te voorschijn, liet het lege graf achter zich en zocht daarna zijn discipelen op, vooral om hen te overtuigen dat Hij waarachtig uit de doden was opgestaan. Zij moesten immers in heel de wereld en vóór heel de wereld getuigen, worden van zijn dood en opstanding. 2)
Tegen deze door de Schrift getekende stand van zaken is door alle eeuwen heen fel verzet gerezen.
Men noemde die wel een "realistische" of "materialistische" opvatting die vloekte met het eigenlijke "opstandingsmysterie".
In zijn bekende boek De Evangelische Boodschap, gaf de nu overleden prof. Banning - de man die met prof. Kraemer en dr Gravemeijer de stoot gaf tot de vernieuwing van de Ned. Herv. Kerk kort na de oorlog - men kan wel zeggen een klassieke weergave van de kritiek op die z.g. "realistische" opvatting van de opstanding van Jezus.
Volgens Banning is het Nieuwe Testament doorweven met voorstellingen die aan de ontstaanstijd daarvan zijn ontleend. Deze voorstellingen moeten uit het Nieuwe Testament worden uitgezuiverd om de "godsdienstige waarheid" daarvan te behouden. Dit dóet men inderdaad reeds als het gaat om de eschatologie, de Ieer van de "laatste dingen". Maar velen doen dit nog niet als het gaat over het "paasmysterie"! Dan houden zij nog vast "aan de realistische opvatting der lichamelijke opstanding."
Tegen die opvatting heeft Banning onoverkomelijke godsdienstige bezwaren. Evenmin als zo zegt hij, de geboorte van Christus als Licht der wereld gebonden is aan de realistisch-biologische opvatting van de maagdelijke geboorte, "evenmin achten wij het feit dat de Christelijke gemeenten zich in haar geloof geleid weet door een levende, in haar midden presente en actieve Heer, gebonden aan de realistische-materialistische opvatting, dat hetzelfde lichaam, dat aan het kruishout stierf, na drie dagen in het graf te hebben gelegen, opnieuw begon te functioneren."
Ook zonder deze "realistisch-materialistische opvatting" van de opstanding blijft z.i. "de godsdienstige waarheid" van de opstanding intact. Die "godsdienstige waarheid"
is de waarheid van een levende, in het midden der gemeente presente Heer. Het dogma van de lichamelijke opstanding gaf volgens Banning nog nooit meer troost en licht dan "het geloof in de ondoorgrondelijke liefde Gods." Het is Banning onmogelijk zich gebonden te voelen aan "de materialistische interpretatie der opstanding". Ook zonder deze interpretatie is het volgens hem mogelijk te belijden, dat in Christus de Liefde Gods historisch en persoonlijk tot ons is gekomen o.a. om de macht der zonde te breken.
"De overwinning van dood en zonde waarvan de opstanding getuigt, is ons reëel' in de geloofsgemeenschap met de levende Heer". Op deze wijze hebben we deel aan het beloftewoord: "Ik ben met u tot aan de voleinding der wereld."
3) Deze "geontmythologiseerde", “pneumatische" opvatting van de opstanding is steeds verder doorgedrongen in het leven en denken der onderscheiden kerken. Wie gekeken en geluisterd hebben naar de televisie-uitzending waarin Kuitert en Schillebeeckx met elkaar discussieerden werden daarmee in alle duidelijkheid geconfronteerd.
In de Schrift wordt evenwel met de grootst mogelijke duidelijkheid en nadrukkelijkheid de lichamelijke opstanding van Christus verkondigd. De werkelijkheid en de betekenis van Christus' opstanding zijn in de bijbelse boodschap onlosmakelijk aan elkaar verbonden.
Wie de werkelijkheid van die lichamelijke opstanding prijsgeeft kan nooit de "idee" of de "pneumatische betekenis" daarvan overhouden -:- neen, hij verliest alles.
En het dan toch spreken van een "opstanding" en een "opgestane Heer" is ijdel woordgebruik, het is een zich overgeven aan een fictie.
