De zogenaamde"christelijke" feestdagen

1975-04-04
  • Jaargang 19
  • nummer 14
In de kerken wordt steeds meer nadruk gelegd op en drukte gemaakt van de z.g. "christelijke feestdagen". Het is uit historisch, zowel als uit dogmatisch en liturgisch oogpunt interessant na.
te gaan hoe men tot de viering daarvan is gekomen. Daarachter scholen allerlei zwaarwichtige beschouwingen. Evenals achter de constructie van het z.g. "kerkelijk jaar". Soms was de oorsprong van zo'n "christelijke feestdag" zeer dubieus. Misschien herinnert zich een enkele lezer nog wel wat ik over het ontstaan van het kerstfeest schreef.
Ik heb eens nagegaan hoe Calvijn over de "christelijke feestdagen" oordeelde. Het resultaat daarvan vindt men - ten dele - hier.

In Genève had men reeds voor Calvijn daar kwam de "feestdagen" afgeschaft. Calvijn heeft dat zelf verteld in een brief aan de raad van Bern, geschreven febr.
1552. Hij zegt daarin letterlijk: "Wat de feestdagen betreft, zij waren te Genève afgeschaft voordat ik Frankrijk verliet. En zij, die dat hadden teweeggebracht, hadden dit niet gedaan uit strijdzucht of hatelijkheid, maar alleen om de superstitie weg te doen, die onder het Pausdom geheerst had."
Onder de pressie van de toen zéér machtige stad Bern, werden in 1539 de "feestdagen" in Genève weer ingevoerd. De tegenstanders van Calvijn in Genève waren daar erg vóór. Want ze wilden met die invoering hun vijand een "hak" zetten, Dat lukte hen evenwel niet. Want Calvijn erkende t.a.v. die feestdagen ten volle de "Christelijke vrijheid". Dat wil zeggen: er was naar zijn overtuiging geen uitdrukkelijk Goddelijk voorschuift, nóch vóór de invoering daarvan, nóch voor de afschaffing daarvan. Daarom zou Calvijn, al was hij sterk vóór de afschaffing van die dagen, toch nooit vechten, noch voor hun invoering, noch voor de afschaffing ervan. Om dergelijke dingen mocht men, zo was zijn vaste overtuiging, de kerk nimmer in beroering brengen.
Wat de kwestie van het al of niet preken op deze dagen betreft - daarover kón zelfs geen kwestie ontstaan. Want in Genève werd elke dag gepreekt!
Waar Calvijn wèl tegen was, en heel erg fel tegen ook, was de bemoeiing van de Overheid met deze dingen. Als de Overheid beval, dat de feestdagen moesten afgeschaft of ingevoerd worden, dan kwam Calvijn met alle macht in het geweer! Want daar had ze niets over te zeggen. En strijd over de viering van de feestdagen was dán geen strijd meer dáárover, maar alleen tegen het machtsmisbruik van de Overheid in kerkelijke aangelegenheden. En de strijd tegen een dergelijke overheidsinmenging nam Calvijn zo ernstig op, dat hij daarvoor zelfs een schorsing riskeerde.
Over de feestdagen moest naar Calvijns overtuiging een synodebeslissing - ja inderdaad een synode.
Calvijn wilde over zulke kwesties niet alleen beslissen. Hij wilde ook niet dat een enkele kerk alléén dat deed. Hij geroofde echt "de gemeenschap der heiligen" en het "met alle heiligen". Hij wist dat hij en de kerk van Genève niet alleen wijs waren en niet alléén de Geest hadden ontvangen, En daarom wilde hij dat over deze en andere zaken de kerken tezamen, in een synode zouden oordelen.

