Boekbespreking

1975-03-28
  • Jaargang 19
  • nummer 13
Prof. dr D. J. Bosch
Het evangelie in afrikaans gewaad,
Kok, Kampen, 1974.
Prijs f 11,90.

In zijn lovende introductie zegt prof. Verkuyl van de schrijver geen woord te veel. Prof. Bosch die vele jaren actief zendingswerk in de Transkei gedaan heeft, is inderdaad uitermate deskundig en weet zijn stof opeen boeiende en heldere wijze te presenteren, waarbij zijn persoonlijke betrokkenheid op een sympathieke manier voelbaar wordt.
Het boek bevat een viertal lezingen die door de auteur tijdens zijn verblijf in Nederland in 1973 gehouden werden.
De eerste lezing handelt over de vraag: hoe krijgt het evangelie gestalte in het leven van de zwarte christenen in Afrika? Enerzijds is er in de prediking sprake (geweest) van het brengen van een westerse interpretatie van het evangelie, waardoor het leven en denken vanuit de traditionele stamreligie vaak onaangetast bleef. Anderzijds werd en wordt het evangelie zo zeer aan de traditionele godsdienst aangepast, dat het eigen karakter van het evangelie verloren gaat.
Prof. Bosch wijst terecht beide methoden af. Z.i. mag er op sommige punten, beslist geen aanpassing plaatsvinden, op andere punten wel. De vraag wanneer het wel of niet geoorloofd is, kan alleen beantwoord worden in een voortdurend teruggrijpen op het getuigenis der apostelen en onder de voortdurende leiding van de Heilige Geest.
Dat over de praktische uitwerking daarvan nog heel wat te zeggen zou zijn en veel verschil van inzicht naar voren kan komen, zal prof. Bosch bekend zijn.
Als illustratie van zijn bedoeling, verwijst de schrijver naar de vooroudercultus.
Bij een onderzoek bleek, dat 89% van de ondervraagde zwarte christenen geloofde, dat de vooroudergeesten hun leven kunnen beïnvloeden.
Volgens prof. Bosch is dat een gevolg van het feit, dat de westerse protestantse kerken uitsluitend negatief reageerden op de betekenis van de voorvaderen en daarvoor in hun eigen geloofsbeleving geen plaats hebben, terwijl ze anderzijds juist het voortbestaan van de onsterfelijke ziel hoog in hun vaandel geschreven hebben. Daardoor dook de vooroudercultus wel onder, maar bleef ondergronds onveranderd voortleven.
Prof. Bosch stelt, dat de vooroudercultus alleen echt overwonnen kan worden, als er een zekere mate van aanpassing aan het afrikaanse levensgevoel plaatsvindt.
Dit moet dan gebeuren door binnen het kader van het geloof in de gemeenschap der heiligen een plaats in te ruimen voor de gestorven gelovigen en een herinneringsfeest voor hen in te stellen, waarbij het geloof in de opstanding centraal moet staan.
Ik ben het helemaal met prof. Bosch eens, dat de vooroudercultus niet doortrokken kan worden door een leer over hert voortbestaan van de onsterfelijke ziel, maar alleen door een geloof in de opstanding. Wanneer dit geloof het herinneringsfeest stempelen moet, is er m.i. echter geen sprake meer van aanpassing en continuïteit waar prof. Bosch voor pleit. Het komt mij voor dat een Bantoe op geen enkele wijze in de verwachting van de opstanding.
der gelovigen een aanpassing aan of een voortzettin:g van zijn traditionele geloof in de reële aanwezigheid der gestorvenen kan herkennen. Tussen een proleptäsche aanwezigheid (p. 27) en aan reële aanwezigheid bestaat nu eenmaal een wezenlijk verschil.
De tweede lezing handelt over God in Afrika. Prof. Bosch geeft hier een voortreffelijk overzicht van de traditionele godsbeschouwing in Afrika. De god van Afrika blijkt een zwijgzame god te zijn, wiens eigenlijke wezen in nevelen gehuld blijft (p. 48).
Nu hebben de predikers van het evangelie maar al te vaak deze god van Afrika geïdentificeerd met de God van de Schriften, waardoor ze de indruk wekten dat ze alleen maar een aanvulling gaven op wat de Bantoes al wisten omtrent God. Daardoor bleef God voor veel afrikàanse christenen in wezen een zwijgzame God die ver van hun dagelijkse leven af stond.
