Met vertrouwen uitzien naar het laatste oordeel
2012-11-24
Menig christen ziet op tegen Christus’ wederkomst en vooral wat daarop volgt: het laatste oordeel. Maar in wiens handen ligt dat oordeel eigenlijk? Niet in de handen van een kille rechter, maar in de doorboorde handen van Jezus Christus. Dat mag ons geruststellen en ons in vertrouwen laten uitzien naar Gods grote toekomst. Wat Hij ook beslist, het is goed. - Jaargang 56
- nummer 23
Eén van de redenen waarom we vaak opzien tegen de wederkomst, is vrees voor het lot van degenen die de Here niet (willen) kennen. Hoe zal dat gaan met een afgedwaald kind, een andersgelovige partner, een atheïstische broer of zus? De gedachte dat zij mogelijk voor eeuwig buiten Gods heerlijkheid moeten blijven, is onverdraaglijk. En wat zal het lot zijn van de tallozen die nooit van Jezus gehoord hebben en nooit de kans hebben gehad zich tot Hem te bekeren? Vrees voor Gods oordeel kent ook de Bijbel. Overbekend zijn de woorden uit Amos 5:8: ‘Wee degenen die verlangen naar de dag van de HERE! Wat zal hij jullie brengen, de dag van de HERE? Duisternis, geen licht.’ Dit woord geldt dat deel van Israël dat andere goden dient en in onrecht leeft. Het is een uiterste prikkel om het tot inkeer te brengen. Een prikkel die ieder mens ter harte moet nemen. In de Bijbel is Gods oordeel echter vooral iets om naar uit te zien. Het is het mooist denkbare moment voor allen die ‘hongeren en dorsten naar gerechtigheid’. Het is als het moment waarop een leraar van een klas waarin één kind steeds maar weer door de anderen gepest wordt na talloze genegeerde waarschuwingen krachtig met de vuist op tafel slaat en uitroept: ‘Nu is het afgelopen!’ En eindelijk houdt het pesten op… Moordenaars, pooiers en sadisten wordt een eeuwig halt toegeroepen. Uitbuiters krijgen de rekening gepresenteerd en uitgebuite mensen kunnen in vrijheid ademhalen. Hoogmoedigen worden vernederd en nederigen verhoogd. Het is bevrijdingsdag in optima forma, een dag van grote vreugde. Toch zien veel christenen deze dag enigszins bedrukt tegemoet, bang als zij zijn dat het vooral een dag van eeuwig afscheid zal zijn. Een dag van ‘o wee’ en ‘nee toch’.
Heiligen
Op geen enkele wijze wil ik iets afdoen aan de ernst waarmee de Bijbel over Gods oordeel spreekt. Het is niet aan ons om wat dan ook te beweren over de uitkomst daarvan. Uitspraken als ‘het zal met iedereen uiteindelijk goed
komen’ durf ik, gelet op wat ik in de Bijbel lees, niet voor mijn rekening te nemen. Eens zal Jezus weerkomen en zullen wij ons moeten verantwoorden voor wat wij met ons leven en dat van de naaste gedaan hebben. Hebben wij voor Gods Koninkrijk of ons eigen rijkje geleefd? Voorbij dit moment ligt een leven in of buiten Gods heerlijkheid in het verschiet. Er is geen enkele reden om dit licht op te vatten. Toch meen ik dat we de dag des oordeels werkelijk met vertrouwen tegemoet mogen zien. We zijn namelijk zelf volop bij dat oordeel betrokken en, wat nog veel belangrijker is, het ligt in de doorboorde handen van onze gekruisigde Heer.
We zijn zelf volop bij dat oordeel betrokken. Op het eerste gehoor klinkt dat verre van geruststellend en bovendien hoogst onwaarschijnlijk. Toch is Paulus er heel beslist over. ‘Weet u dan niet dat Gods heiligen over de wereld zullen oordelen?’ schrijft hij in 1 Korintiërs 6:2. Hij heeft het hier over de – verre van heilig levende – Korintische christenen! Mede in de handen van zondaren die van genade leven ligt het oordeel over de wereld. Dat wekt misschien verbazing, maar het behoort tot de status die de mens op deze aarde is gegeven en de bijzondere positie die wij in Christus hebben. De mens is naar het beeld van God geschapen, aan hem is de aarde gegeven en daarom betrekt de Here de mens zelfs bij het laatste oordeel. Temeer daar wij niet Jezus’ slaven, maar zijn uitverkorenen, zijn vrienden zijn.
