Opvoeding op school

1975-04-11
  • Jaargang 19
  • nummer 15


TER VOORBEREIDING VAN DE JAARVERGADERING


De lezing, die op 19 april gehouden moet worden voor de jaarvergadering van de pers vereniging en die ik nu aan het voorbereiden ben, blijkt in twee gedeelten uiteen te vallen. Een historisch en een tegenwoordig gedeelte. Je zou ook kunnen zeggen: in het eerste gedeelte overheerst de theorie, in het tweede de praktijk.
Alles bij elkaar zal deze lezing de gestelde tijd (20 minuten) zeker overschrijden en daarom denk ik er goed aan te doen het eerste deel nu reeds te publiceren en het tweede deel - dat nu ook nog niet klaar is - te bewaren voor 19 april.
Aan bovenstaande moet nog toegevoegd worden dat men bij 'school' vooral moet denken aan het voortgezet onderwijs en dan nog daarvan het algemeen vormend en voorbereidend wetenschappelijk onderwijs. Zeker in het tweede gedeelte zal dit het geval zijn.

De school is al een oud instituut en wat men er mee gewild heeft, wat men ervan verwacht heeft, is in het verloop der tijd ook zeer verschillend geweest. Om enige kijk te 'krijgen op wat zich in onze tijd in de onderwijswereld voordoet, lijkt het mij nuttig dat we ons eerst verdiepen in enkele facetten van de onderwijsgeschiedenis.
lik denik dat we daar wat aan hebben, zeker als het gaat over het opvoedkundige in het onderwijs. Hiervoor maak ik m.n. gebruik van een standaardwerk: 'schets van het nederlandse schoolwezen' van dr Ph. J. Idenburg.

We zullen dan beginnen in de 17e eeuw, de tijd van de Republiek der Zeven Provinciën. Het is bekend dat deze republiek een gereformeerd karakter droeg en dat er een staatskerk was: De Nederduits Hervormde Kerk. Dit karakter komt zeer duidelijk tot uiting in het Alg. Schoolreglement uit die tijd (1655). In hedendaags nederlands omgezet klonk de doelstelling voor het onderwijs in die tijd als volgt: "De schoolmeesters der scholen krijgen de gewichtige opdracht om de kinderen zodanig te scholen, dat zij in de Christelijke en Gereformeerde religie, in de Vreze des Heren en in alle zedigheid en gehoorzaamheid, maar ook in geleerdheid en vaardigheden, elk kind naar zijn gelegenheid en bekwaamheid, opgevoed en onderwezen worden. Dit tot eer van God, tot welstand. der Kerk en tot algemeen nut. Tot troost en welbehagen van iedereen die de vruchten daarvan mag verwachten en genieten zal in- de tijd van het komende geslacht."

