De Here maakt Zijn werk bekend (2)
1975-04-25
Geschiedt er een ramp in de stad, zonder dat de Here die bewerkt?- Jaargang 19
- nummer 17
Voorzeker, de Here HERE doet geen ding, of Hij openhaart Zijn raad aan Zijn knechten, de profeten. Deze woorden van de profeet Amos hebben we verleden week zien toegepast in Openb. 10.
Tot dusver zijn dn dit boek al een aantal rampen beschreven. Zes maal heeft een van de engelen Gods de bazuin geblazen, waardoor onvoorstelbaar leed over de aarde is gekomen. Nu komt de zevende, de laatste.
Die laatste ramp wordt tevoorschijn geroepen door het spreken van een sterke engel. Johannes ziet de engelfiguur, omringd door een wolk, uit de hemel neerdalen.
Hij is bovendien omkranst met een regenboog en is daaraan kenbaar als een gezant, een dienstknecht, Gods. Hij komt in hemelse majesteit: Zijn gelaat is als de zon, zijn voeten zijn als zuilen van vuur. En hij beheerst de hele wereld. Zijn rechtervoet staat op de zee de linker op de aarde.
In zijn hand draagt de engel het boekje, dat Johannes straks moet nemen en opeten.
Het is een open boek. Eerder, in cap. 5, was sprake van een gesloten boek: het boek des levens.
Dat werd geopend door het Lam, en daardoor kon de wereld voortbestaan, met alle krachten die daarin werken. Een voor een zijn die krachten getoond bij !het openen van de zegels, Het 7e zegel riep de bazuinen Gods tevoorschijn, die Gods gerichten op aarde brachten.
Nu moet de zevende engel zijn bazuin doen horen. De laatste. Dan komt het einde. Maar dat einde wordt aangekondigd door een engel met een open boek: de Here openbaart Zijn geheim aan Zijn knechten, de profeten. Johannes moet het hoek nemen en eten. Hij moet profeteren, omdat God Zijn geheimen bekend maakt. Niet in deze zin, dat we een kalender meekrijgen, waarop we de dagen kunnen tellen:nu is het zo en zo ver. Maar om ons te laten weten, waar alles op uit loopt.
Dat de Here geen kalender meegeeft, om op af te strepen, maakt Hij in dit hoofdstuk heel duidelijk.
Al openbaart Hij zijn geheimen, Hij vertelt niet alles. Johannes heeft de sterke engel gezien. Hij heeft het roepen van die engel gehoord- het klinkt als het brullen van een leeuw (denk weer aan Amos: de leeuw heeft gebruld) - en dat roept zeven donderslagen op.
Uit heel de opzet van het boek Openb. valt wel af te leiden, dat ook deze donderslagen oordelen van de Here over de aarde brengen. En Johannes wil gaan doen, wat hij steeds doen moest: opschrijven wat hij zag; doorgeven wat de betekenis van de donderslagen is geweest. Als vanzelf neemt Johannes de pen weer in de hand.
Maar een stem uit de hemel roept hem een halt toe. Wat de zeven donderslagen hebben gesproken, moet hij verzegelen. Voor zichzelf houden, zodat niemand het te weten komt. Zelf mocht hij het wel horen, maar hij mag het niet doorgeven.
De Here ontneemt hiermee alle reken-fantasten de mogelijkheid, de datum van zijn wederkomst vast te stellen, Dat zou de kracht van de profetie schaden, en daarvoor is geen enkel bijbelboek gegeven. Al de boeken zijn gegeven, opdat wij ons voor de Here zouden buigen, nederig en aanbiddend, wachtend en vertrouwend. Elk moment bereid, Hem te ontmoeten. En Hij zegt: zie, lk;kom spoedig, en Mijn loon is bij Mij.
De engel, die voor het klinken van de zevende bazuin verschijnt, zweert een plechtige eed bij de levende God, de Schepper van alle dingen: er zal geen uitstel meer zijn, De maat is vol. Weldra klinkt de laatste toon.
Weer blijkt: er zal geen mogelijkheid zijn tot berekenen. Want als Johannes spreekt over de stem van de zevende zegel, spreekt hij over "de dagen"; een periode dus, niet een moment. In die periode wordt de maat van de ongerechtigheid vol. In die periode komt de Here met Zijn laatste plagen.
In die periode komt ook het geheimenis Gods tot voltooiing: het evangelie wordt vervuld.
