Voor en tegen

2005-03-25
  • Jaargang 49
  • nummer 6
Het landelijk weekblad van de Christelijke Gereformeerde kerken, De Wekker, heeft een originele vorm bedacht om een mening kenbaar te maken: een interview namelijk met de oud-hoofdredacteur, prof. dr. J.W. Maris. Onderwerp van gesprek: het Nederlands Gereformeerde besluit over vrouwelijke ambtsdragers, en met name het stemgedrag van de zogenaamde samenwerkingsgemeenten (waar CGK en NGK feitelijk één gemeente vormen). Al die gemeenten hebben voor het voorstel gestemd. Natuurlijk roept dat vragen op; vragen die aan prof. Maris werden voorgelegd in zijn hoedanigheid als voorzitter van het deputaatschap Kerkelijke Eenheid.
Of deze vorm van kerkelijke journalistiek echt geslaagd is, is de vraag. Dat ligt ook aan de wijze waarop de auteur, Niels van Driel, zijn vragen stelt; die is voor mijn besef niet steeds neutraal.
Nadat kort gesproken is over wat er in de NGK veranderd is, wordt gevraagd welke bezwaren prof. Maris heeft tegen - wat genoemd wordt - de invoering van vrouwelijke ambtsdragers. Hij antwoordt:

‘Voor de duidelijkheid: ik ben met name tegen de uitkomst van de bezinning in de NGK. Zij hebben de Schrift willen laten spreken, naar ik geloof met de oprechte bedoeling deze uit te laten spreken. Vervolgens kwamen ze tot de conclusie dat een beslissing eigenlijk niet goed mogelijk was op de manier waarop zij de Bijbel lazen. Toch namen zij de beslissing de ambten voor de vrouw te openen. Een aantal bijbelteksten schakelden zij daarbij uit als cultureel bepaald. Dat vinden wij te gemakkelijk.Onze culturele context heeft een zware stem gehad in de besluitvorming.’

Juist in de samenwerkingsgemeenten kan deze besluitvorming plaatselijk spanningen oproepen. De synode heeft over deze gemeenten altijd gesproken als ‘een geschenk van God’. Ziet u dat ook zo?
‘Zo is de totstandkoming destijds beleefd. Je doet geen recht aan de geschiedenis als je het ontstaan in een ander licht wilt zetten. Deze gemeenten zijn de weg naar eenheid gegaan in de overtuiging dat de Here deze geopend had. De synode heeft de gemeenten keer op keer aangespoord contact te zoeken. Na een lang traject is uiteindelijk de vrucht geoogst. Het is dus niet goed te zeggen dat er iets verkeerd is gegaan. Wel heeft het problemen opgeleverd.’

Sommige van deze samenwerkingsgemeenten laten zich uit in termen dat ‘kerkenraad en gemeente’ tot de overtuiging zijn gekomen dat de toelating van vrouwen tot alle ambten ‘bijbels verantwoord’ is. Op mij komt het over als een kerkelijke krachtterm, een soort machtswoord. Wat denkt u als u dat soort dingen leest?
‘De afspraken binnen ons kerkverband maken het onmogelijk dat deze gemeenten iets met deze uitspraak doen. Eigenlijk kun je het niet maken om dergelijke uitspraken te doen. De synode is op een zorgvuldige manier tot besluitvorming over vrouw en ambt gekomen. Als kerken daar iets op tegen hebben, moeten ze het aan de orde stellen in de kerkelijke weg van een bezwaarschrift.
Feitelijk zijn het slechts kreten. Zo ken ik er nog wel een paar. Ik kan me voorstellen dat een kerkenraad na een bezinningstraject tot een dergelijk standpunt komt. Hebben ze het over 'en de gemeente' dan stelt dat weinig voor. Ik betwijfel of een hele gemeente zich een gefundeerd oordeel heeft gevormd over het traject dat de synode tot deze besluitvorming gebracht heeft.’

De samenwerkingsgemeenten willen voor het overgrote deel de eenheid in de CGK niet op het spel zetten. In het Ned. gereformeerde blad Opbouw zeggen diverse woordvoerders te wachten tot de CGK ‘ook zover zijn’. Voelt u zich ook bijna achterlijk als U dergelijke opmerkingen leest?
‘Nee, ze getuigen eerder van een vernauwde blik. De Ned. gereformeerden worden zo wat gemakkelijk tot maatstaf gemaakt voor wat er zou moeten gebeuren. Wat in het geding is, is de gehoorzaamheid aan de Schrift.’ ()

Diverse kerkenraden lijken tamelijk inventief te zijn in het omgaan met de chr. gereformeerde afspraken.
Bijvoorbeeld in Groningen-Haren, waar chr. gereformeerde ouderlingen dienst doen met vrouwelijke diakenen. De samenwerkingsgemeente van Nieuwegein zinspeelt in Opbouw op ‘de uitzonderingspositie’ die op de gemeente van toepassing zou zijn. Is dat een gegronde gedachte?
‘Haren is een apart geval, omdat het een afzonderlijke Nederlands gereformeerde kerk vormt binnen het grote chr. gereformeerde geheel. Maar het is een zaak van de classis daar de vinger bij te leggen.
Vaker zie je dat Ned. gereformeerde vrouwelijke ambtsdragers geen dienst doen in gemeenschappelijke diensten.
Dat is een nogal cosmetische oplossing, uiterst pragmatisch.
De broeders in Nieuwegein hebben blijkbaar iets gemist. De synode van 2001 heeft uitdrukkelijk vastgesteld dat samenwerkingsgemeenten geen uitzondering vormen op de besluitvorming.
Ik ben echt ongelukkig met de Ned.gereformeerde besluiten. Men wist ook wat men daarmee de samenwerkingsgemeenten aandeed. Onze laatste synode heeft deputaten opdracht gegeven een weg te zoeken met de Ned. gereformeerde commissie voor samensprekingen. Daar zullen wij ons binnenkort bezinnen op de positie van de samenwerkingsgemeenten. Ik verwacht dat wij daar tot aanbevelingen komen die over en weer het kerkverband serieus zullen nemen.’

Meld je aan voor onze gratis nieuwsbrief