De dichter op het kerkhof
1975-04-11
U kent ongetwijfeld de dichter Jan Hanlo. Hij is de man die in het jaar 1954 een gedicht publiceerde waarover bijna honderd krantenartikelen werden geschreven en dat zelfs in de Eerste Kamer werd voorgelezen.- Jaargang 19
- nummer 15
De titel was "OOTE".
Het hele vers was een aaneenschakeling van Manken: Oote, Oote, Oote ... Oote, Oote, Boe ... Oote, Boe, Boe, Boe ... Oote, Boe enz. enz.
Er waren nogal wat' mensen die het gewoon zot vonden.
Ik vond dat niet, maar ik kon die reacties weil begrijpen. Niet iedereen is gevoelig voor de muziek in de taal.
Muziek, zo meent men, die maak je op een orgel of zo, maar daar zeg je niet iets bepaalds mee. Elke luisteraar mag er zijn eigen, hoogst persoonlijke, plezier aan beleven. Maar met het woord is dat anders. Daar zeg je iets mee dat voor iedereen dezelfde betekenis heeft.
Toch onderschat de mens, die zo de noot, de muziek in het gesprokene.
"C'est le ton qui fait la musique", zegt de Iransman. Het is de toon die de muziek maakt. En daarmee bedoelt hij: Het komt "aan op de manier en de toon waarop men iets zegt.
En juist de dichter onderscheidt zich daarin van zijn medemensen, dat hij door woordkeus, woordklank en de rangschikking van de woorden, in een paar zinnen meer zegt dan een gewoon mens met een dik boelk.
Nu, Jan Hanlo was een dichter.
Helaas moet ik schrijven "was", want hij leeft niet meer. In 1969 kwam hij door een motor-ongeluk om het leven. Hij was toen 57 jaar.
Zijn verzamelde gedichten zijn vorig jaar uitgekomen. Over één ervan ga ik U iets vertellen.
Op het kerkhof
Ik zou hier wel gelukkig zijn
om zomer en om zonneschijn
wanneer ik jonger was ... en niet
te vol was van te veel verdriet
Maar al ik jong was en nog klein
dan zou 'k hier niet gekomen zijn
want kinderen waarderen niet
de stilte van dit vreemd gebied
Hier lijkt de zon hun minder fijn
een angstigheid is in hun brein .
voor 't open graf waar 't soms geschiedt
dat men er oude beenderen ziet
Maar 'k zou hier nu gelukkig zijn
om vlinders en om zonneschijn
wanneer ik anders was ... en niet
te vol was van te veel verdriet
Voor de scepticus is dit een vreemd, tegenstrijdig rijmsel.
Eerst wordt gezegd: Ik zou hier, op dit kerkhof, wel gelukkig zijn, wanneer ik maar jonger was.
Als hij dan, al wandelend, bedenkt dat kinderen niet op een kerkhof komen, althans niet zomaar, concludeert hij dat ie wel gelukkig zou zijn als hij maar anders was.
"Ja", zegt de man die een gedicht toch al zo-zo vindt, "op die manier kom je overal uit."
Maar de door de woordkunst gegrepene (misschien moet ik zeggen: bezetene) zal zeker geboeid raken.
Laat ik U mijn beleving doorgeven.
De dichter loopt op een kerkhof. Hij doet dat vaker. Als hij in een vreemde plaats is en hij vindt er even de tijd voor bezoekt hij een begraafplaats.
Dat doet hem altijd wel iets. Want de dood laat hem eigendijk nooit los.
In alles waar je de gebrokenheid van het leven in ziet (en waarin zie je die niet) is iets van de dood.
Hij leest, al wandelend, de grafschriften. Wat een verschil is er toch.
Elk mens is anders en wordt anders gewaardeerd.
Maar ze komen wel allemaal aan hun einde.
Ach, hoe sterft de wijze evenzeer als de dwaas. Toen de Prediker dat ontdekte, kreeg hij een afkeer van het leven. Maar de dichter niet.
Kom nou, wat is er niet ontzaggelijk veel moois. Wat een prachtige zomerdag.
En wat een wonderschone bloemen en een heerlijke rust.
Hij moet hier wel gelukkig zijn, om zomer en om zonneschijn.
En toch ... er is een verdrietigheid in zijn hart die niet weg te redeneren valt. Vroeger, zo denkt hij, was dat anders. Toen was ik blijer. Als ik toen op een kerkhof had gelopen zou ik heus wel gelukkig zijn geweest. Maar nu, nee, ik heb te veel beleefd, te veel gezien.
Als ik jonger was en niet zo vol verdriet, dan. " ja stop nu even ...
als je klein bent ga je niet naar een kerkhof. Dat vindt een kind griezelig.
Die stilte en die vreemde schaduwen van die grafzerken, als de zon schijnt.
En dan moet er nog een doodgraver aan het werk zijn. Dat is voor een kind helemaal om bang van te worden.
Nee, om te zeggen "wanneer ik jonger was" gaat niet op. Hij voelt dat hij zichzelf feitelijk aan het bedriegen is. Die blijheid die hij mist, is zijn niet verzoend zijn met de gang van het leven. Dat heeft met de leeftijd niets te maken.
En dan weet hij het ineens heel goed. Ik zou hier nu gelukkig zijn, om vlinders en om zonneschijn, wanneer ik anders was.
Ja, dat is het. Ik moest anders zijn. Helemaal anders. Dan was ik ook niet zo vol van te veel verdriet.
Wat een ontroerende slotsom.
Jan Hanlo is katholiek opgevoed en dat heeft hem nooit losgelaten.
Ondanks zijn vaak ruige en vreemde levenswijs heeft hij altijd een hunkering gekend naar een oprecht leven met God. Hij was, zo weten zijn vrienden te vertellen, zeer religieus. Een zoeker. Die de rust niet vond.
Vandaar dat hij te vol was van te veel verdriet.
Wat spreekt er een ontstellende, hunkering uit dit prachtige gedicht.
Vooral het eerste en het laatste vers vind ik ontroerend mooi.
Wat een muziek in die woorden. Maar dan wel treurmuziek.