Het boek Daniël

1975-05-02
  • Jaargang 19
  • nummer 18
Het gouden beeld

Het ligt voor de hand het gouden beeld dat groot en indrukwekkend door Nebukadnezar werd geplaatst in het dal Dura, te zien in het verlengde van het beeld dat de koning heeft gezien in zijn droom. De verontrusting, door die droom veroorzaakt en het ontzag van Daniëls God, die verborgenheden openbaart, zijn na verloop van tijd weer verdwenen. En Nebukadnezar kan nu zijn eigen diepste verlangens gaan realiseren.
In zijn droom kon hij niet verder komen, dan dat hij zichzelf zag als een gouden hoofd; daarna was de droom uit de hand gelopen.
God zelf had de gedachten van de koning doorbroken -.
Het gouden beeld van wel 30 meter hoog is kennelijk een verbeterde uitgave van het grote en hoge beeld, dat wel een buitengewone glans vertoonde, maar toch voor het overgrote deel niet uit goud bestond. De duidelijke boodschap, dat Babels macht van korte duur zou zijn en dat álle menselijke grootheid plaats moet maken voor Gods koningschap is wel verstaan, maar niet aanvaard. De waarheid wordt in ongerechtigheid ten onder gehouden.
Babel brengt de gouden eeuw, het eeuwigblijvende ménsenrijk. Daarvoor zal alles moeten bukken.
Plechtstatig worden ze opgesomd: de stadhouders, de oversten, de landvoogden, de staatsraden, de schatbewaarders, de rechters, de bewindvoerders, ja alle bestuurders der gewesten. Als de muziek gehoord wordt moeten allen - in één beweging neervallen.
Alleen het beeld blijft staan.
Van verbrijzeling is geen sprake.
Integendeel: het gouden beeld houdt eeuwig stand en ieder moet zich er voor buigen.
De huldiging van dit beeld houdt nauw verband met de. verering van de goden, die maaksel van de mensen zijn. Wel wordt er onderscheid gemaakt tussen de aanbidding van het beeld en de verering van de godén, maar ook wordt de weigering om voor het beeld te buigen erkend als het niet willen vereren van enige god en het aanbidden van de éne God. (vs 28) Het buigen voor het beeld is dan ook geheel en al een religieuze aangelegenheid. En ieder die zich neerwerpt voor het beeld komt in de greep van de demonen. Immers afgoden zijn niets, slechts mensenwerk en ijdelheid. Maar demonische machten zijn verschrikkelijke werkelijkheid.
Zo spreekt Paulus: offeren aan afgoden is offeren aan boze geesten (1 Cor. 10 : 20). En zo spreekt Johannes: Het beeld dat ieder moet aanbidden is het beeld van het beest; dat zijn macht heeft ontvangen van de draak (Openb. 13).
Daarom is het gouden beeld een beeld van alle tijden; en de eis tot huldiging is een eis die de eeuwen door wordt gesteld. We krijgen er allemaal mee te maken. En hoe!

Eenheidsdwang

De eis om te buigen voor het beeld laat geen plaats voor uitzonderingen.
Alle middelen worden aangewend om ieder mee te laten doen.
Allereerst is er de muziek. Een machtig middel om de mensen mee te slepen. Tot vier maal toe worden de instrumenten genoemd in bijna eentonige herhaling: hoorn, fluit, citer, luit, harp, doedelzak en allerlei soort van muziekinstrumenten.
Het lijkt een parodie op Psalm 150. En de keus is inderdaad: Looft God in Zijn heiligdomof:Aanbidt het beeld: God zelf doet ons kennen de waarde van de muziek. In het dienen van Hem. Muziek kan zijn een middel van de Geest. Elisa vraagt om een citerspeler. "En het geschiedde toen de citerspeler speelde, dat de hand des HEREN op hem kwam" (2 Kon. 3: 15).
Saul ontmoet een schaar profeten met harpen, tamboerijnen, fluiten en citers. "De Geest van God greep hem aan en hij geraakte onder hen in geestvervoering." (1 Sam. 10 : 5, 10). En in de temper wordt de HERE als uit één mond geloofd met gezang en snarenspel.
Muziek sleept mee en bindt samen; ten goede 6f ten kwade.
Ook de wereld zonder God kent de betekenis van de muziek. Wie zou niet in vervoering komen als het hele orkest inzet?
Dan is er het middel van de massasuggestie. Op één en hetzelfde moment moeten allen ter aarde neervallen; wie blijft staan valt ogenblikkelijk op als uitzondering.
En wie heeft de moed om een éénling te zijn?
En tenslotte is er de bedreiging, de intimidatie: "Ieder die zich niet ter aarde nederwerpt en aanbidt, zal in de brandende vuuroven worden geworpen". Het is alle eeuwen door weer hetzelfde: Wie zich niet laat verleiden om mee te doen, wordt gedwongen en wie zich niet laat dwingen wordt uitgeschakeld. Er is altijd weer een beest dat hen die op de aarde wonen verleidt en er is altijd weer een macht die maakt dat allen die het beeld van het beest niet aanbidden zullen gedood worden (Openb. 13 : 14, 15).
De brandende vuuroven; het hoogtepunt van de mensenmacht en het hoogtepunt van de zelfverheffing.
"Wie is de god, die u uit mijn hand zou kunnen bevrijden?" (vs 15). Babel kent goden zonder tal.
En Nebukadnezar heeft erkend dat Daniëls God de God der goden en de Heer der koningen is. Maar het komt er tenslotte tóch op neer dat de menselijke macht als de allerhoogste zal gelden. Alle afgodendienst is tenslotte mensverheerlijking.
Tevens is hierin de erkenning dat. de goden van mensen toch werkelijk nietswaardig zijn.
Wat is een god, als het mogelijk is dat een sterfelijk mens maatregelen treft waartegen zelfs de machtigste god weerloos is?
De brandende vuuroven ! Het hoogtepunt van macht; sterker dan de goden. Maar tegelijk het onweerlegbare bewijs van wezenlijke machteloosheid. Want waarom is die oven er? Toch alleen omdat Nebukadnezar er bij voorbaat van overtuigd is, dat niet iedereen spontaan en vrijwillig zal meedoen. Dus moet er wat op gevonden worden om de 100% vereerders van het beeld vol te krijgen.
Met verleiding alleen zal het niet gaan, dus wordt de vuuroven uitgevonden. Ziedaar het toppunt van de mensenmacht: Onwilligen dwingen tot meedoen. Dus is heel die gouden eeuw een grote mislukking.
De eenheid in het menselijke vredes rijk is geen eenheid van liefde, maar komt niet verder dan de eenheid van de angst.
Het is de karikatuur van het ware vredesrijk, dat Jezus Christus brengt. Bij Hem is geen plaats voor iemand die alleen maar voor de vorm mee doet; Zijn rijk kent slechts vrijwilligers. Voor Nebukadnezar, voor heel de wereld, doet het er niet toe wat iemand denkt, wat er leeft in het hart.
Het enige is meedoen, graag of niet, maar meedoen. In het echte vredesrijk is slechts plaats voor de eenheid in liefde. Wel kent de Schrift ook de dreiging, maar dat is de dreiging van het buitengeworpen worden. Vrijwillige vreugdevolle gehoorzaamheid of geen deel in het rijk van Christus.

Meld je aan voor onze gratis nieuwsbrief