In principe zien we hier toegepast art. 36 van de N.G.H. waarin de overheid de taak heeft het Koninkrijk van Jezus Christus te doen vorderen en het rijk van de antichrist te gronde te werpen.
In de praktijk bleek evenwel de soep minder heet gegeten te worden dan ze werd opgediend. Principieel ging men uit van een soort Corpus Ohristianum, waarin kerklid en staatsburger één en hetzelfde behoorden te zijn, maar in werkelijkheid - m.n. op de zgn. Latijnse scholen - werkte het chr. humanisme van mensen als Erasmus nog sterk door.
Een grote- verdienste van die tijd t.o.v. de middeleeuwen was wel het standpunt dat ieder kind zó moest worden onderwezen dat het straks door zelfstandige schriftstudie naar eigen verantwoordelijkheid voor God zou kunnen leven.
De belangrijkste stuwende kracht voor de ouders om achter dit onderwijs te staan was de gedane doopbelofte. Behorende tot de kerk wisten de ouders zich omgeven door die kerkgemeenschap, vertrouwende dat de kerk wel voor goede scholen zou zorgen, De opvoeding der kinderen lag toen vooral onder de verantwoording van de gemeenschap ofwel onder verantwoording van de kerk. Een leuze als 'de school aan de ouders' komt dan ook pas op in de 19e eeuw, in een tijd van ontevredenheid over de staatskerk.
Nooit is die calvinistische staat, een gereformeerd Corpus Christianum, ten volle gerealiseerd en al heel gauw ging het - in en na de eeuw der verlichting - de kant van de verwereldlijking op. O.i.v. de wijsbegeerte van Descartes, een rationalist bij uitstek èn onder invloed van het liberalisme begint de individuele mens autonoom te worden en het 'tot eer van God' gaat over in tot meerdere glorie van de mens en zijn Rede'. De kerk verliest haar heersende positie en daarmee ook haar geestelijke leiding van het onderwijs.
De staat geeft nu een nieuw reglement voor het lager onderwijs in de Bataafse Republiek (1806): "Alle schoolonderwijs zal zodanig worden ingericht, dat onder het aanleren van gepaste en nuttige vaardigheden de verstandelijke vermogens der kinderen ontwikkeld worden en zijzelf opgeleid worden tot alle maatschappelijke en christelijke deugden".
We zien dat het hier gaat over de verstandelijke vermogens van het kind op de eerste plaats en vervolgens, op de tweede plaats, ook.
over het kind zelf. Een zeer merkwaardige opsplitsing van de jonge mens met een nog merkwaardige prioriteit. In de belangrijkheid die men toekende aan de verstandelijke vermogens moet men wel de filosoof Descartes herkennen, die rationalist, die maar "één zekerheid in het mensenleven kon ontdekken, nl. dat die mens kan denken, dat hij verstandelijke vermogens bezit. Zelfs hebben de chr. deugden het moeten afleggen tegen de maatschappelijke deugden.
Evenmin echter als het Corpus Christianum werd gerealiseerd in de 17e eeuw, zo werd ook in de 18e en 19e eeuw niet het hele volk liberaal. In de 19e eeuw ontstond het verzet tegen de geest der eeuw te beginnen bij Da Costa, en vond een deel van het volk de weg weer terug naar de oude geref. leerstellingen, de belijdenisgeschriften.
Dit verzet werd door ds H. de Jong in Opbouw getypeerd als een belijdenisbeweging.
Die geest der tijd werd duidelijk en terecht aangevochten door alleen al het eerherstel van de belijdenisgeschriften, die immers spreken over 's mensen volkomen en algemeen bederf; dit tegenover de zo aanbeden autonoom menselijke rede. Overigens zou een schriftbeweging in die tijd meer op z'n plaats zijn geweest. Het, was nl. een tijd waarin het gezag van de Schrift zeer aangevochten werd en tevens was ons land bezig z'n algemeen christelijk karakter te verliezen. Over die schoolstrijd straks nog meer.

In de 18e en 19e eeuw hadden zeer zware maatschappelijke veranderingen plaats en de scholen hebben zich hier uiteraard aan aangepast, maar meer dan dat: ze hebben aan deze veranderingen ook meegewerkt. Er vindt nl. een overgang plaats van een maatschappij waarin rang en stand primair door geboorte werden bepaald naar een nieuwe tijd waarin deskundigheid en geleerdheid toonaangevend zijn. Aanvankelijk volgden de kinderen lager of hoger onderwijs al naar gelang ze tot de lage of hoge stand behoorden.

Veelzeggend zijn de jaarverslagen van de stadsarmenscholen te Amsterrdam: 'Met grote nadruk bestrijden daar de verschillende sprekers de mening: ,dat de beschaving der minvermogende volksklassen d.m.v. verbeterd onderwijs nadelig is voor de zedelijkheid en de rust der maatschappij. Integendeel, het onderwijs voedt juist op in maatschappelijke deugden, zoals ondergeschiktheid, overtuiging van de noodzakelijkheid der orde, achting en liefde voor de hogere standen. Opvoeding in deze deugden waarborgt de rust." "Om u te beveiligen, meervermogenden, moet men de armenscholen, dat is: kweekscholen tot plicht en orde, ondersteunen." Zo werden de kinderen vertrouwd gemaakt met de gedachte dat de "standen" door de Voorzienigheid gewild zijn en dat dus aan armen tevredenheid met hun lot past. Vrijwel niemand twijfelde aan deze maatschappijvorm, of liever: deze heerschappij van de aristocratie. Ook Da Costa niet.

