Amsterdams kerkelijk verleden

1975-04-18
  • Jaargang 19
  • nummer 16
Zou er ooit wel eens iemand alle dominees geteld hebben, die sinds de reformatie in Amsterdam hebben gediend? Het moeten er zeker honderden geweest zijn, sommigen in volkomen vergetelheid geraakt, anderen vereeuwigd in een boek of een straatnaam. De onbekenden zijn tegenover de Balthasar Bekkers en de Abraham Kuypers ver in de minderheid. Maar de Amsterdamse gemeente was zonder Kuyper of Bekker ook wel blijven voortbestaan, terwijl ze de grote schare naamlozen niet had kunnen missen. Zij hebben het 'daarom verdiend, dat dr R. B. Evenhuis in zijn geschiedenis van hervormd Amsterdam hun nagedachtenis heeft teruggeroepen. Het eerste deel is in 1965 verschenen.
Het vierde ligt nu voor ons, het vijfde en laatste - dat tot 1899 moet gaan - zal bij leven en welzijn in 1978 verschijnen.

Deze serie is voor de Amsterdamse kerken een bezit, dat vrijwel alle andere Nederlandse steden haar mogen benijden. Het kerkelijk leven elders kennen we alleen grondig voor bepaalde perioden, waar meer of minder bij toeval iets over geschreven is. Voor Amsterdam hebben we nu een doorlopende behandeling die vergelijkingen mogelijk mankt, accentverschuivingen zichtbaar doet worden, en laat zien hoe de ontwikkeling van het gemeentelijk leven over een langere termijn is verlopen.
Werden we over meer steden zo ingelicht, dan zou de vaderlandse kerkgeschiedenis heel wat gemeenplaatsen kunnen opruimen.

Het schrijven van zo'n boek vraagt veel ijver en geduld. Het vraagt vooral ook een zekere beslistheid.
Het mogen geen twintig delen worden en het mag geen honderd jaar duren. Daarom moet de auteur kiezen wat hij wil doen en laten. Hij moet grote lijnen kunnen trekken en toch redelijk volledig blijven; concentratiepunten vinden, maar niet te veel détails wegborstelen; zijn zaken breed bestuderen, maar het toch aandurven de boeken dicht te klappen en aan het schrijven te gaan. Dat is het talent van Evenhuis.
Ook van dit vierde deel geldt nog wat ds A. A. Spijkerboer destijds in de Waagschaal over het eerste opmerkte: "niet in de laatste plaats schuilt de kracht van het boek in de sereniteit waarmee het geschreven is". Evenhuis heeft greep op de stof en weet wat hij zeggen wil. Hij doet dat op een altijd even vriendelijke en tegelijk gedecideerde toon. Op zijn beste ogenblikken schrijft hij klaar, helder, overtuigend. Hij weet wat hij met dit materiaal kan doen: vertemen over de Amsterdamse predikanten, ouderlingen en diakenen.
Dat is niet gering, maar het is toch tevens een welbewuste beperking.
Wie op bladzij 10 leest dat "de Amsterdammer" een degelijk huis bewoonde, een buiten had aan de Vecht of in de Plantage, gekleed ging naar de laatste mode en elke week een koffiehuis bezocht, begrijpt dan wel dat het niet zal gaan over de bijltjes en de bierdragers. En inderdaad, zegt Evenhuis. "weinig zal verteld kunnen worden van de eigenlijke gemeente, omdat daarvoor de gegevens ontbreken" (p. 10).

