De weg van de profeten en de kerk
1975-05-02
Uit hoofdstuk 10 zagen we, dat de kerk de opdracht heeft om te profeteren, Dat is haar taak in de eindtijd.- Jaargang 19
- nummer 18
Die eindtijd beslaat heel de periode van Christus’ hemelvaart tot Zijn wederkomst. Dat kan blijken uit de woorden van Petrus op het Pinksterfeest. Hij citeert dan de profeet Joël, die spreekt over het laatst der dagen. In die laatste dagen zal de Here dan Zijn Geest uitstorten over alle vlees. Die profetie is nu vervuld, zegt Petrus tot de Joden.
Dat zo de eindtijd aanbreekt, brengt ook mee, dat de centrale plaats van Israël, als het enige volk waaraan de Here Zich verbond, en van Jeruzalem, als de enige stad waar de Here wilde wonen, tot het verleden gaan behoren. En dat ook de eredienst in Jeruzalems tempel zijn tijd gehad heeft. Het offer, waar heel de oudtestamentische tijd op wachtte en van profeteerde, was gebracht aan het kruis.
Zo moest het gebeuren, naar de Schriften. De opgestane Heer heeft er zo over gesproken met Zijn discipelen. Op de Pinksterdag kan Petrus dat aan het volk doorgeven, Dat Jezus stierf, was naar Gods raad en voor/kennis (Hand. 2 : 23).
Daarmee is Israël niet vrij gepleit van schuld aan de dood van de Here Jezus. Jezus zelf heeft over de stad geklaagd: Jeruzalem, Jeruzalem, dat de profeten doodt en stenigt wie tot U gezonden zijn.
Hoe menigmaal heb Ik uw kinderen willen bijeenvergaderen als een hen haar kuikens, maar gij hebt niet gewild! Daarom ook heeft Jezus gesproken van de gruwel der verwoesting, die over de stad zou komen, en ook gekomen is. In het jaar 70 na Christus zijn stad én tempel verwoest. Stad en tempel, waar aan de ene kant de zonde hoogtij vierde: veroordeeld en naar het kruis geleid.
Een tempel, aan de andere daar werd de Christus Gods kant, die de Here ook niet meer nodig heeft (verg. de brief aan de Hebreeën). De Here bouwt een nieuwe tempel, Zijn gemeente: de woonstede Gods in de Geest.
We vinden dit nu terug in de eerste verzen van Openb. 11. Johannes krijgt een meetstok om de tempel op te meten, en het altaar, en hen die daarin aanbidden. Door dat opmeten wordt die tempel, met degenen die aanbidden, tot Gods eigendom verklaard, tot Zijn onaantastbaar bezit. Dat is dan het centrale gedeelte van het heiligdom: het heilige der heiligen, en het heilige met daarin het reukofferaltaar.
Dat reukaltaar kwamen we al vaker tegen in de Openbaring, als de plaats waar de gebeden der heiligen aan de Here worden geofferd. Onder dit centrale deel van de tempel versta ik, vooral in verband met het reukaltaar (andere onderdelen, nl. de kandelaar en de tafel worden niet genoemd) en met de mensen die aanbidden, de gemeente van het nieuwe verbond, die de Here nu Zijn woning noemt. De plaats, waar naar Zijn stem wordt geluisterd en waar de gebeden tot Hem worden opgezonden.
Die gemeente staat in de wereld als Gods bijzonder eigendom. De gemeente van het nieuwe verbond.
Zo Iaat de Here hier, na het klinken van de zesde bazuin, hetzelfde zien als na de opening van het zesde zegel. Het naderend einde werd getekend, maar voordat het komt, worden eerst de dienstknechten Gods verzegeld: het zaad van Abraham uit alle volken. Nu de zesde bazuin geklonken heeft, die het tweede wee over de wereld bracht, mag Johannes het weer zien: de Here beschermt Zijn eigendom. Hij biedt het ook een toekomst.
Dat Ligt besloten in het opmeten van de Here. Ik denk nu aan een van de nachtgezichten van Zacharia. De profeet ziet een man met een meetsnoer, die de stad voor de Here opmeet. En Ikzelf, luidt het woord des HEREN, zal haar een vurige muur zijn rondom, en heerlijkheid binnen in haar.
Zo troost de Here Zijn gemeente.
Tevens laat Hij zien, dat alleen binnen die gemeente van het nieuwe verbond bescherming is te verwachten. Petrus heeft op Pinksteren de Joden gezegd: laat U behouden uit dit verkeerde geslacht. Want dat geslacht, dat zich blijft verbinden aan de oude eredienst en de vervulling daarvan in Christus blijft verwerpen, zal Gods bescherming ontberen.
De voorhof - dat is de plaats waar het grootste deel van de oudtestamentische eredienst zich afspeelde - wordt aan de heidenen overgelaten en onder de voet gelopen. Geen steen blijft op de andere. De oude eredienst wordt niet hersteld.