Volgens de Schrift is de boodschap van Christus' lichamelijke opstanding van essentiële en beslissende betekenis. Talloze malen wordt ons in het Nieuwe Testament de realiteit van de kruisiging en de lichamelijke opstanding van Jezus gepredikt.
In de "pinksterrede" van Petrus worden kruisiging en opstanding als machtige realiteiten onafscheidelijk aan elkaar verbonden. Jezus, aldus Petrus, is naar de bepaalde raad en voorkennis van God aan het kruis genageld en gedood. God evenwel heeft Hem opgewekt want Hij verbrak de weeën van de dood, naardien het niet mogelijk was, dat Hij door hem vastgehouden. 4) Vooral de apostel Paulus heeft met geweldige kracht de realiteit van de lichamelijke opstanding van Jezus verkondigd. Als een doflied klinkt de prediking van dat heilsfeit bijna in al zijn brieven op.
Jezus Christus is door God zelf opgewekt uit de doden roept hij de Romeinen toe, Hij is overgeleverd om onze zonden en opgewekt om onze rechtvaardiging. 5) Met alle klem verzekert hij zelfs dat van het geloof aan de lichamelijke opstanding van de Heiland einze zaligheid afhangt. Indien gij met uw mond belijdt dat Jezus Heer is, en met uw hart gelooft dat God Hem uit de doden heeft opgewekt, zult gij behouden worden. 6) Met de laatste ernst graveert hij de Corinthiërs, en ons allen, in de ziel dat hij hun en ons allen vóór alles heeft overgegeven wat hij zelf eerst ontvangen had. Namelijk dit: Christus is gestorven voor onze zonden, naar de Schriften, en, Hij is begraven en ten derden dage opgewekt naar de Schriften. En dat het bij die opstanding gaat om een "realistische" lichamelijke opstanding blijkt uit wat hij op deze woorden onmiddellijk laat volgen. Dit namelijk: "en Hij is verschenen aan Cephas, daarna aan de twaalven.
Vervolgens is Hij verschenen aan meer dan vijfhonderd broeders 'tegelijk, van wie het merendeel thans nog in leven is, doch sommigen zijn ontslapen. Vervolgens is Hij verschenen aan Jacobus en al de apostelen, maar het allerlaatst is Hij ook aan mij verschenen." 7) Ja, Paulus gaat zo ver dat hij verzekert dat indien Christus niet is opgewekt, ons geloof zonder vrucht is en wij nog in onze zonden ,zijn! En dat indien Christus niet lichamelijk opgewekt is ook allen die in Christus ontslapen zijn verloren zijn. 8) Prof. Berkouwer schreef voor ruim twintig jaar: "Alles hangt voor Paulus van dit heilsfeit af. Ware Christus niet waarlijk opgestaan, dan zouden wij "valse getuigen van God zijn, want dan hebben wij tegen God in getuigd, dat Hij de Christus opgewekt heeft."
Voor geestverwanten van Banning en zijn min of meer verwante theologen is, ten gevolge van hun loochening van de lichamelijke opstanding van Christus, vooral "het ledige graf" een ergernis en een dwaasheid. Dat graf is volgens hen niet open gegaan en dat graf is niet ledig geworden.
Maar, aldus Berkouwer, er is in de kerk altijd "een verwoede strijd" gestreden "wanneer op de een of andere wijze aan de historische realiteit van Ohristus' opstanding werd te kort gedaan".
Dat was vooral in de voorbije eeuw het geval toen men op allerlei gronden "het wonder en daarmede ook de opstanding van Christus voor onmogelijk verklaarde en het opstandingsgeloof der gemeente ging verklaren uit een innerlijke projectie van gelovige zielen, waaraan geen historische feitelijkheid beantwoordde".
Die strijd ging voorts, zo gaat Berkouwer verder, "meer en meer zich concentreren op het ledige graf". De kerk hield evenwel niet daarom aan de realiteit van dat ledige graf vast omdat ze het evangelie tot een brok historie zonder meer maakte en omdat de kerk meer lette op de historische entourage dan op de levende Heer. Neen de kerk verzette zich met hand en tand tegen de loochening van het ledige graf. En ze keerde zich eveneens tegen de mensen die nog wel met nadruk van de betekenis van Pasen wilden spreken en daarin van een zeker "objectief" gebeuren van de levende Heer, maar toch allerminst de importantie zagen van het ledige graf."