Dat is natuurlijk niet waar. Honderdduizend mensen verdwijnen niet zomaar in de mist der tijden zonder één spoor na te laten.
Evenhuis geeft het ons trouwens zelf te zien. Er staat in zijn boek nog heel wat over die gewone gemeenteleden te lezen. Wie belijdenis wilde doen diende de cateohismus te kennen. De dominees gaven echter alleen les aan welgestelden. De anderen moesten maar naar de catechiseermees ter gaan, want men kon de standen toch niet gezamenlijk onderwijzen (p. 96)? Op de preekstoel kwamen de simpele evangelieverhalen niet aanbod: liever diepzinnig allegoriseren over de brief aan de Hebreeën of de Openbaring van Johannes (p. 81). Zo ging de preek over de hoofden van de eenvoudigen heen, maar de tucht bereikte hen wel, juist hen, want dronkenschap, diefstal en onzedelijkheid werden alleen bestraft in de armen (p. 38). De gewone zielszorg in het huisbezoek bleef achterwege (p. 97). Geen wonder dat bij de bedeelden geestelijk verval intrad. Een onderzoek in 1717 wees al uit. dat in tal van gezinnen geen bijbels te vinden waren p. 133). En toch moet het kerkvolk aan die stelselmatige verwaarlozing weerstand hebben geboden.
Sommigen weken uit naar de secten (p. 60),anderen hielden vol in de hervormde kerk. Stond het in 1737 op de Dam niet zwart van de mensen, die in spanning verwachtten welke keus de kerkeraad dn de bestaande predikantsvacature zou doen (P. 73)?
Tegenwoordig loopt geen Amsterdamse mensenmassa daarvoor de huizen uit, al zou Lammers in eigen persoon zich beroepbaar stellen op artikel acht. Toen zat er nog leven in die Amsterdamse kerkgemeente.

En als dat juist zo duidelijk blijkt bij de beroeping van een predikant, lijkt het aannemelijk dat voor de gemeente de preken toch nog wel iets betekenden. Zou ze dwars door alle theologische spitsvondigheden heen daar niet een boodschap in beluisterd kunnen hebben? Evenhuis is nogal kritisch over de achttiende-eeuwse prediking. Ze miste bevindelijkheid, ze zweeg bijna over de praktijk van het christelijk leven, ze zinspeelde nooit op actuele politieke gebeurtenissen. "Ons oordeel moet luiden dat (deze preken) de kerk meer kwaad hebben gedaan dan
vele tegen de kerk gerichte geschriften" (p. 83). Als dat waar is, en ons oordeel zo moet luiden, was het voor deze dominees beter geweest als ze nooit geboren waren. Maar moet het dan echt? Deze predikanten verkwistten hun scherpzinnigheld aan gekunstelde allegorieën - maar ze durfden moeilijke bijbelboeken open te staan, die honderd jaar eerder voor de gemeente altijd gesloten bleven, Ze brachten geen politieke kwesties op de preek-stoel - maar ze herinnerden zich misschien ook dat honderd jaar eerder Smout uit de stad was verbannen omdat hij het wel had gedaan.
Of zouden ze begrepen hebben dat een preek niet actueel is omdat ze aan de laatste televisieuitzending herinnert. maar omdat ze ons bij het televisie kijken weer in gedachten komt? Het verwondert mij ook dat Evenhuis hier zo scherp is, want hij heeft veel begrip voor de eenzijdigheid van sectarische geesten, die tegen dreigende eenzijdigheden van de orthodoxie protesteerden (p. 64).
Heel mooi, -maar waarom dat evenwicht dan niet nagestreefd als het gaat om de orthodoxe predikers zelf?

Dat streven zou ook meer in overeenstemming zijn met de geest van het boek. Evenhuis neemt de achttiende-eeuwse predikanten graag in bescherming, bij voorbeeld tegen Groen van Prinsterer en Knappert, die hen dom en oneerlijk genoemd hebben, op grond van "een enkel vrij onbelangrijk en ook bevooroordeeld spectatoriaal geschrift" (p. 8). Evenhuis vestigt op dat geval speciaal de aandacht in zijn woord vooraf, en daarom wil ik er ook even nader op ingaan.

