Over de "kerkelijke examens"
1975-05-30
Zoals een meelevend kerklid uiteraard weet, moet iedere jonge broeder die predikant in gereformeerde kerken wil worden door de kerken worden geëxamineerd.- Jaargang 19
- nummer 22
Hij moet vooraf een "kerkelijk examen" afleggen. Of, juister gezegd: hij moet er zelfs twee afleggen: een "praeparatoir" en een "peremptoir". Of alle lezers van Opbouw dit weten en of zij het precieze onderscheid daartussen kunnen aangeven, weet ik niet.
Maar omdat deze "kerkelijke examens" voor de kerk zo uiterst belangrijk zijn wil ik er graag iets van zeg)gen.
Nu wil ik beginnen met iets dat velen misschien vreemd in de oren klinkt! Dit namelijk, dat het éérste examen dat een aanstaand predikant moet afleggen hem wordt afgenomen, hem in ieder geval moet worden afgenomen, door de kerkeraad van de kerk waartoe hij behoort. Niet door een classicale of andere kerkelijke vergadering!
Wat i hiermee bedoel kan ik het best op de volgende wijze duidelijk maken.
Als een jongen die het einddiploma van een gymnasium heeft behaald, of in het bezit is van een ander diploma dat hem het recht geeft zich als student aan een Theologische Hogeschool in Kampen te laten in schrijven, moet hij een attest overleggen van de kerkeraad van de kerk waartoe hij tot dusver behoorde.
Een attest, niet een attestatie!
Een attestatie wordt afgegeven aan een lid van de kerk dat door verhuizing genoodzaakt wordt het lidmaatschap van de kerk waartoe hij tot op dat moment behoorde te beëindigen om lid te worden van een andere kerk, die van zijn nieuwe woonplaats, Maar een attest is een heel ander document. Dat besef je onmiddellijk als je bv. leest van een "doktersattest", een "attest van onvermogen", "attesten" die een handelaar in een of ander apparaat overlegt om te bewijzen dat zijn produkt goed is. Je zou een attest kunnen omschrijven als' een schriftelijke verklaring die moet dienen ter verklaring en bevestiging van een of andere zaak. Kort gezegd: het is een getuigenis, een getuigschrift.
Wanneer men dat goed heeft begrepen begrijpt men ook als van zelf wat zo'n "attest", zo'n "getuigenis"
dat de kerkeraad van een aankomende student, die de begeerte heeft predikant te worden, moet bevatten!
Laat ik daarvan enkele dingen noemen: Heeft deze jongen er blijk van gegeven de Heere te vrezen? Leefde hij trouw mee in het leven der kerk? Merkte men bij hem liefde voor de kerk? Gaf hij reeds blijk van een dagelijkse omgang met de Heilige Schrift?
Muntte hij uit door intense belangstelling op de catechisatie?
Leefde er in hem de drang om anderen bekend te maken met het Evangelie? Deed hij aan het jeugdwerk mee? Kon hij goed omgaan met de jongens en meisjes van zijn leeftijd? Kenmerkte hij zich door bescheidenheid en tact?
Had hij er al enigszins blijk van gegeven dat hij" als het over de dingen van Gods koninkrijk ging, duidelijk zeggen en uitleggen kon wat hij had gelezen en overdacht?
Is men er van overtuigd dat zijn begeerte om predikant te worden oprecht en zuiver is? En kan men -, met alle voorbehoud - verwachten dat hij tegen de gevaren, moeiten en teleurstellingen daarvan opgewassen zal zijn?
Ik noemde maar wat. Het komt, kort gezegd, hierop neer: kan de kerkeraad - en dan speciaal de predikant die immers ook zijn catecheet is - na zorgvuldig de levensgang en de levenshouding en de levenspraktijk van deze jongen te hebben overwogen en na indringende gesprekken met hem te hebben gevoerd, getuigen dat hij voor zover mensen - broeders!daarover kunnen oordelen bij de aanvang de gaven, de liefde en vooral, laat ik dat goede woord maar zeggen: de vroomheid bezit die nodig zijn om een herder te worden van de kudde van Christus.
Ieder begrijpt dat ik hiermee allerminst bedoel te zeggen dat men op zo'n jongen een soort geestelijke vivisectie moet toepassen.
Neen, het gaat hierbij om een liefdevolle en zorgvuldige observatie en beoordeling van het leven, de levenshouding, de levenspraktijk die "als vanzelf" in zo'n jongen openbaar is geworden.
In dit opzicht zijn de kerken onvoorstelbaar nalatig geweest!
Terwijl in "de wereld" met de grootst mogelijke zorgvuldigheid omtrent een toekomstige medewerker op een verantwoordelijke post onderzoek wordt gedaan, waren de kerken hierin zeer nalatig.
Ik kan mij uit alle jaren waarin ik actief hoogleraar ben geweest maar één attest herinneren dat aan de eisen voldoen. Het overgrote deel bevatte de onbenullige en niets zeggende mededeling dat broeder die en die, voor zover hem (de kerker aad) bekend is, gezond is in de leer en onbesproken van wandel.
Hoe verschrikkelijk noodzakelijk dit "examen" van de kerkeraad is is mij elk jaar opnieuw gebleken.