Dialoog
Hoe moeten we het ons voorstellen dat de heiligen de wereld zullen oordelen? Abrahams pleidooi voor het behoud van Sodom en Gomorra (Genesis 18:16-32) helpt me om hiervan een voorzichtige voorstelling te maken. De HERE kondigt het oordeel over Sodom en Gomorra aan (vers 21) en betrekt daar Abraham bij, de uitverkorene, Gods vriend. Vervolgens gaat Abraham pleiten. Hij probeert de HERE met gerichte argumenten op andere gedachten te brengen: ‘Wilt u dan behalve de schuldigen ook de onschuldigen het leven benemen? Misschien dat er in die stad vijftig onschuldigen zijn. Zou u die dan ook uit het leven wegrukken en niet de hele stad vergeving schenken omwille van die vijftig onschuldige inwoners? Zoiets kunt u toch niet doen, hen samen met de schuldigen laten omkomen! Dan zouden schuldigen en onschuldigen over één kam worden geschoren. Dat kunt u toch niet doen! Hij die rechter is over de hele aarde moet toch rechtvaardig handelen?’ De HERE komt Abraham tegemoet en vervolgens stelt Abraham het aantal mogelijke onschuldigen steeds lager bij. Wat in deze passage aan de orde is, is verbijsterend tot in de hoogste macht. Een sterfelijk mens krijgt ruimte om invloed uit te oefenen op Gods oordeel! Een zondig mens gaat met God in debat over wat rechtvaardig en onrechtvaardig is. Hij mag interveniëren, bemiddelen, God op andere gedachten pogen te brengen. En God gaat daarin mee!
Te wijzen valt ook op het pleidooi dat Abimelek in Genesis 20 voor zichzelf en de zijnen voert. Als God hem wil straffen omdat hij Sara in zijn harem heeft opgenomen, pleit hij zichzelf en zijn volk als een volleerd advocaat vrij. ‘Heer, wilt U dan mensen doden terwijl ze onschuldig zijn? Hij zei me toch dat ze zijn zus was? En ook zijzelf heeft gezegd dat hij haar broer is. Ik heb dit gedaan met een zuiver geweten, er treft mij geen enkele blaam.’ Opnieuw zo’n adembenemende dialoog. Over wat recht en billijk is, gaat de heiden Abimelek met de HERE in gesprek, zoals ook Abraham deed. Gods oordeel mag nagerekend worden en zo wil Hij dat ook. Boeiend in dit verband is ook dat Abimelek zich beroept op zijn onwetendheid. Hij kon niet weten dat Abraham gelogen had en vindt het daarom unfair om gestraft te worden. De HERE deelt die mening.
Nog een oudtestamentisch voorbeeld: Amos 7:1-9. Tot drie keer toe kondigt God zijn oordeel over Israël aan. Tot twee keer toe weerhoudt Amos God ervan dat uit te oefenen met als argument: ‘HERE, mijn God, vergeef het volk van Jakob toch, hoe zou het dit kunnen overleven? Het is zo klein!’ En dan Gods reactie: ‘Toen kreeg de HEER medelijden: “Het zal niet gebeuren”, zei de HEER.’ Voor het argument van Amos – ‘kijk toch hoe klein het is, hoe nietig…’ – is Hij uiterst vatbaar. Het raakt Hem, want Hij geeft om het kleine. Hij is allerminst een hardvochtige rechter die graag oordeelt. Klaagliederen 3:33: ‘Slechts met tegenzin brengt Hij leed en rampspoed over de mensen.’ Mensen gaan in gesprek met God en God laat zich op andere gedachten brengen. Dit betekent niet dat een menselijk pleidooi Gods oordeel per definitie afwent. Uiteindelijk zwijgen Abraham en Amos. Wanneer ze voelen dat een grens bereikt is, durven ze daar niet over te gaan.