Toen Calvijn o.a. om zijn niet willen buigen voor overheidsbepalingen inzake de kerkelijke feestdagen uit Genève was gejaagd, heeft hij zijn oordeel over de zaak van de feestdagen duidelijk geformuleerd.
Hij schreef nl. aan de synode van Zürich, aan welker oordeel hij de zaak van zijn verbanning voorlegde, o.a. deze woorden: "Wat de feestdagen betreft, zijn wij in een moeilijkheid die zeer ingewikkeld is, gelijk wij altijd erkend hebben, en wij kunnen op geen andere voorwaarde toestaan, dat de vier feestdagen (Kerstmis, Besnijdenis (1 jan.), Maria Boodschap (25 maart) en Hemelvaartsdag) worden ingesteld, dan wanneer het al te gebiedende van hun uitschrijving worde weggenomen, en het vrij sta aan hen, die zulks wilen, om zich na de preek aan het werk te begeven. Wij durven echter de deur niet open stellen voor zoveel troebelen, als wij voorzien, dat er ontstaan zullen, wanneer anders bepaald wordt."
En voorts: "Dit nu oordelen wij de beste en geschiktste wijze om de gelijkvormigheid te aanvaarden, dat de Berner gezanten in het openbaar betuigen, dat zij de ceremoniën, die tot nu toe bij ons in acht genomen zijn, volstrekt niet afkeuren, en dat de reden, waarom zij hierin verandering wensen in geen enkel opzicht hierin gelegen is, dat zij iets daarvan in strijd zouden achten met de zuiverheid der Schrift; maar dat zij eniglijk bedoelen eendracht en eenheid te verkrijgen, die gewoonlijk bevorderd wordt door gelijkheid van ceremoniën. Dat dan ook onzerzijds een preek gehouden worde over de vrijheid der ceremoniën, terwijl wij voorts het volk vermanen tot gelijkvormigheid, met voorstelling van de daartoe dringende redenen. En ten slotte worde aan de kerk hare vrije beslissing gelaten. Want zo zal aan kleine ergernissen worden tegemoet gekomen, zullen de gemoederen der goedgezinden, die er nu enigszins afkerig van zijn, worden voorbereid, en zal de zaak met betamelijke orde tot stand komen."
Hoewel Calvijn persoonlijk de feestdagen graag afgeschaft wilde zien, wilde hij ze wel accepteren.
Evenwel slechts onder deze vierderlei voorwaarden.

1e. Ze mogen nooit gebiedend worden opgelegd. Want Calvijn was. een felle tegenstander van het bindend opleggen aan de gemeente van iets, dat niet door God zelf was voorgeschreven.
2e. Men moet bij de invoering van. deze feestdagen uitdrukkelijk erkennen, dat het niet-houden ervan niet ingaat tegen Gods wil.
3e. De invoering geschiede vooralom tussen de onderscheidene kerken een gelijkheid van praktijk te verkrijgen ten aanzien van die middelmatige dingen als kerkelijke ceremoniën en feestdagen. Calvijn kent aan deze eenheid een grote waarde toe. Hij verfoeit het als afzonderlijke kerken in deze op eigen houtje van de andere afwijken.
4e. De regeling van deze aangelegenheid geschiede uitsluitend door de kerken zelf, in een kerkelijke vergadering bijeen, zonder enige inmenging van de overheid.

Toen Calvijn in 1541 in Genève terugkeerde, na drie [aar verbannen te zijn geweest, waren de feestdagen nog steeds in ere. En, geheel in de lijn van Calvijn, begon hij rustig met die te accepteren.
Hij maakte geen drukte over dergelijke dingen. Vermoedelijk had hij de afschaffing ervan gemakkelijk kunnen bereiken. Calvijn kon in de eerste tijd na zijn terugkeer heel veel dingen gemakkelijk gedaan krijgen. Maar hij verzet er dan geen stap voor, hij trekt er zijn jas niet voor uit!
Er waren belangrijker dingen te doen. En voorts voelde hij er niets voor de goede verstandhouding met Bern, waar men zeer geporteerd was voor die feestdagen, om zo'n paar onnozele dagen te verstoren.
"Een goede verstandhouding met onze buren (dat is: met Bern) en ook, indien zij daartoe mede genegen zijn, een broederlijke welwillendheid, zal ik met de meest mogelijke trouwen ijver bevorderen. Zeker zal ik aan niemand, voor zoveel het aan mij staat, gelegenheid tot aanstoot geven", schreef hij eens aan Bucer.
Maar deze houding van Calvijn was toch niet maar een geheel lijdelijk berusten in de situatie. Afschaffing van de feestdagen bleef zijn doel. Dat kan men vooral hieruit zien, dat hij in zijn kerkorde van 1541, waarin het gehele kerkelijke leven geregeld wordt, van de feestdagen niet rept. En bovendien blijft hij de gemeente waarschuwen tegen het roomse zuurdesem inzake de feestdagen.
Langzamerhand werd de situatie in Genève gunstiger voor het afschaffen van de feestdagen. Eerst werden ze geheel als de zondag gevierd. Maar op 22 mei 1544 zegt Calvijn in de Raad met het oog op het wegnemen van allenlei superstitie ten aanzien van de feestdagen: het zou goed zijn op ieder van die dagen des morgens te preken; en dat het na het eten aan ieder vrij zou staan te werken of te rusten." In dec. 1544 wordt dan besloten: dat er geen reden was om meer dan één dienst te houden ter gelegenheid van de vier feestdagen."
Maar toen tengevolge van het al of niet waarnemen van de feestdagen burgertwisten en vechtpartijen in Genève ontstonden, besloot de Raad in 1550 alle feestdagen af te schaffen, "alleen de zondag" behoudende, gelijk door God verordineerd is. Calvijn was er blij en verwonderd over dat dat toen zo vlot ging.

