Gods lente

2005-03-25
  • Jaargang 49
  • nummer 6
Elk jaar vieren wij Pasen. Maar de datum is telkens anders; waarom eigenlijk? Steeds vaker horen we over de ‘veertig-dagen tijd’; waar komt die term eigenlijk vandaan en wat zit daar achter? Voor het antwoord moeten we ver terug in de geschiedenis. Want ons paasfeest wortelt in de opdracht die de HERE aan Mozes gaf.

Toen de HERE op het punt stond het volk uit de slavernij van Egypte te bevrijden sprak Hij tot Mozes: ‘Blijf deze dag gedenken’. Gedenken is 'je het verleden herinneren met het oog op heden’. De Joden vieren sindsdien het, acht dagen durende, Pesachfeest Het woord ‘pesach’ is afgeleid van een woord voor ‘voorbijgaan, passeren’. Aan die huizen waar men in het land Gosen het bloed van lammetje aan de deurpost had gestreken ging de dood voorbij. De evangeliën vertellen hoe Jezus tijdens de Pesachmaaltijd brood en wijn op zichzelf betrekt. Brood en wijn zullen voortaan verwijzen naar zijn dood.
Jezus is ‘het Lam van God, dat de zonde van de wereld wegneemt’. Het Lam dat geslacht is, troont nu in de hemel. Op een ieder die een beroep op zijn bloed doet, zal de dood daarom geen vat hebben.
De dood is overwonnen!

Datum
De gemeente van de opgestane Heer kwam na Pinksteren op de eerste dag van de week, ‘de opstandingsdag’, samen en hield dan maaltijd. Men vierde zowel Jezus’ dood als Jezus’ opstanding.
Na verloop van tijd ging men hier één keer per jaar extra aandacht aan besteden. Over de datum waarop je Pasen moest vieren ontstond echter onenigheid. Sommigen namen hun uitgangspunt in de sterfdatum die Johannes in zijn evangelie overlevert: de veertiende Nisan. Vanaf de veertiende Nissan telde men dan drie dagen verder en bepaalde op die manier de opstandingsdag.
Hierop kwam felle kritiek, want wie de paasdatum op drie dagen na de veertiende Nisan stelt komt bijna nooit op een zondag uit. De tegenstanders waren ervan overtuigd dat de opstanding op zondag moest worden gevierd en telden daarom vanaf de eerste dag van de week terug naar vrijdag.
De ene partij begon sprekend over Pasen dus bij het lijden, de andere bij de opstanding. Pas in 325 kwam er op het concilie van Nicea een compromis tot stand: Pasen zou voortaan gevierd worden op de zondag na de eerst volle maan van de lente. Het ‘christelijke Pasen’ bleef zodoende, net zoals het ‘joodse Pesach’, afhankelijk van de volle maan en schuift op de kalender heen en weer tussen 22 maart en 25 april. Maar door deze constructie valt Pasen nooit meer samen met Pesach. Want Pasen wordt nu immers altijd op zondag gevierd. Het christendom ging zich hoe langer hoe meer losmaken van haar joodse wortels. Omdat men in de oosters-orthodoxe kerk een andere oude kalender gebruikt, valt Pasen daar vaak één tot vier weken later dan in de kerken van het westen. Bovendien tekenen soms christenen van het zuidelijk halfrond protest aan: waarom zouden wij ons moeten richten naar de maanstand van het noordelijk halfrond?

Kruisweg
Toen Cyrillus halverwege de vierde eeuw bisschop van Jeruzalem ging men in de paastijd het bijbelverhaal letterlijk op de voet volgen. Men nam daar een week de tijd voor. Op zondag (palmzondag) ging men in processie van de Olijfberg naar de Opstandingskerk. Op donderdag (witte donderdag) hield men Maaltijd in de kapel ‘achter het Kruis’ en ging men aansluitend in processie naar de hof van Getsemane om daar een nachtwake te houden. Op vrijdag (Goede Vrijdag) trok men langs de plaatsen waar Jezus door Pilatus was verhoord en gegeseld en liep men door naar Golgotha. ’s Zaterdags vond een paaswake plaats in de Martyriumkerk en werden ‘de nieuw-gelovigen’ gedoopt.
Ten teken dat zij waren opgestaan tot een nieuw leven trokken ‘de nieuw-gelovigen’ met de bisschop naar de Opstandingskerk. In de rest van wereld haakte men in de paastijd van lieverlee aan bij de liturgische gebruiken in Jeruzalem. Aan het einde van de Middeleeuwen begon men de geschiedenis van de kruisiging in hout of steen af te beelden in taferelen, de zgn. staties; veertien in totaal. Nu konden de gelovigen vlak bij huis of in hun eigen kerk stap voor stap ‘de kruisweg’ nalopen en bij elke ‘halte’ mediteren.

