Persschouw

1975-05-09
  • Jaargang 19
  • nummer 19
• "Onbekwaam tot enig goed"

Op de avond van de Goede Vrijdag was er voor de TV een interview van ds K. van Gelder met Mr W. Aantjes. Het thema was de visie en het werk van een christenpoliticus.
Over dat interview schreef prof. Runia een belangwekkend artikel dat ik hier graag doorgeef.
Het gaat daarin namelijk over een fundamentele kwestie, een grondvraag niet alleen van de poitiek maar van het mensenleven in al zijn aspecten.
Prof. Runia schreef het volgende:

Mr. Aantjes maakte duidelijk dat voor hem de grondlijnen van de christelijke politiek in de bijlbel liggen.
Daar lezen we immers wie de mens is en wat God van die mens vraagt. Juist op grond van de bijbel pleitte Aantjes voor 'realisme'. Zowel de visie van het socialisme als van het liberalisme zijn utopisch. Ze rekenen niet met de gebroken werkelijkheid van deze wereld, die haar diepste oorzaak vindt in de zondigheid van de mens.
Ook wat de heer Aantjes zei over de noodzakelijkheid van het 'compromis' in de politiek kwam bij mij positief over. In de politiek heb je te rekenen met een dubbele norm: de absolute norm van Gods wet en de relatieve norm van de zedelijke draagkracht van het volk, De spanning tussen deze twee normen maakt dat je in de politiek vaak niet verder kunt komen dan het compromis.

De Catechismus
Op en gegeven moment kwam ook de oude Heidelberger Catechismus ter sprake. Mr. Aantjes vertelde dat hij afkomstig was uit kringen van de Gereformeerde Bond en dat hij zich daar nog altijd mee verwant voelde. Hij is trouwens ook nog lid van de Geref. Bond.
Plotseling kwam van de kant van de heer Van Gelder de vraag: maar wat denkt u, die bereid bent tot samenwerking met anders-denkenden op het terrein van de politiek, van de uitspraak. "De mens is onbekwaam tot enig goed en geneigd tot alle kwaad?' De heer Aantjes was duidelijk wat verlegen met deze vraag. Hij begon nogal wat te aarzelen. Ja. het laatste kon hij wel voor zijn rekening nemen: 'geneigd tot alle kwaad'.
Maar wat het eerste betreft: 'onbekwaam tot enig goed', nee, dat kon hij toch eigenlijk niet meer meemaken, Toen ik dat zo hoorde, vroeg ik me af: heeft Mr. Aantjes de bedoeling van deze uitspraak van de Catechismus eigenlijk wel begrepen? Men komt nl. juist op dit punt eng vaak misverstanden tegen.

Typisch reformatorisch
De bekende uitspraak van de Catechismus (Zondag 3, vraag 8) is typisch gereformeerd (in de brede zin van het woord). Men mag zelfs wel zeggen: typisch reformatorisch. Je vindt dit soort uitspraken bijv. ook bij Luther (o.a. in zijn bekend strijdschrift tegen Erasmus : Over de gebonden wil). Ook bij vele oudere Lutherse dogmatici. Maar er zit in het Lutherianisme ook een andere lijn, die al bij Melanchton begint en die later nogal veel invloed heeft gekregen. In de tijd van de Synode van Dordrecht (1618-19) hadden vele Lutheranen nogal sympathie voor net standpunt van de Remonstranten.
De Gereformeerden hebben er veel consequenter aan vastgehouden. Men komt het heel duidelijk bij Calvijn tegen en bij de theologen die na hem gekomen zijn. Maar het is ook duidelijk uitgesproken in de gereformeerde confessies. Bijv. in Art. 14 van de Nederl, Geloofsbelijdenis en in de Hoofdstukken lIl-IV van de Dordtse Leerregels.
In art. 3 van die hoofdstukken lezen we: “Derhalve worden alle mensen in zonde ontvangen en als kinderen des toorns geboren, niet in staat tot eigen zaligmakend goed, geneigd tot het kwade en dood in de zonde, waarvan zij slaven zijn. Zij willen of kunnen niet terugkeren tot God, hun ontaarde natuur verbeteren of zichzelf hiertoe voorbereiden zonder de vernieuwende genade van de Heilige Geest'.