De kerk hield aan de realiteit van het ledige graf ook nooit vast, omdat ze daarin een "bewijs" zag van Christus' opstanding! Ongetwijfeld neemt het ledige graf een plaats in in de boodschap van de engel, maar de kerk maakte het ledige graf toch nooit tot "een rationeel of historisch bewijs dat Christus waarlijk van de doden was opgestaan". Het ledige graf kan immers ook anders geïnterpreteerd en verklaard worden dan als een aanduiding van de opstanding van de" Heiland. Maria Magdalena riep uit: "Zij hebben de Heere weggenomen uit het graf en wij weten niet waar ze Hem hebben neergelegd." En de wachters moesten zeggen dat de discipelen het lichaam van Jezus hadden gestolen! "Maar, aldus Berkouwer, deze mogelijkheden heffen de betekenis van het ledige graf allerminst op. Want juist in het ledige graf ligt het voluit-historische karakter van Christus' opstanding aangeduid. Niet het ledige graf, doch de opstanding van Christus is het grote heilsfeit, maar als historisch heilsfeit is de opstanding onlosmakelijk met het ledige graf verbonden en zonder het ledige graf niet denkbaar.
Het is tel1'volle in strijd met het Evangelie om de boodschap van het ledige graf te elimineren en niettemin van de levende Heer te spreken. In de evangeliën vinden we Zijn opstanding in verband gesteld met historische gegevens, tijdstippen en plaatsen, waar Hij verschijnt. De gedachte, dat het zou gaan om een "voortleven" zonder enig verband met de lichamelijke verrijzenis en het ledige graf, vindt nergens in de Schrift enige steun."
In de hevige strijd die altijd in de kerk over de opstanding van onze Heer Jezus Christus gevoerd wordt en zal gevoerd blijven zal men, aldus nog steeds Berkouwer, "altijd moeten kiezen tussen het idealisme, dat het historische ledige graf onbelangrijk acht èn de boodschap der Schrift, die ons wijst op de genade Gods in Zijn handelen in deze Gekruisigde." 9)
Wij zijn ontzaglijk dankbaar dat Berkouwer op deze krachtige, bewogen en Schriftgetrouwe wijze het ihistorisch aspect van het heilafeit van de opstanding van Christus verdedigt. Want de strijd over de realiteit van de lichamelijke opstanding van Christus en het ledige graf woedt in steeds toenemende mate voortóók en vooral in de kerken waartoe hij behoort. 10)
1) Matth. 28 : 1-10. 2) Luc. 24 : 47, Hand. 1 : 22. 3) a.w.; 74 v .v: 4) Hand. 2: 23, 24. 5) Rom. 4: 23, 24. 6) Rorn. 10: 9. 7) 1 Kor. 15: 1 v. Bultmann die alle Schriftgegevens omtrent de lichamelijke opstanding van Jezus volledig ontmythologiseert weet evenwel met deze paulinische woorden geen raad! 8) 1 Kor. 15 : 18. 9) Het werk van Christus, 197 v . 10) Bizonder raak is de volgende kritiek van Berkouwer op de ontkenning van de lichamelijke opstanding van Christus: "Er ligt een ironie der geschiedenis in, dat men in een tijd, waarin men zich "ontmythologiserend" van het wereldbeeld van het N.T. wil ontdoen, tegelijkertijd bezig is de dualistische dichotonie te boven te komen en weer oog te krijgen voor de betekenis van het "lichaam".
In dit licht moet men bezien de kritiek van meerderen op de realistische of materialistische. belijdenis. van de opstanding van Christus. Zulk een kritiek kan AFORTIORI vanuit de moderne tijd geen enkele indruk meer maken en doet aan als een 19e eeuws verwijt, toen men nog volop in het IDEALISME leefde. (203)