Veertig dagen
In de vierde eeuw werd het ook gewoonte mensen die zich in de paasnacht zouden laten dopen gedurende veertig dagen daar op voor te bereiden.
De periode van veertig dagen is in de bijbel typisch een tijd van voorbereiding: Mozes verbleef veertig dagen op de berg Sinaï, Elia verbleef veertig dagen in de woestijn en van Jezus wordt hetzelfde verteld. De ‘nieuw gelovigen’ moesten in die periode vasten en via intensieve gesprekken werd de echtheid van hun geloof getest. Ook moesten zij zweren zich van de duivel af te keren. Het Onze Vader en het Credo moesten uit het hoofd worden geleerd. ‘Maar was omkeer, bekering enkel iets voor nieuwelingen? Spoedig werd ook aan wie al gedoopt waren, maar zich door misstappen buiten de gemeenschap hadden geplaatst, een kans gegeven zich in deze periode te zuiveren en (opnieuw) te bekeren. Ze kregen een veertigdaags program van boetedoening opgelegd en wanneer de bisschop hun boetvaardigheid voldoende achtte, konden ze op Witte Donderdag weer in de gemeente worden opgenomen: men zou weer samen Pasen kunnen vieren. Gaandeweg is die veertigdaagse tijd van omkeer van nieuwelingen en boetelingen uitgegroeid tot een tijd van inkeer voor alle gelovigen: een algemeen gepraktiseerde vastentijd, die in een deel van de kerk ‘het grote vasten’ ging heten’ (Van Leeuwen). De zes zondagen in deze tijd werden voorzien van vaste lezingen zoals over de verzoeking in de woestijn en over de intocht in Jeruzalem. De gelovigen vragen zich zodoende af: Van welke geest ben ik vervuld – die van God of van de duivel, heilig of onheilig? Ik noem mij volgeling van Jezus, maar zal ik ook trouw blijven aan Hem tot wie ik Hosanna roep? Na de reformatie overtroefden de protestanten de katholieken door naar zeven lijdenszondagen te gaan. Behalve dat het van een grotere vroomheid getuigde kwam het ook goed uit omdat men zodoende op elke zondag een kruiswoord van Jezus kon bepreken. In de tweede helft van de Middeleeuwen werd het te doen gebruikelijk de vastentijd met Aswoensdag te laten beginnen en als opmaat een driedaags carnaval te vieren.
Of de bedoeling daarvan is in een georkestreerde anarchie nog eenmaal intensief te genieten van al datgene wat straks in de vastentijd verboden zou zijn of dat men op die manier door middel van een ‘louterende losbandigheid’ de wereldse genoegens in hun zotheid wilde tonen om zodoende opnieuw te beseffen op welke wegen men niet moet gaan, blijft in het midden.

Nieuw leven
Pasen is het feest van nieuw leven en wordt in op het noordelijk halfrond in het voorjaar gevierd. Net midwinter (Kerst) werd ook het voorjaar door onze heidense voorouders met een feest gemarkeerd. Elementen daarvan vind je her en der terug in de wijze waarop het geheim van Pasen wordt gevierd en afgebeeld. In sommige plaatsen in het oosten van het land wordt bijvoorbeeld de paaskaars aangestoken aan de paasvuren die van oudsher het aanbreken van de lente markeren. Bekender is het paasei. Het ei is een teken van ‘ontwakende natuur’; beeld van nieuw leven. Ook zag men gelijkenis tussen een kuiken dat uit een ei kruipt en Jezus die uit het graf komt. Op plafondschilderingen in oude kerken is Christus’ graf daarom soms eivormig afgebeeld.
Iemand noemde onze Heer eens ‘der Frühling Gottes’, de vroeg- of eerstgeborene, die ons voorgaat op de weg naar Gods koninkrijk; Hij is ‘Gods lente’, die vooruit wijst naar ‘de grote zomer’ waar we eeuwig zullen kunnen genieten en geen kalender meer nodig zullen hebben. De dood is verzwolgen in de overwinning!

Bronnen: ‘Van feest tot feest’, Marius van Leeuwen; ‘Met de Joden op weg’, Henk van der Molen; ‘De weg van de liturgie’, onder redactie van M. Barnard e.a.

Meld je aan voor onze gratis nieuwsbrief