Nog ernstiger is het feit, dat zendelingen vaak de indruk gewekt hebben, dat deze God eert goedige, ongevaarlijke Oude Baas is, die bij voorbaat alle zonden vergeeft, zodat men gewoonweg raak kan zondigen (p. 50). Op deze wijze verdwijnt de antithese tussen Jahweh en de afgoden en wordt Hij a.h.w. door deze goden geabsorbeerd.
Volgens prof. Bosch moet de antithese onverkort gehandhaafd blijven.
Maar toch wil hij ook vasthouden aan een zekere continuïteit in de verhouding tussen Jahweh en de god van Afrika. Weliswaar moet die god van Afrika sterven in de confrontatie met Jahweh, maar dan wel met de bedoeling dat Ihij weer opstaat tot een nieuw leven (p. 54).
M.i. overschrijdt prof. Bosch hier een grens die niet gepasseerd mag worden. In mijn onlangs verschenen boekje "Getuigen. De bijbelse opdracht en onze practijk" heb ik betoogd, dat het gebruik van Bantoe-woorden voor God (voorzover het geen eigennamen zijn) niet te vermijden valt, maar dat ze dan wel een bijbelse inhoud moeten krijgen. Prof. Bosch wil echter niet slechts deze woorden handhaven, maar aan de god van Afrika zelf een herboren bestaan toekennen. Bijbels gezien ontvangen de afgoden echter geen herboren bestaan, maar blijft er niets van hen over na de confrontatie met Jahweh.
Ook het beroep op Hand. 17 : 23 isniet houdbaar. De onbekende God van de Atheners was een god zonder naam en daarom zonder gezicht, zonder gestalte. Hij was eigenlijk niets anders dan een invuloefening, een uitgespaarde ruimte die later misschien nog eens kon worden opgevuld. Het is veelzeggend dat Paulus niet aanknoopt bij de griekse oppergod Zeus of bij de god van de griekse filosofen. Hij doet geen poging een van deze goden te transformeren tot een nieuw leven Hij knoopt aan bij een vraagteken, bij een God die voor de Atheners nog geen naam heeft. En een onbekende God kan niet getransformeerd worden, maar alleen geopenbaard.
Dat gebeurt in Hand. 17.
De god van Afrika is weliswaar een verre en zwijgzame god, maar heeft toch 'n eigennaam. Aanknopen bij deze god is m.d, niet het voetspoor van Paulus volgen, maar de deur openen voor het syncretisme.
In een derde, zeer boeiende lezing behandelt prof. Bosch het probleem van het kwaad in Afrika.
Volgens de Bantoe is 'het kwaad per definitie niet datgene wat ik een ander aandoe, maar wat een ander mij aandoet (p. 75). Kwaad is, dat mijn levenskracht wordt aangetast. De Bantoe-christenen zullen moeten leren, dat het evangelie de zonde bij onszelf aanwijst en dat Paulus gelijk heeft als hij zegt: als ik zwak ben, dan ben ik machtig.
De vierde en laatste lezing behandelt stromingen in de zuidafrikaanse Zwarte Theologie. Deze lezing is nagenoeg uitsluitend informatief en geeft een interessante vergelijking tussen de amerikaanse Zwarte Theologie die voortkomt uit de geseculariseerde, revolutionaire Black Powerbeweging en de zuidafrikaanse Zwarte Theologie, die weliswaar door de amerikaansebeïnvloed is, maar als geheel toch meer het karakter draagt van een religieus bewustwordingsproces.
"Voor de blanke theoloog moet de Zwarte Theologie in de eerste plaats als aanleiding tot ernstig zelfonderzoek dienen" (p. 115). Het is jammer dat prof. Bosch het bij deze constatering laat en niet zelf een beoordeling van de Zwarte Theologie geeft.
Maar dat zal wel samenhangen met het feit, dat hij als zendingsman in Zuid-Afrika op het grensgebied tussen blank en zwart leeft en daarom voorkomen wil, dat de communicatie tussen hemen de zich in snel tempo steeds meer bewust wordende Bantoes geblokkeerd wordt.


Meld je aan voor onze gratis nieuwsbrief