De grondslag van het C.D.A.- van Bijbel naar Evangelie
1975-04-18
Er zal wel niemand onder onze lezers zijn die niet weet dat er dóór en in de A.R.P., de C.H.U. en de K.V.P. geworsteld wordt om tot een C(hristelijk) (D(emocratisch) A(ppèl) te komen en, zo willen het zeer vele, uiteindelijk tot een Cjhristelijk) Democratische) Partij) die alle protestanten en roomskatholieke kiezers onder haar banier wilden verenigen.- Jaargang 19
- nummer 16
Het zal evenwel maar heel weinig lezers scherp voor de geest staan wat er tot nu toe allemaal gebeurd is om tot zo'n C.D.A. te komen.
Daarover heeft dr C. J. Verpilranke in "Antirevolutionaire Staatkunde een bizonder goed oriënterend artikel geschreven.
We geven het hier weer:
Degenen die het proces van totstandkoming van het Christen Democratisch Appèl begeleiden, verdienen in bestuurlijk opzicht alle hulde. Met grote bekwaamheid en vastberadenheid weten zij de soms aarzelende partners - K.V.P., A.R.P. en C.H.U. - stap voor stap via samenwerking, appèl en federatie te voeren naar het beoogde einddoel: de nieuwe Christen Democratische Partij, gepaard gaande met de opheffing van de drie bestaande partijen. Elke stap moet weer leiden tot de volgende stap en elk besluit tot het volgende besluit.
Het begon officieel met een gemeenschappelijk urgentieprogram 1971-1975 van de drie partijen, door het A.R. Partijconvent aanvaard op 12 december 1970. De volgende stap was een resolutie waarin werd aangedrongen op honorering van de samenhang tussen de drie partijen, door de A.R. Partijraad aanvaard op 30 september 1972. Daarna deed de aarzeling haar intree: op 23 juni 1973 was in de A.R. Partijraad stemming nodig (170 tegen 38) voor de aanvaarding van een resolutie waarin werd uitgesproken, dat de drie partijen moeten streven naar een samenwerkingsverband, terwijl voorts werd besloten het C.D.A. op te richten.
Weer een stap verder ging het (op 15 december 1973 door de kR. Partijraad genomen) besluit, het C.D.A. als "groeimodel" te aanvaarden. De aarzeling zet zich hier voort : 37 van de 172 leden stemden tegen. Een meerderheid van 76 tegen 72 leden bleek niettemin het besluit toch niet helemaal te vertrouwen: met die stemverhouding werd een uit de vergadering opgekomen motie aanvaard, waarin duidelijk werd uitgesproken, dat het C.D.A. een federatie zou dienen te zijn. Pogingen om er een C.D.F(ederatie) van te maken, mislukten echter; het woord Appèl - whatever that may be - bleef gehandhaafd. En de laatste stap tot op heden is dan de aanvaarding (op 14 december 1974 door de A.R. Partijraad) van de statuten van het C.D.A. als federatie, zij het dat in een (uiteraard officieel tot niets verbindende) bijlage bij de ontwerp-statuten al werd aangegeven waartoe een en ander zal moeten leiden: een politieke partij als eenheidsorganisatie.
De gehele procedure is enigszins te vergelijken met een treinreis. Bij iedere wissel wordt even gestopt om de passagiers er van te overtuigen, dat, nadat de vorige wissel was omgezet, omzetting van ook deze wissel niet achterwege kan blijven.
Enkele passagiers stappen dan uit en rijden niet verder mee (zo laatstelijk Prof. dr A. C. Drogendijk Sr.); de overigen zien, hetzij met enthousiasme, hetzij met aarzeling, bij een volgend station hun treinstel aangehaakt aan twee andere treinstellen en tenslotte zal men aankomen bij het eindstation, waar ieder zal worden verzocht nu over te stappen in één ander treinstel, dat der Christen Democratische Partij. Een aantal zal dit wellicht weigeren, maar naar de verwachting der treinbestuurders staan op dit station zo vele andere enthousiaste reizigers gereed om in de nieuwe trein te stappen, dat het aantal zittenblijvers kan worden verwaarloosd.
Hun die bezwaren hebben tegen de koppeling der treinstellen, wordt het makkelijk gemaakt: voor hen rijdt voorshands een afzonderlijke wagon op enige afstand achter de trein aan. Immers volgens art. 5 der Statuten zijn de leden der A.R. Partij automatisch lid van het C.D.A., maar de toelichting deelt mede, dat wie wel lid van de A.R.P. wil blijven, maar niet als lid van het C.D.A. wil worden beschouwd, zulks aan het partijbestuur kan melden. Zo wordt het C.D.A.-lidmaatschap een soort Kalkar-heffing, waarvan men op grond van gemoedsbezwaren kan worden ontslagen, zonder dat het project zelf daardoor ook maar enigszins in gevaar komt.
Op het station van 14 december 1974 ben ik onraad gaan ruiken, niet sterk genoeg om uit te stappen, niet zwak genoeg om mij zwijgend verder te laten vervoeren.