We mogen dus konstateren dat een groot deel van de opvoeding der kinderen op school plaats vond; dat deze opvoeding eerst onder verantwoordelijkheid van de kerk stond, maar daarna onder verantwoordelijkheid van de staat; dat deze opvoeding vooral inhield een bepaalde - door de tijd sterk gekleurde - kultuuroverdracht; dat aanvankelijk de opvoeding tot de Vreze des Heren centraal stond, welke vrij spoedig vervangen werd door opvoeding tot maatschappelijke deugden. Kultuur en maatschappij werden als onveranderlijk voorgesteld, Het onderwijs was de dienaar der standenhiërarchie en stond garant voor haar kontinuïteit. Kort na de Reformatie (17e eeuw) was het christelijke in de opvoeding op school nog gericht op het straks kunnen leven naar eigen verantwoordelijkheid voor God, door zelfstandige Schriftstudie - althans op papier was dit de bedoeling. Vrij spoedig echter verwaterde dit verheven doel tot opvoeding in de christelijke deugden. Het christelijke in de opvoeding verwerd tot lief moralisme.

Terug weer naar de reeds genoemde overgangstijd. Hoewel de toen bestaande scholen de ontwikkeling der verstandelijke vermogens hoog in hun doelstelling hadden staan, weken ze in de praktijk toch vooral bedoeld om de maatschappelijke rusten ordelijke hiërarchie te handhaven. Ze deden onvoldoende aan de ontwikkeling der verstandelijke vermogens.
Noch het lager onderwijs, noch het hoger onderwijs (de Latijnse schollen ofwel de gymnasia en de universiteiten) voldeden aan de methode waar de eeuw der verlichting om vroeg. Er ontstond vraag naar materiële inhoud van het onderwijs. Niet meer dat vage: de eer van God, of de deugden, of hoogstaande ideeën van de klassieken, maar eerder: moderne talen, natuurkunde, wiskunde; er was vraag naar methodische opsplitsing in vakken. Vraag naar het materiële: wat kun je met die kennis doen als je in de maatschappij stapt? Met name kwam het idee op dat je er maatschappelijk beter van kon worden. Met andere woorden, het onderwijs werd materialistisch. In de nog altijd dualistische werkelijkheidsvisie begon de materie het te winnen van het geestelijke. In sommige kringen was dit zelfs zo sterk, dat men de geestelijke zijde der werkelijkheid geheel wilde negeren. Zo bleef Marx dualist, maar hij ging aan de andere kant van de kloof staan en aan die kant bestond alleen aarde, mens, arbeid, materie. Zo ontstond waag naar materialistischer onderwijs, dat zou kunnen bijdragen tot de ontwikkeling van de nieuwe werkelijkheidsvisie, Men vond een klein deurtje naar zulk onderwijs in de vorm van de op kleine schaal reeds bestaande Franse en Duitse scholen. Deze behoorden niet tot het bestaande lager of hoger onderwijs en waren de voorlopers van het middelbaar onderwijs zoals wij dat nu kennen.

Tussen de lage en hoge stand had zich ontwikkeld de zgn. derde stand, de burgerij. Deze zocht al langer naar nieuwe wegen voor haar kinderen met het oog .op de handhaving en ontwikkeling van handel en industrie. Nodig daarvoor was een praktisch gericht onderwijs: ze moeten leren zaken doen, moderne talen, kennis van techniek en haar toepassingen.

Het nieuwe schooltype dat in het leven werd geroepen was geen op voedingsschool meer, het was bij uitstek een leerschool. Opvoedkundige waarde van deze HBS, de hogere burgerschool,evenals later ook van het ULO. de gymnasia en de universiteiten leek nauwelijks nog aanwezig. Toch lag aan dit onderwijs de geest der verlichting ten grondslag, geloof in de menselijke rede. materialisme en het zgn. vooruitgangsgeloof. Erkend moet worden dat dit onderwijs sterk heeft bijgedragen tot de vooruitgang in welvaam "en tot maatschappijverandering. Een verandering nl. van standenhiërarchie naar democratie. De funktionering van dit onderwijs is ons nog zeer welbekend, maar er worden heden ten dage grote vraagtekens achter gezet.