Calvijn hield zich nu stipt aan deze bepaling. Dat kan men aan zijn preken zien. Zoals men weet, preekte Calvijn altijd over "vervolgstoffen".
Zo behandelde hij b.v. van 20 maart 1554 tot 26 juni 1566 in tweehonderd (!!) weekbeurten geheel Deuteronomium.
25 december 1555 - een woensdag - was "aan de orde van behandeling" Deut. 21: 10-14, waarin gesproken wordt over de voorschriften ten aanzien van een heidense vrouw, die door een Israëliet in de oorlog was buit gemaakt en door hem tot vrouw wordt begeerd.
Welnu, daar preekte Calvijn toen over!
Wat zou er een gejammer opgaan, ook onder de stoerst gereformeerden, als een dominee het in onze tijd waagde zo'n weinig "feestelijke", "stof" op de kerstdagen te bespreken!
Ik heb in de lange rij van preken, welke Calvijn heeft gehouden ruim 1600 van de 4000 zijn er bewaard gebleven - niet meer dan vier maal preken kunnen ontdekken, die met de kerkelijke feestdagen rekening hielden. Op Pasen 1559 preekte Calvijn, nadat hij 's morgens een vervolgpreek over de brief aan de Efeziërs had gehouden, 's middags over Matth. 28 vs 1 v. In 1560 gaf hij - óók alleen in de middagdiensten, 's morgens ging Calvijn rustig door met zijn preken over Mattheüs - een paas- en een pinksterpreek. En in de week vóór Pasen in 1562 hield Calvijn een reeks lijdenspreken over Matth. 26 en 27. Maar dat is ook alles!

Het is merkwaardig, dat telkens wanneer er reformatie in de kerk kwam, ook steeds het verlangen naar het uitsluitend vieren van de zondag als enige en ware kerkelijke feestdag opkwam.
Op de allereerste synode van de Afgescheidenen, vanwege de vervolging in het geheim gehouden, werd ook over de feestdagen gesproken.
En men deed daaromtrent de volgende echt Calvijnse uitspraak (art. 63): Daar de Heiltige Schrift even sterk de geloovigen vermaant, om te staan in de vrijheid. waarmede Christus hen heeft vrijgemaakt, als tot het in acht nemen der goddelijke ordinantiën, zoo zal men zich in de gemeente Christi zorgvuldig wachten. om, nevens de stipte heiliging van 's Heeren dag, die menschen te verpigten tot het vieren van zoogenaamde Feestdagen, welke de Heere niet in Zijn Woord verordineerd heeft. De dag des Heeren is door God zelven geheiligd, en wij kunnen en mogen daarbij door menschelijke bepalingen geene andere feestelijkheid voegen. De zes werkdagen zijn van God gegeven, om te arbeiden; men zal op die dagen wel te zamen komen, om uit en naar Gods Woord gesticht te worden. mits men maar niet de eonscientie der menschen binde tot onderhouding van door menschen vastbepaalde en jaarlijks geregeld wederkeerende feestdagen: men zal in dezen het gemoed volkomen vrij laten.
En als de doleantie een feit is geworden, stelt mr dr W. van den Berg van Voorthuizen ook onmiddellijk aan de kerkeraad aldaar voor de kerkelijke feestdagen, omdat ze uitvindingen van mensen zijn, af te schaffen. Sterke weerstand in de gemeente dwong hem later op dat besluit terug te komen.
Maar de "goede Vrijdag" wordt, voor zover ik weet, tot op de huidige dag in de Geref. Kerk van Voorthuizen niet "gevierd" .

De weerstand, waarvoor de vrome v. d. Berg moest zwichten, is er nog! Ondanks alle "doorgevoerde reformatie" houden de mensen ook in onze dagen hun feestdagen stevig vast!
Het zal wel vooral om dezelfde reden zijn als waarom zelfs de meest onchristelijke schoolmeesters in Overijssel er niet aan dachten hun best te doen gedaan te krijgen, dat de scholen ook op de Overijsselse bid- en dankdagen gewoon doorgaan met het dagelijkse werk.
U snapt het: die bid- en dankdag zijn twee vrije dagen extra in het jaar!

Meld je aan voor onze gratis nieuwsbrief