Dat onraad betreft artikel 2 van de C.D.A.-statuten, waarboven weliswaar geschreven staat "grondslag" - een vaste basis waarop men staat, blijft staan en bouwen kan - maar waarin sprake is niet van een kenbron, maar slechts van een "richtsnoer" - een leidraad die alleen de richting aangeeft. Het is een nuance-verschil, misschien zonder betekenis, maar het zet wel aan het denken.
Aanvankelijk behelsden de (op 3 april 1879 vastgestelde] Statuten der A.R. Partij geen andere grondslag dan "de gemeenschappelijke erkentenis" van het Program van Beginselen waarvan art. III de belijdenis van "de eeuwige beginselen die ons in Gods Woord geopenbaard zijn"
bevatte, In 1955 kwamen officiële statuten tot stand waarvan art. 2 de grondslag aldus formuleerde: De A.R. Partij aanvaardt de Heilige Schrift als kenbron der waarheid en als richtsnoer, ook voor het staatkundig leven. Zo luidt de grondslag nog steeds. Er is sprake van de Heilige Schrift, een niet voor tweeërlei uitleg vatbaar gegeven.
In 1966 werd de term Evangelie geïntroduceerd.
In het program van actie 1967-1971 werd de ondertitel Evangelische Volkspartij opgenomen, bedoeld als nadere, meer aanspreekbare aanduiding.
Ten Partijconvent van 23 december 1966 waren er nog al wat twijfels: sommigen vreesden identificatie van het Evangelie met de activiteiten der partij, anderen waren huiverig voor de achtergrond van deze term en slechts met 81 tegen 51 stemmen werd de ondertitel aanvaard.
Sindsdien is het woord "Evangelie" in de politieke discussies de termen "Heilige Schrift" en "Gods Woord" geleidelijk gaan verdringen. Begrippen als "evangelische inspiratie" en "evangelisch radicaal" of "radicaal evangelisch" kwamen in zwang en woorden als "Schriftuurlijk" of "reformatorisch" verdwenen naar de achtergrond. Nogmaals: nuance-verschillen misschien zonder betekenis, maar ze zetten wederom wel aan het denken. Het is immers niet voor het eerst in de geschiedenis, dat de term "evangelisch" opgeld is gaan doen. In de vorige eeuw was sprake van de Groninger school (van Hofstede de Groot) die zich gaarne "evangelisch" liet noemen. Zij was afkerig van een welomschreven belijdenis en wilde de nadruk leggen "niet op de leer, maar op de Heer". Zij stond critisch tegenover de Bijbel, waarvan zij de Evangeliën het belangrijkste achtte. Dat de zonde een breuk met God betekent; dat de mens in Adam is verloren gegaan en "der verdoemenis deelachtig"; dat Gods toorn slechts door voldoening aan Zijn recht, d.w.z. door de dood van Zijn Zoon, kan worden weggenomen dat alles werd van minder betekenis geacht.
De heiliging van de mens kreeg de nadruk; met Erasmus voelde men zich meer verwant dan met Calvijn; en - om het in een in onze kring actuele terminologie te zeggen - over het hiernumaals had men meer zorg dan over het hiernamaals.
Het woord "Evangelie" is nu ook in de Statuten van het C.D.A. geïntroduceerd: het C.D.A. aanvaardt het Evangelie als richtsnoer voor het politiek handelen.
Tegen deze formulering is in a.r. kring al tijdig geopponeerd.
Allereerst bestond de - met name door uitlatingen uit K.V.P.-kring gevoelde vrees, dat er naast het Evangelie ook voor andere uitgangspunten ruimte zou zijn in het C.D.A. De A.R. Partijraad van 23 juni 1973 'gaf van die vrees duidelijk blijk. Eerst aanvaardde hij - met 116 tegen 80 stemmen - een amendement, waardoor de voorgestelde resolutie werd aangevuld met de eis, dat het nieuwe samenwerkingsverband zich zou laten "gezeggen door de verplichtende norm van het evangelie, zodat er geen sprake kan zijn van gelijkwaardigheid van andere inspiratiebronnen". Niettemin bleek er ook nog behoefte te bestaan aan een - met 170 tegen 38 stemmen aanvaardde - motie waarin het partijbestuur opdracht kreeg "er bij het bestuursorgaan van het C.D.A. op aan te dringen dat in de statuten duidelijk tot uitdrukking komt dat er slechts sprake is van één uitgangspunt, nl. het Evangelie van Jezus Christus".
In de resolutie van 15 december 1973 vindt men niettemin dat enig uitgangspunt niet expressis verbis terug. Ondanks uit de vergadering gerezen bezwaren werd besloten, dat in de statuten van het C.D.A. o.a. diende te worden opgenomen, dat het C.D.A. het Evangelie aanvaardt "als richtsnoer voor het politieke handelen". En toen op 14 december 1974 de tekst van de statuten voorlopig werd vastgesteld door de A.R. Partijraad werden pogingen om het Evangelie als enig richtsnoer te aanvaarden, met 101 tegen 83 stemmen verworpen. Misschien is de aanvaarde tekst duidelijk genoeg, maar de weigering om de dan wellicht vermeende onduidelijkheid weg te nemen door het woord "enig" er in op te nemen, zet wederom wel aan het denken.