Ik zeg het expres zo: het evangelie wordt vervuld. Want er staat aan het eind van vs 7 dat de Here Zijn geheim aan zijn knechten heeft verkondigd. In het grieks staat: geëvangeliseerd: als een blijde boodschap bekend gemaakt. Die blijde boodschap komt tot voltooiing als de zevende bazuin klinkt. In die dagen.
Het doet me denken aan de woorden van de Here Jezus in Matth. 24, waarin Hij zegt dat dit evangelie van het Koninkrijk moet worden verkondigd in de gehele wereld tot een getuigenis voor alle volken; en dan zal het einde gekomen zijn. Ook Johannes krijgt de opdracht mee - en die opdracht geldt niet alleen voor hem, maar voor de gemeente van Christus op alle plaatsen en in alle tijden (zie ook het volgende hoofdstuk) - om te profeteren over vele natiën en volken en talen en koningen. Tot heel de wereld moet de boodschap worden gericht. Over alles, wat in de wereld gebeurt, handelt ze, ook over het leven der volken.
Dat laatste zult U in het vervolg van het boek Openbaring in het bijzonder tegenkomen. Daarin wordt getekend, hoe het met de vorsten en de volken in de wereld gaan zal; ik denk met name aan hoofdstuk 13. En dat alles is ons geopenbaard, om ons te doen weten, waar we aan toe zijn: zo komt het koninkrijk van God.
Door alles heen. Door de politieke ontwikkelingen; door de rampen en de tijden van welvaart heen.
En in alles wat er gebeurt regeert de hand van de Here. Is er ook maar één ding in de stad - en op de wereld - dat de Here niet doet?
Daar spreekt de Here van te voren over. En in Zijn spreken opent Hij Zijn hart voor zondaars. Daarom moest Ezechiël profeteren. Daarom moest Amos spreken. Daarom moest Johannes spreken en moet de kerk van alle tijden spreken. In dat spreken mogen de getuigen van de Here Zijn open hart tonen.
Het zal daarom zijn, dat de engel zegt: in uw mond zal het boek zoet zijn als honing, net als bij Ezechiël.
Maar dat woord, gesproken tot en over vele natiën en volken en talen en koningen zal niet in dank worden aanvaard. Dat zal de reden zijn, waarom de engel zegt en Johannes merkt: het maakt bitter. Niet verbitterd, dat is heel wat anders. Maar bitter: verdrietig.
Omdat er niet geluisterd wordt. Omdat met heilige dingen de spot gedreven wordt, Omdat de normen, die de Here stelde, niet wonden geëerbiedigd. En dan snelt de wereld haar ondergang tegemoet.
Het blijft hetzelfde liedje als aan het eind van hoofdstuk 9: zij bekeerden zich niet.
In zo'n wereld staat de gemeente van Jezus Christus. Ze heeft een woord voor de wereld. Ze heeft de roeping om te profeteren. Om de zonden aan te wijzen, en te zeggen, wat de gevolgen er van zijn.
Bij de behandeling van het eerste deel van hoofdstuk 9 heb ik een boek van Schaeffer genoemd, de God die leeft. Ik denk in verband met de opdracht, dat we in hoofdstuk 10 vinden, aan een ander boek van dezelfde schrijver: de dood over de stad. Hij wijst in dat boek op een indringende manier de roeping tot spreken aan, aan de hand van het optreden van de profeet Jeremia, en van het begin van Paulus' brief aan de Romeinen. Een roeping, zoals ook Ezechiël en Amos die hebben gekend: de Here HERE heeft gesproken, wie zou niet profeteren?
Dat profeteren begint - het kan niet anders - met de woorden van de Here in ons op te nemen, ze op te eten: er zo mee bezig te zijn, dat ze een stuk van onszelf worden, ons hele leven beheersen.
Alleen dan kunnen we, uit het Woord van God, spreken over alles wat in deze wereld gebeurd.
Het is geen dankbare taak, puur menselijk gezien. Naar Ezechiël werd slecht geluisterd. Amos werd uit het tienstammenrijk weggestuurd. Johannes was terwille van het evangelie verbannen naar Patmos. Het volgende hoofdstuk zal tekenen, hoe het de getuigende gemeente vergaat.
Miaar de woorden die de gemeente spreekt, zijn de woorden van Hem, die leeft in alle eeuwigheid. Daarom zullen we er mee bezig zijn, en blijven spreken.