Boekbespreking
1975-05-09
Bespreking van het boek "Demonen eruit, in Jezus' naam!" van W. C. van Dam; uitgave (paperback) J. H.- Jaargang 19
- nummer 19
Kok, Kampen.
Op blz. 9 van dit boek vinden we de volgende definitie van "bezetenheid":
" ... de toestand waarbij persoonlijke, geestelijke, negatief geladen wezens in een mens zo diep zijn binnengedrongen, dat ze zijn persoonlijkheid hebben overmeesterd en zich van zijn lichaam en stembanden kunnen bedienen ... "
Hoewel de uitdrukking "negatief geladen" nog wel enige verduidelijking behoeft, komt het me voor dat deze definitie recht doet aan wat de evangelisten ons vertellen in die gevallen waarin ze met een meer gedetailleerde beschrijving verslag doen over het uitdrijven van "boze geesten" door Jezus. We geloven niet dat het op een eerlijke manier mogelijk is om met behulp van "de inzichten van de moderne wetenschap" deze verhalen zo te interpreteren, dat de werkelijkheid waarvan in bovenstaande definitie sprake is, uit die verhalen van de evangelisten wordt weggepraat, Dat betekent dus dat we er maar niet aan moeten twijfelen dat zulke toestanden voorkwamen in de dagen van Jezus" lichamelijke aanwezigheid op deze aarde. En ook in de tijd van de apostelen.
De zekerheid; die we daaromtrent altijd wel gehad hebben, heeft vaak de vraag opgeroepen of in onze tijd diezelfde toestand nog voorkomt, Ook wel de vraag of elke vorm van "geestelijk-gestoord-zijn", zoals we die kennen eigenlijk een vorm van bezetenheid is.
We kunnen er de schrijver dankbaar voor zijn, dat hij t.a.v. deze vragen blijkt geeft van onderscheidingsvermogen en nader weet te preciseren waar nu wel de verschillen liggen tussen de bezetenheid waar de bijbel ons van vertelt en andere vormen van geestesstoornissen of ook vas "para-psychologiche verschijnselen".
Daarmee worden dan ook niet meteen maar alle wetenschappelijke inzichten op het gebied van de psychiatrie aan de kant geschoven.
Voor iemand, die op dit terrein slechts zeer incidenteel en oppervlakkig het een en ander heeft kunnen waarnemen, lijkt elke verdere beoordeling moeilijk. Het komt me voor dat christenen, die "vakmensen" zijn, hier maar eens onbevooroordeeld hun gedachten over moeten laten gaan en daarover met elkaar van gedachten zouden moeten wisselen. Dat zou dus ook een gesprek tussen psychiaters en "zielszorgers" moeten zijn, Dit wordt dan ook in dit boek bepleit.
Tot zover heb ik er helemaal geen moeite mee om heel positief over dit boek te oordelen.
Meer moeite heb ik met een aantal zaken, die ons als "feitelijk" worden meegedeeld. De overgang van het positieve naar het plaatsen van vraagtekens gaat geleidelijk De vraag is onder ons vaak gesteld of in onze tijd en in onze westerse wereld die bezetenheid, die de bijbel ons beschrijft nog wel voorkomt of voor zou kunnen komen, Heeft het veel zin om op die vraag zonder meer een antwoord als "ja" of "nee" te willen hebben?
Het lijkt me veel zinvoller om je af te vragen of we soms enig inzicht kunnen krijgen t.a.v. de vraag wat erf aan vooraf moet gaan vóór het zover komt. Zou het niet zó zijn, dat een situatie waarin dat voorkomt aam het eind van een misschien wel lange weg ligt? En zou het dan niet verstandig zijn om je af te vragen wat dat voor een weg is en wanneer en hoe God ons zelf in Zijn woord daarvoor gewaarschuwd heeft? Ik vrees dat je een kortsluiting maakt als je een boek schrijft met als strekking: "Er zijn nog altijd - ook in onze tijd - mensen, die van de duivel bezeten zijn en dus: óp, christenen, op ten strijde", oftewel "onward christian soldiers", Sartre vertelt ergens dat hij op een dag in zijn leven God heeft losgelaten en nu voor zichzelf het gevoel heeft dat hij de weg zonder God zo ongeveer tot het einde we heeft afgelegd.
Zijn conclusie is dan dat hij niets heeft overgehouden dat nog enige betekenis heeft om er enige hoop of toekomstverwachting op te bouwen. Ik denk dat er nog één stap verder is, nl. dat een mens zich overgeeft aan "satanisme".
Ik heb er wat bezwaar tegen als we in de wereld van vandaag doen alsof de kracht van de kerk dan zou moeten liggen bij iets, dat toch niets anders is dan een "kurieren am Symptom". Ik ben bang dat dan juist het opzienbarende en het wonderbaarlijke en het "succes" de ogen gaat verblinden voor dat wat het eerste moet zijn; voor de weg waarlangs Gold ons veilig leidt opdat we bewaard blijven voor die krachten van ontmenselijking. Ik had graag gezien dat daar in dit boek eens een ogenblik expliciet aandacht aan geschonken was.
U moet goed begrijpen dat ik men zo'n uitdrukking als "kurieren am 'Symptom" niets verachtelijks bedoel.
Het is uit de bijbel al duidelijk dat Jezus mensen die van boze geesten verlost moesten worden niet aangesproken heeft met zoiets als de bergrede. Dat was blijkbaar niet de weg om zulke mensen te helpen.
Als ik lees hoe. mensen als dr Wilkerson in Amerika verslaafden aan heroïne helpt, dan de nik ik toch bereiken door die mensen "De Voorwel dat je zoiets niet zou kunnen zeide Leer" van ds Vonk in handen te geven. Maar bij Jezus en de apostelen vind je het één en het ander verenigd Jezus wist wanneer Hij de bergrede moest uitspreken en wanneer Hij met één machtwoord een boze geest moest uitdrijven.
Het benauwende vind ik dat in onze tijd het een het ander schijnt uit te sluiten. Het is niet verwonderlijk dat krachten van de Geest, die Jezus in zichzelf verenigde later onder de gelovigen verspreid voorkomen, Maar wat we nu beleven is, dat de hand tegen de voet zegt ik heb u niet nodig, Daarom vrees i!k dat we ondanks alle geweldige verhalen toch nog met een gebruiken kracht te maken hebben.
Moeite heb ik bepaald ook met de voorstellingen, die ds v. Dam oproept als hij over zijn ervaringen met demonen vertelt. Het ligt misschien aan mij, maar ik voel me daar wat onwennig bij. Het lijkt wel alsof je met een troep vlooien te maken hebt!
Verder moet ik zeggen dat het me heel aannemelijk voorkomt wanneer iemand praat over een relatie tussen afgoderij en bezetenheid. Maar ik kijk vreemd op als ik lees dat iemand, die uit curiositeit een boeddha-beeldje in huis gehaald heeft of een of ander oosters tempelpaneeltje, daar grote risico's mee loopt (vooral als er in m'n beeldje een gaatje zit!). En ik kijk nog vreemder als ik lees dat de apostel Johannes dat op het oog had toen hij schreef: hoed u voor de afgoden!
Vandaar ook dat ik een beetje wantrouwig ben als ik kennis neem van de "technieken", die bij het uitdrijven in acht genomen worden. Ik kan daar niet veel over zeggen, maar ik krijg het gevoel alsof er "een rood lampje gaat branden".