Een ander bezwaar betreft het woord "Evangelie" zelf.
Voor de nazaten van Groen van Prinsterer is dat een volstrekt gelijkwaardig synoniem voor "Bijbel" of "Heilige Schrift". Als men dan echter voorstelt het woord "Evangelie" te vervangen door het synoniem "Bijbel", "Gods Woord" of "Heilige Schrift" dan is het merkwaardig, dat zulks op zoveel verzet moet stuiten.
In het prae-advies op daartoe sterkkende amendementen wordt een beroep gedaan op de gangbaarheid en verstaanbaarheid van het woord "Evangelie", waarvan overigens nog eens met nadruk wordt verklaard, dat het hierbij gaat om "de gehele Bijbel".
Ook die weigering zet aan het denken.
Want voor een aantal Christenen moge inderdaad sprake zijn van een gelijkwaardig synoniem, voor een groot aantal anderen is die gelijkwaardigheid er beslist niet.
Allereerst zijn er degenen die onder het "Evangelie" niet de formele maar de materiële boodschap van de Bijbel verstaan.
Voor hen is het gebruik van dit woord een verbetering. Dat houdt in, dat anderen het dan terecht als een reductie van de Bijbel gaan beschouwen.
Vervolgens zijn er - met name in Rooms-Katholieke kring - die onder "Evangelie" meer verstaan dan de Bijbel (inclusief de apocriefe boeken!). Voor hen is de Bijbel slechts één kenbron van je Waarheid. Het Evangelie omvat echter ook de leer der Kerk, tot uiting komende in encyclieken, mandementen en concilie-uitspraken - een leer waartegen menig Protestant fundamentele bezwaren heeft. Dat houdt in, dat voor een aantal onzer het woord "Evangelie" een ontoelaatbare uitbreiding van het begrip "Bijbel" inhoudt.
Alle drie die zienswijzen moeten zich nu in het woord "Evangelie" vinden. Ik voorzie - en als overtuigd Groeniaan hoop ik het ook! - dat daarover tal van botsingen zullen gaan ontstaan. Voor de zonen der Calvinistische Reformatie is de "grondslag" van het C.D.A. daarmee eigenlijk onaanvaardbaar geworden. En het verheugt mij in grote mate, dat de C.H. Unieraad deze zaak nog eens cririsch gaat bestuderen. Daar zag men op 14 december 1974 in het woord "Evangelie"
voorshands een verschraling en vermagering van de grondslag en vreesde men terecht, dat het loslaten van het woord "Bijbel" de deur openzet voor een vermaatschappelijkt evangelie, dat als instrument wordt gebruikt voor allerlei vernieuwingstheologie. De knappe strategie der vaderen van het C.D.A. zal het de C.H.U. overigens bijzonder moeilijk maken, wijziging aan te brengen in de door de beide andere partners reeds aanvaarde statuten.
Het komt mij voor, dat de A.R. partijtrein nu een beslissende wissel is gepasseerd.
Van hun passagiers wordt thans gevraagd, dat zij tevens deel gaan uitmaken van een organisatie, over de grondslag waarvan gerechtvaardigde twijfels bestaan. Mij dunkt, dat men dat het geweten van althans een minderheid niet mag aandoen.
Het enig aanvaardbare alternatief is een federatie, die met de vagere grondslag van "het Evangelie" kan volstaan, mits een duidelijke doelstelling aanwezig is, en waarbij zich kunnen aansluiten ook andere christelijke partijen (S.G.P. en G.P.V.) zonder dat zij haar reformatorische identiteit geweld behoeven aan te doen.
Maar onze elders georganiseerde reformatorische broeders zijn helaas uit onze gezichtskring verdwenen. Zelfs hun namen worden niet meer genoemd. Is dat soms een gevolg van de verschuiving van het "sola Scriptura" naar het "Evangelie als richtsnoer"?
Het is voor hen die zijn gepokt en gemazeld in een partij welke is voortgekomen uit en zich van meet af heeft gebaseerd op de beginselen der Calvinistische Reformatie, en ontmoedigende situatie geworden.
Hoe het verder met de C.D.A. zal gaan blijft nog in de toekomst verborgen.
In ieder geval zal men wel moeten bedenken dat er een massa roomskatholieken zijn die het verband tussen het christelijk geloof en de politiek principieel ontkennen en daarom o.a. naar een "open partij" streven.
En voorts is van belang een duidelijk antwoord te krijgen op de vraag waarom men toch de voorkeur ,geeft aan het "Evangelie" boven de "Heilige Schrift" of "Gods Woord" ter aanduiding van de grondslag (?), de normî, het uitgangspunt (?) de inspiratiebron (?) van de politiek.