Doorboorde handen
Bovenstaande bijbelgedeelten geven me een indruk van wat het kan betekenen dat Gods heiligen over de wereld zullen oordelen. Onze door Christus geheiligde compassie, ons door de ontmoeting met Christus geheiligde rechtsgevoel, ons besef van wat recht en billijk is, zal op de een of andere manier meedoen in Gods laatste woord over alles en iedereen. Het klinkt raar, en dat is het ook, maar juist in de gedachte dat wij zo bij het oordeel betrokken zullen worden, zit iets dat me vertroost en geruststelt.
De Here zal geen recht toepassen dat we niet mee kunnen maken, maar een vorm van recht die wij kunnen begrijpen en billijken. Hij wil horen naar de stem van degenen die geleerd hebben uit genade te leven. Hij wil horen naar de stem van degenen die van zijn eigen Zoon geleerd hebben: ‘Wees barmhartig zoals jullie Vader barmhartig is. Oordeel niet, dan zal er niet over je geoordeeld worden. Veroordeel niet, dan zul je niet veroordeeld worden. Vergeef, dan zal je vergeven worden.’ In vertrouwen mogen we uitzien naar het laatste oordeel. Vooral en bovenal omdat het in de doorboorde handen van Jezus Christus ligt. Hij zal komen om te oordelen de levenden en de doden. Niet een kille rechter neemt plaats op de troon, maar het Lam als geslacht, dat de zonden der wereld wegneemt. Dat mag op het allerdiepste niveau geruststellen, of het nu gaat om het eigen behoud, dat van geliefden of de wereld als geheel. Want meer dan Abraham, meer dan Amos is hier! ‘Vader, vergeef het hun, want zij weten niet wat zij doen’, bidt Jezus vanaf het kruis. Hij vraagt zijn Vader om vergeving voor degenen die Hem uitjouwen en met duivels genoegen aan het kruis hebben gehangen. Dat is onvoorstelbaar, maar het gebeurt. Want Jezus wil niets liever dan dat het goed komt tussen God en de mensheid, tussen zijn Vader en zelfs degenen die Hem gekruisigd hebben.
In de doorboorde handen van degene die dit gebed bidt, ligt het oordeel over hemel en aarde. Want Jezus Christus blijft dezelfde, gisteren, vandaag en tot in eeuwigheid. Hoezeer het me ook beklemt wat Hij verder over het oordeel zegt, dat Hij dit bidt, helpt me om het helemaal over te geven.
Wetend-onwetend
Bijzondere aandacht in dit verband verdient het argument dat Jezus aanvoert: ‘zij weten niet wat ze doen.’ In elke redelijke rechtspraak, ook in de bijbelse, wordt bij de bepaling van de strafmaat meegewogen of iemand willens en wetens of in onwetendheid kwaad heeft bedreven. De boer die niet weet dat hij een levensgevaarlijke stier heeft, wordt heel anders beoordeeld dan de boer die daarvan wel op de hoogte was (Exodus 21:28-29). Ook in Gods oordeel over mensen speelt de factor wetend-onwetend een rol, zo blijkt uit allerlei bijbelteksten:
• Lukas 12:47-48: De dienaar die weet wat zijn heer wil, maar geen voorbereidingen treft en niet overeenkomstig zijn wil handelt, zal veel slagen te verduren krijgen. Maar wie niet weet wat zijn heer wil en zo handelt dat hij slaag verdient, zal weinig slagen te verduren krijgen. Van iedereen aan wie veel gegeven is, zal veel worden geëist. Hoe meer aan iemand is toevertrouwd, des te meer zal van hem worden gevraagd.
• Handelingen 3:17: ‘Volksgenoten, ik weet dat u uit onwetendheid hebt gehandeld, evenals uw leiders.’
• Handelingen 17:30-31 (HSV): ‘God dan verkondigt, met voorbijzien van de tijden van de onwetendheid, nu overal aan alle mensen dat zij zich moeten bekeren, en wel omdat Hij een dag vastgesteld heeft, waarop Hij de wereld rechtvaardig zal oordelen door een Man Die Hij daartoe aangesteld heeft.’