Verzet
Altijd weer hebben deze en dergelijke uitspraken verzet opgeroepen, Men wees dan op het feit dat er toch veel ongelovige mensen zijn die goede en voortreffelijke dingen doen, Wat zijn er niet veel humanisten bijv., die hoge idealen hebben en die deze idealen Vlaak ook met veel succes nastreven.
Wat zijn er niet veel buitenkerkelijken, die een prachtig karakter hebben en die door hun optreden kerkelijke en gelovige mensen soms diep beschamen.
Hoe kan men dan zeggen: 'onbekwaam tot enig goed?' Dat strijdt toch met de werkelijkheid?
De gereformeerde theologie 'heeft deze tegenwerping altijd serieus genomen en is er serieus op ingegaan.
Tegelijk heeft ze haar altijd afgewezen als een misverstand.
Waarom? Omdat deze tegenwerping voorbijgaat aan de eigenlijke bedoeling van de leer van de 'totale verdorvenheid' van de mens. Deze leer is nl. een religieuze belijdenis, Ze meet de mens niet met de uiterlijke maatstaf van deze wereld.
Dan vallen veel mensen erg mee. Maar waar het de gereformeerde belijdenis om gaat in haar uitspraak over de verdorvenheid van de mens is: wie en wat is de mens 'coram Deo', d.w.z. als hij staat voor het aangezicht van God?
Bij God geldt een heel andere maatstaf.
Verderop zegt dezelfde Catechismus in antwoord op de vraag: "Wat zijn goede werken?': 'Alleen die uiteen echt geloof, volgens de wet van God, tot zijn eer geschieden'. Kijk, als je de mens aan deze maatstaf meet, dan ligt het heel anders. Terecht vraagt Bavinck in zijn Gereformeerde Dogmatiek: 'Aan deze maatstaf getoetst, wie durft dan zeggen, dat er enig werk door mensen geschiedt, dat volkomen rein is en geen vergeving en vernieuwing behoeft?' (lil, 103).

Een religieuze belijdenis
Zo spreekt ook de bijbel over de mens. Hij zet de mens altijd in het licht van God en van zijn wet.
Dat is de achtengrond van zulke uit spraken als: 'De Here zag dat de boosheid van de mens groot was op de aarde en al wat de overleggingen van zijn hart voortbrachten te allen tijde slechts boos was' (Gen. 6: 5).
En als iemand dan zegt: ja, maar dat geldt van die slechte mensen van vóór de zondvloed, dan moeten we er op wijzen dat ditzelfde onmiddellijk ná de zondvloed herhaald wordt, als de Here God bij zichzelf zegt: 'Ik zal de aardbodem niet weer vervloeken om de mens, omdat het voortbrengsel van des mensen hart boos is van zijn jeugd aan'. (Gen. 8: 21).
Berkouwer schrijft in dit verband ook. 'Er kan nauwelijks twijfel bestaan over het bestaan over het feit dat de Schrift telkens weer over 'de mens' en 'de mensen' een zéér algemeen en universeel getuigenis laat horen. Het gaat in de Schrift om een merkwaardige algemene Goddelijke aanklacht om een waardelijk generaliserend getuigenis, waaraan niemand zich op legitieme wijze kan onttrekken Het woord uit Psalm 14, dat er niemand is, die goed doet en dat allen zijn afgeweken en samen ontaard zijn, kan worden beschouwd als een duidelijk compendium (samenvatting) van het ganse getuigenis der Schrift over het niet-exceptionele karakter der menselijke zonde'.
(De Zonde, 11 267/8).