Knappert beroept zich voor zijn ongunstige mening op een spectatoriaal geschrift. Wat zijn eigenlijk spectatoriale geschriften? We zullen ze het beste vergelijken met opinie-weekbladen. Die 'kunnen natuurlijk onbelangrijk of bevooroordeeld zijn, maar Knapperts bron, de Philanthrope staat niet zo heel laag aangeschreven. Ondeskundig in kerkelijke zaken was ze evenmin: een van de schrijvers was tenminste een theoloog, Cornelis van Engelen. Wat zegt dit blad nu over de domheid van de dominees? Als een smid zijn moker te zwaar vindt, een kleermaker zijn schaar, of een knopenmaker zijn naald, dan legt hij zijn gereedschap neer en wordt predikant, tot blijdschap van het onwetende grauw. Er volgt nog meer van gelijke strekking, alles bij Evenhuis (p. 70) woordelijk geciteerd uit de Philanthrope. Alleen, de philanthropen hebben dit beslist niet zelf bedacht, want het hele citaat is letterlijk overgenomen uit een niet zo onbekend boek van oudere datum, de Groninger Naamstudent, in 1737 uitgegeven door de later vermaard geworden strijder voor de orthodoxie, Petrus Hofstede. Hofstede studeerde nog toen hij dat boekje schreef, en het is wel zeker dat hij het heeft over zijn werkelijke medestudenten.
Groninger van die tijd konden de oud-smidsgezel en de gewezen knopenmaker wel thuisbrengen.
Hofstede heeft misschien wat bijgekleurd, maar niets helemaal verzonnen. Knaperts getuige is dus in feite niet een onbelangrijk spectatoriaal geschrift, maar een orthodox theoloog, die in Evenhuis' eigen boek een paar maal met lof vermeld wordt.

Met Groen ligt het geloof ik niet veel anders. Hij verwijt de predikanten van de achttiende eeuw dat ze nog wel de oude belijdenis ondertekenen, maar meer om de vrede met de oudere generatie te bewaren. Zelf zagen ze het als hun plicht, voorlopig bedekt, nieuwere theologische inzichten ruimte te verschaffen, Evenhuis meent dat deze beschuldiging geen steek houdt, en weer ontleend is aan een spectatoriaal geschrift. Nu is Groen in zijn handboek niet altijd precies na te rekenen, maar hier noemt hij toch zijn bron. Niet een spectator, maar de grote Geschiedenis van de hervormde kerk van Ypey en Dermout Die twee negentiende-eeuwse kerkhistorici zijn bepaald niet onbevooroordeeld, maar precies in een aan Groen tegengestelde richting, Zij schrijven met grote waardering over de doorbraak van "meer zuivere denkbeelden" in de verlichte eeuw. Als voorbeeld noemen ze dan het Evangelisch Magazijn van 1774, dat wel de leer van de vrije genade op de voorgrond plaatste, doch zo, dat het niet missen kon of degenen die voor rede vatbaar waren zouden van allerlei wanbegrippen bevrijd worden. Dat verschilt niet zoveel met wat Groen schrijft: nieuwe wijn in oude zakken. Verstandige mensen overtuigen met gezonde redeneringen, onverstandigen gerust stellen met vertrouwde klanken.

Misschien maak ik hier wat veel werk van die twee gevallen. Ik doe dat alleen omdat het hier gaat om de keerzijde van Evenhuis' beste eigenschappen, Hij neemt de hervormde kerk graag in bescherming, als het moet ook tegen erkende autoriteiten, Hij durft dan met beslistheid op te treden, en ik zei zo even al dat juist die beslistheid het hem mogelijk gemaakt heeft een werk van deze omvang te schrijven. Ze heeft zijn boek vaart gegeven, en dat is bijna altijd bevorderlijk voor de leesbaarheid. Hoe leesbaarder een geschiedverhaal is, hoe beter het aan zijn doel kan beantwoorden.
Dat Evenhuis in zijn vaart wel eens struikelt over Knappert of Groen van Prins ter er is hem veel gemakkelijker te vergeven, dan wanneer hij de Amsterdamse kerkgeschiedenis te boek gesteld had in de stijl van een jaartallenlijstje zonder eind. Wie weet hoeveel hout er gehakt, hoeveel water er geput moet morden eer een boek van deze omvang kan ontstaan, zal de schrijver bewonderen, die bij machte is het resultaat van al dat zwoegen zo rustig, zo duide1ijk en zo onderhoudend in zijn geschiedenis weer te geven.
Ieder die het wel meent met Amsterdam, de kerk en hun beider geschiedenis, moet wensen dat Evenhuis zijn verhaal in het nog' te verwachten vijfde deel de waardige en passende afsluiting zal kunnen geven.


Dr R. B. Evenhuis,
Ook dat was Amsterdam, IV,
De kerk der hervorming in de achttiende eeuw: de grote crisis.
Uitg. Ten Have, Amsterdam 1974. Prijs f 35,-.


Meld je aan voor onze gratis nieuwsbrief