• Romeinen 1:20-21: ‘Er is niets waardoor zij te verontschuldigen zijn, want hoewel ze God kennen, hebben ze Hem niet de eer en de dank gebracht die Hem toekomen.’
• 1 Timoteüs 1:13 (NBG): ‘Ik breng dank aan Hem, die mij kracht gegeven heeft, Christus Jezus, onze Here, dat Hij mij getrouw geacht heeft, daar Hij mij in de bediening gesteld heeft, hoewel ik vroeger een godslasteraar en een vervolger en een geweldenaar was. Maar mij is ontferming bewezen, omdat ik het in mijn onwetendheid, uit ongeloof, gedaan heb, en zeer overvloedig is de genade van onze Here geweest, met het geloof en de liefde in Christus Jezus.’
Ruimte
Jezus vraagt zijn Vader vanaf het kruis om vergiffenis voor zijn rechters en beulen en beroept zich daarbij op hun onwetendheid. Het gegeven dat ze niet weten waarmee ze bezig zijn, veront-
schuldigt hen in Jezus’ ogen. Dit ging ook op voor Paulus, die zichzelf de eerste onder de zondaren noemt (1 Timoteüs 1:15). Paulus was een godslasteraar, omdat hij zich uit alle macht tegen God verzet had. Hij was een vervolger, omdat hij zijn Messiasbelijdende volksgenoten opspoorde en voor het gerecht sleepte. Hij was een geweldenaar, omdat hij de christenen met moord en geweld dreigde. Maar Christus heeft hem barmhartigheid bewezen, omdat hij dit alles in onwetendheid, in ongeloof deed. Deze Paulus noemt zichzelf een voorbeeld. Met zijn keuze voor Paulus laat Jezus zien hoe groot zijn ontferming en geduld zijn! Er is een enorme ruimte van genade en vergeving bij de Here. Hoe groot die ruimte is, weet geen mens, dat weet God alleen. Toch zijn er hints. Wat we in Handelingen 17 lezen over de volken die nog nooit van de HERE gehoord hebben bijvoorbeeld, dat God voorbij wil zien aan de tijden van onwetendheid.
Maatstaf
Maar hoe zit het dan met mensen die afgedwaald zijn, die het wel weten, maar er niet van wíllen weten? Ze zijn christelijk opgevoed en nu afvallig. Is op hen niet Hebreeën 6:4-6 van toepassing? Maar wat weten wij daarvan? Wat is ‘wetend’, gelet op wat Jezus’ moordenaars en Paulus (Filippenzen
3:5-6) allemaal wisten? En wat is ‘onwetend’? Wat weten wij van de ware redenen die iemand heeft om niet meer naar de kerk te gaan en niet meer te geloven? Er is er maar één die weet hoe het werkelijk zit. Aan Hem is het laatste woord. De Here is een Heer van vergeving en Hij vergeeft graag! De Here is een Heer vol erbarming voor een ieder die om erbarming vraagt, hoe groot de schuld ook is. Zijn oordeel is ook werkelijk rechtvaardig, in die zin dat Hij rekening houdt met de mate waarin iemand aansprakelijk gesteld kan worden voor het kwaad dat hij of zij bedrijft. De maatstaf die Hij hanteert bij zijn oordeel zal ons dan ook niet zo vreemd zijn dat wij zijn oordeel niet kunnen meemaken. Dit alles helpt mij mijn wantrouwen af te leggen en in vertrouwen de dag des oordeels tegemoet te zien. Nu al mag ik weten: wat Hij ook beslist, het is goed. Als iemand behouden wordt, kan de conclusie alleen maar zijn: ‘Here, wat bent U genadig.’ En als iemand niet behouden wordt, kan ieders conclusie, Jezus kennende, alleen maar zijn dat het niet anders kon. Maar boven alles zullen we verrast zijn. En Jezus Christus, het lam als geslacht, temeer aanbidden.
Soli Deo Gloria. Amen.
Drs. Jan Mudde is predikant van de NGK Haarlem.