En de feiten dan?
Maar lopen we zo niet over de feiten heen? Zijn dan ook de ongelovigen slecht? Is er dan werkelijk niets goeds in de mens?
Spreekt art. 14 van de Nederl. Geloofsbelijdenis ook niet van 'enige kleine overblijfselen' van de voortreffelijke gaven de voortreffelijke gaven die de mens van God had ontvangen? En lezen we in de Dordtse Leerregels niet van 'enig licht der natuur dat ook na de val nog in de mens is overgebleven'? Dus toch nog iets goeds?
Het antwoord blijft: Nee. Deze uitspraken van de Geloofsbelijdenis en van de Leerregels mogen nl. niet uit hun verband gehaald worden, Ze bedoelen helemaal niet te zeggen dat de mens ten diepste nog wel wat meevalt, maar ze willen er op wijzen dat God ook de gevalten mens niet helemaal heeft losgelaten.
In zijn algemene goedheid laat God de mens nog 'restanten' van de oorspronkelijke gaven, zodat het leven hier op aarde leefbaar blijft.
Het 'goede' dat we nog in de mens tegenkomen (en waar we alleen maar heel erg dankbaar voor kunnen zijn!) bewijst niet dat de mens uiteindelijk toch méévalt, maar dat God altijd weer méévalt! We stuiten hier niet op het geheim van de mens, maar op het geheim van Gods goedheid.
Als God dan ook zijn genade terugtrekt en de remmen raken 'los', dan zien we hoe diezelfde mens van kwaad tot erger gaat. We hebben daar o.a. iets van gezien in de laatste oorlog, met z'n afschuwelijke concentratiekampen, Ik herinner me nog uit de tijd van, vlak na de oorlog, dat er in de kerkelijke pers vele discussies geweest zijn over de vraag hoe het toch mogelijk was dat een volk als het Duitse, met zo'n geweldige cultuur achter zich, vervallen kon tot deze bestiale wreedheid. Waren de mensen die zich lieten gaan in de concentratiekampen dan werkelijk slechter dan wij? Of - zouden wij en onze kinderen hier ook toe kunnen komen?
De algemene conclusie was: potentieel zit het in ons allemaal. Als God ons zijn genade zou onthouden, dan zouden we allen die weg kunnen gaan. Niet een van ons is van uit zichzelf, vanuit zijn eigen karakter of hoedanigheden, gevrijwaard tegen deze (letterlijke) afgang.
Het zou me niet verbazen, als Mr Aantjes het hier mee eens is.
Maar betekent dat dan tegelijk ook niet, dat hij toch in feite ook instemt met de reformatorisch-bijbelse belijdenis van de totale verdorvenheid van het menselijk hart? Immers dit is wat de Catechismus bedoelt met die woorden: onbekwaam tot enig goed en geneigd tot alle kwaad'. Het is de erkenning van de juistheid van de goddelijke aanklacht.
Het is een brok schuldbelijdenis van de mens die voor zijn God staat en die beseft dat hij geen verontschuldiging heeft.
Als ik me niet vergis was het Bavinck, die schreef: er is één plaats waar elke Arminiaan gereformeerd is, nl. op zijn knieën.
Inderdaad, als een mens op z'n knieën voor God ligt, kan hij alleen maar zeggen met het 'gebed om schuldvergeving': 'Almachtige God en genadige Vader, wij allen dwaalden als schapen en wenden ons ieder naar zijn eigen weg.
Wij hebben de overleggingen en begeerten van ons zondig hart gevolgd en Uw heilige geboden overtreden.
Wij hebben niet gedaan wat wij schuldig waren te doen, maar wij hebben gedaan wat Gij ons verboden had, en er is in ons geen kracht tot genezing.
Maar Gij, 0 Here, ontferm u onzer .. '

Het gaat in deze kwestie om een fundamenteel gegeven van Gods openbaring en dus van het christelijk geloof.
Het gaat erom of er één uitzondering is op wat de Heilige Geest in Rom. 3 zegt:

"Niemand is rechtvaardig, ook niet één er is niemand, die God ernstig zoekt; allen zijn afgeweken, tezámen zijn zij onnut geworden er is niemand, die doet wat goed is, zelfs niet één.

Het gaat er om of het waar is dat wij, zoals ook weer de Heilige Geest door Paulus zegt, "van nature", d.w.z. zoals wij geboren worden, vijanden, agressieve vijanden van God zijn (Rom. 5 : 10).
Het gaat er om dat wij inzien, geloven dat wij "van nature" God niet in ons leven dulden dat de grondtrek van ons hart, het centrum van ons leven is: de autonomie, de eigen-wettelijkheid, de zelf-zucht, of, zoals Luther dat zegt: het incurvatus-in-se-zijn, d.w.z. het naar zichzelf toe gekromd zijn om alles te grijpen wat men grijpen kan om dat dienstbaar te maken aan zichzelf.
Deze oerzonde van alle mensen verhindert niet dat er in hun leven soms een ethisch hóóg gekwalificeerde levenshouding en een fascinerende religiositeit ontstaat, Maar dan is er toch altijd die afgrond zo donker daaronder dat zij God, de levende God niet als God hebben verheerlijkt en gedankt.
En dat God hen daarom heeft overgegeven aan een verwerpelijk denken.
Het is een fundamenteel moment in het leven des geloofs dat wij met de gereformeerde kerken van alle land van harte kunnen belijden - men deed dat aanvankelijk vóór iedere kerkdienst en dan geknield: "Hemelse Vader, eeuwige, barmhartige God, wij erkennen en belijden voor uw Goddelijke majesteit, dat wij arme en ellendige zondaren zijn, ontvangen en geboren in alle boosheid en verdorvenheid, geneigd tot alle kwaad en onnut tot enig goed, en dat wij met ons zondig leven, zonder ophouden uw heilige geboden overtreden, waardoor wij uw toorn tegen ons verwekken en naar uw rechtvaardig oordeel op ons laden de eeuwige verdoemenis."
Alleen wie dit zeggen kan van harte kan komen tot de kennis van Gods genade.
Alleen wie dit zeggen kan kan komen tot de echte zelfkennis en de echte, ware kennis van mens en wereld.
En dat is ook voor de politiek van beslissende betekenis.

Meld je aan voor onze gratis nieuwsbrief