Want de periode, waarin de heidenen de voorhof vertreden, duurt 42 maanden. Die maanden omspannen heel de nieuwtestamentische periode. Ze valt samen met de 1260 dagen, waarin de twee getuigen profeteren. En ook met de tijd, tijden en een halve tijd van 12 : 14 - de periode die de vrouw doorbrengt in de woestijn waar ze door de Here onderhouden wordt. Die periode eindigt, als de getuigen opstaan en ten hemel varen - als het tweede voorbij is en het derde komt, Dat is dus eigenlijk: heel de eindtijd door.
Een vraag, die hierbij rijst, is: zou dit boek meebrengen, dat een herstel van Jeruzalem en Israel niet komt, maar stad en land tot het einde in handen van heidenen blijven? Ik kan die vraag niet beantwoorden, Het is in deze pericoop ook, dacht ik, de hoofdzaak niet.
Hoofdzaak is, dat de Here met de wereld èn meteen afvallig volk (van oude en nieuwe bedeling) een rechtsgeding gaat beginnen.
Daarom zendt Hij Zijn getuigen.
Twee, omdat in de mond van twee getuigen of van drie elke zaak vast staat, We hoeven niet aan historische figuren te denken. Met de twee getuigen wordt de kerk aangeduid in haar prediking in deze wereld: de prediking van verlossing èn gericht.
De gemeente treedt op als de profeten onder- het O.T. deden in Israël en soms ook naar buiten.
Ze wordt getekend als Mozes en Elia, dat is duidelijk uit vs 6.
Mozes en Elia hebben de strijd van de HERE gevoerd om het behoud van Gods volk, en om het hart van Gods volk. Zij redden het uit de macht van Egypte en uit de macht van de Baäl. Door hen liet de HERE zien, dat Hij als Enige recht had op het volk.
Daarom sloeg Mozes Egypte met de tien plagen. Daarom sloot Elia's gebed de hemel.
Mozes en Elia - de wet en de profeten. De woorden van Gods recht, neergelegd in de woorden van de Schrift. Daarom heten de twee getuigen ook de twee olijfbomen en de kandelaars, Het beeld komt uit Zach. 4. 1) Het gaat er in deze benaming om, dat de getuigen een licht zijn in de wereld, gevoed door de olie van het woord Gods.
Zo staat Gods gemeente in de wereld. D.w.z. U en ik Onvoorstelbaar eigenlijk, dat de Here Zijn gemeente bekleed heeft met de macht van Mozes en Elia.
Maar vooral: sierde met de opdracht van Mozes en Elia: getuigen van het recht, dat de Here heeft op deze wereld. En in dat getuigenis spreken met macht.
Zeg niet te gauw, dat we van deze macht niets merken. Herinnert U, wat we in voorgaande hoofdstukken hoorden over de kracht van ons bidden. Het gaat er dan niet om, dat we met een vechtersmentaliteit in de wereld staan, alsof wij het even zullen klaren.
Dat zullen we niet. Twee getuigen is niet veel in een grote wereld.
Wat betekenen ze, wat betekenen hun woorden?
Dat hun woorden betekenis hebben, niet alleen voor God, maar ook voor de wereld, blijkt uit de reactie. Het beest uit de afgrond - de Gade vijandige wereldmacht, zie cap, 13 - doet hen de oorlog aan, overwint hen en doodt hen.
Dat gebeurt in de stad, die geestelijk heet: Sodom en Egypte.
Egypte, dat Gods volk verdrukt.
Sodom als beeld van zedeloosheid.
Tegelijk ook de plaats, waar hun Here gekruisigd werd. Door het ongeloof en de onwil van Israël was Jeruzalem geworden tot Sodom en Egypte. Die kant kan een klerk ook uit groeien. Ik denk aan de vervolgingen door de roomse kerk in de 16e eeuw, en aan kerken die zich scharen aan de zijde van goddeloze machthebbers.
Openb. 17 zal daar een brede tekening van geven.2) Maar: als de tegenpartij denkt gewonnen te hebben, de macht van het evangelie in de wereld te hebben uitgeschakeld (die tendens merken we op in de wereld van vandaag), dan komt de Here.
De vermoorde getuigen, wie de laatste eer niet waardig werd gekeurd, maar wier lijken op straat te kijk lagen, staan op door Gods kracht en worden tot Hem opgenomen. Hij heeft de Zijnen geteld en opgemeten! Ten aanschouwen van de ganse aarde worden ze opgenomen tot hun Heer.
Zo gaat de Here recht doen.
Aan Zijn getuigen. En aan de wereld. Want de stad stort voor een tiende deel in. Zeven duizend mensen worden gedood. De overigen aanbidden de God des hemels. Niet uit bekering, maar uit ontzag.
Dan is het tweede wee voorbij.
Het derde komt. De laatste bazuin.
1) In Opbouw van 6 okt. 1972 heb ik over dat visioen geschreven, mede onder verwijzing naar Openb. 11.
2) Zie hiervoor de brochure van prof. B. Holwerda, De Kerk in het eindgericht.