Dit onderwijs nl. heeft als belangrijke funktie gekregen: het uitselekteren van een intellektuele bovenlaag. Normatief voor deze, selektie is de leerstof. Het voldoen aan deze norm wordt beloond met een diploma.
De maatschappij is zich hierop gaan instellen. Voor te vervullen vakatures was niet de persoon, maar in de eerste plaats het diploma de norm. Het opvoedingsdoel werd sterk gereduceerd tot: zorg er voor dat je je diploma haalt -zo niet, dan val je af. De leerlingen bij het voortgezet onderwijs werden eigenlijk opgevoed tot het gaan behoren bij een bepaalde stand. M.n. geldt dit voor de geleerde stand. Was vroeger de selektie reeds vóór de geboorte ((men werd laag- of hooggeboren), nu vond die selektie op school plaats (men werd laag- of hooggeleerd).
Helaas betekende dit op den duur het ontstaan van een nieuwe dominante stand: die van de intellektuele deskundigen. In het vergaren van kennis ging het om het te gaan behoren tot die machtige stand. Kennis is macht!

Vrij spoedig bij de doorbraak van dit onderwijs, toen men echter de totaliteit ervan nog lang niet kon overzien. werd geprotesteerd tegen de grondslagen ervan. Hierbij moeten we minstens twee dingen onderscheiden; de geest der verlichting achter dit onderwijs èn dat het staatsonderwijs was. M.n. tegen dat laatste heeft de schoolstrijd zich gericht. Die strijd werd gevoerd door liberalen en konfessionelen, maar bij de laatsten ging het dieper. Hun protest was een gewetenszaak m.n. voortkomend uit hun doopbelofte. De strijd ging over de schoolopvoeding van de jeugd aangaande godsdienst en zedelijkheid; wie zijn daarvoor verantwoordelijk: de staat, de kerk of de ouders? Hoewel in het konfessionele kamp hierover onenigheid bestond, is toch in deze -tijd de leuze opgekomen: de school aan de ouders; en dit principe heeft toch wel min of meer overwonnen. Zo liep het uit op de verscheidenheid van het nederlandse onderwijs: neutrale, R.K., en protestantse scholen. In hun gevecht echter voor bijzonder onderwijs.
dat vooral het lager onderwijs betrof, vergat men toch min of meer het voortgezet onderwijs.

De inrichting van het HBS-onderwijs, geheel voortkomend uit de geest der verlichting, bleef ondanks alle strijd wat het was. Gymnasium, Ulo, hogescholen en universiteiten namen allengs dit systeem over. In die zin heeft de schoolstrijd de boot gemist.
want ze heeft zich te sterk gericht op de staatsbemoeiing met het lager onderwijs en te weinig werkelijk gevochten tegen de alomtegenwoordige materialistische geest in het totale onderwijs.

Vrijwel automatisch zijn ook in het voortgezet onderwijs bijzondere scholen ontstaan, maar even automatisch hebben die het bestaande leerplan en de bestaande werkwijze overgenomen. De leerstof als norm, het principe der selektie naar intellekt, de verregaande opsplitsing van de werkelijkheid in vakjes, de dominantie van de natuurwetenschappelijke vakken, geen van deze werden op christelijkheid getoetst. Wel was er natuurlijk een extra 'vak' de godsdienst. Godsdienst als vak naast de wiskunde.

Konkluderend kunnen we dus zeggen dat het voortgezet onderwijs tot ongeveer 1950/60 resultaat is van de eeuw der verlichting; dat dit type onderwijs is voortgekomen uit de derde stand, de burgerij; dat het onderwijs geheel aan de staat kwam en later -althans deels - aan de ouders; dat de sekularisering van het onderwijs heeft plaatsgevonden in de 18e en 19e eeuw; dat daarvóór (17e eeuw) de school aan de kerk was. De schoolsituatie nu ligt minstens zo gekompliceerd als altijd en de genoemde geschiedenis kan mogelijk enkele begrippen aandragen, waarmee we deze komplexe situatie enigszins kunnen aftasten.

Meld je aan voor onze gratis nieuwsbrief