Men moet weten dat volgens het reglement van de Theol. Hogesohool ide hoogleraren met iedere aankomende student een gesprek moeten hebben "over hun studie in verband met hun toekomstig ambt". Daarbij ging het in 'een gesprek zo tussen neus en lippen door over bijbellezen, er werd voorzichtig getest naar de bijbelkennis, de kennis van de confessie enz. Globaal genomen. waren de resultaten daarvan allerbedroevendst! lik zal hier afschrijven wat ik er zeventien jaar geleden in een rapport over schreef: "Bij het gesprek met aankomende studenten hebben we reeds meer dan tien jaar merkwaardige ervaringen opgedaan. Het bleek namelijk dat bij deze jonge mannen de kennis van en het inzicht in de Heilige Schrift en de confessie, enkele uitzonderingen daargelaten, zeer droevig, soms zelfs verbijsterend was. Het kwam zelden voor, dat deze toekomstige predikanten de bijbel regelmatig lazen en van enig verstaan van en thuis zijn in de Heilige Schrift blijk gaven. Het gebeurt elk jaar dat er onder deze jongelui zijn die de bijbelboeken niet kennen; niet weten waar bv. de bergrede of andere bekende bijbelgedeelten staan; geen hoofdstuk of schriftgedeelte kunnen aangeven, waarin in het Oude Testament over de Christus wordt gesproken; met geen mogelijkheid kunnen zeggen wat Paulus in de brieven aan de Romeinen, de GaIatiërs, de Efeziërs aan de gemeente voorhield - om van andere boeken en brieven maar niet te spreken. Van een omgaan en loeven met de Schrift ontdekten we veelal zeer weinig. Ten aanzien van de kennis der belijdenisschriften stond het nog droeviger.
Het kwam meermalen voor, dat men niet eens wist welke de drie formulieren van enigheid zijn en wat ze globaal genomen inhouden - iemand antwoordde eens op de vraag daarnaar: de catechismus en het Onze Vader en de kerkorde! - Dat iemand een paar antwoorden van de Catechismus goed kende was een opmerkelijk verschijnsel. Meermalen bleek dat jongelui, zelfs onder hen die belijdenis van hun geloof hadden afgelegd, de drie formulieren nog nooit geheel hadden gelezen! Het is mij in al de jaren waarin dat onderzoek plaats vond, slechts een enkele maal overkomen dat iemand 710 ongeveer wist waar het in de vrijmaking om ging! Soms beschikte men wel over een zeker jargon, waarin enkele, laat ik maar zeggen: vrijgemaakte Satren werden gedebiteerd.
Maar van een verstáán van de Schrift, geboren uit een intense en geregelde omgang daarmee, bleek zelden iets."
Ik voegde aan deze passage de opmerking toe dat dit ervaringen waren bij jongelui die een gymnasium of hbs hadden afgelopen en predikant wilden worden! Hoe zou het staan met de bezitters van een einddiploma van middelbare scholen die niet theologie gingen studeren!
Zo schreef ik in een rapport over deze zaak in 1957.
En zou de situatie sindsdien verbeterd zijn?
We weten het maar al te goed: het christelijk onderwijs wordt hoe langer hoe meer zogenaamd christelijk onderwijs. En wat men over het z.g. "godsdienstonderwijs" hoort doet je huiveren.
Maar - de eerste oorzaak van al dit kwaad moeten we in de gezinnen zoeken. De jaren vóór het twaalfde zijn ook wat de godsdienstige opvoeding betreft van enorme betekenis. Als de ouders hun kinderen de vreugdevolle dienst van God niet voorleven, als ze in hun loeven niet de vreze des HEREN, dat ootmoedige wandelen met God bespeuren, wat kan men dan van hun kinderen verwachten?
Een christen-hoogleraar aan een van de rijksuniversiteiten vertelde eens dat hij honderden studenten "van christelijken huize"
had zien ondergaan, meegesleept door één van de ideologieën van de tijd die aan alle universiteiten wel enige propagandisten hebben. Alleen zij die aan de knieën van hun moeder de Here Jezus echt hebben leren kennen, konden het in de draaikolk van met elkaar strijdige en elkaar bestrijdende filosofieën staande blijven.
Hoe dit alles ook zij: als een lid van de kerk een attest vraagt met het oog op het zich voorbereiden voor de dienst des Woords, het herdersambt, dan moet dat een echt attest zijn. Het moet inhoud hebben. En dan een inhoud die het resultaat is van zorgvuldige observatie en ernstig overleg.
Zo'n kerkeraadsattest bevat dan de uitslag van het eerste kerkelijke onderzoek, het eerste "kerkelijke examen" dat een a.s. predikant moet ondergaan.
Ik heb dit alles wat uitvoerig beschreven omdat deze zaak zo intens belangrijk is en zo ontstellend verwaarloosd wordt.
Maar al te vaak willen jongelui predikant worden op dezelfde wijze als een ander dokter, advocaat of timmerman.
Maar al te vaak is de keus werelds.
En de omgeving van veel jongelui werkt daaraan vaak mee.
Nu is het afgeven van een attest vóór het ingeschreven worden als student aan een Theol, Hogeschool in Kampen voor ons niet aktueel.
Maar toch komt ook onder ons de zaak van zo'n attest terdege aan de orde. En wel bij de eigenlijke kerkelijke examens: het praeparatoire en het peremptoire examen.
Toen ik voor vele jaren de regels voor deze examens bestudeerde viel mij weer op met hoeveel wijsheid onze vaderen ook dit deel van de kerkorde hadden opgesteld.
De gedachtegang daarvan namelijk is de volgende.
Om goed predikant te kunnen worden is normaal een wetenschappelijke vorming nodig. Er moet grondig hebreeuws en nieuw-testamentisch grieks worden gestudeerd. Er moet bekwaamheid komen in hert lezen en interpreteren van teksten. Men moet op de hoogte zijn van de geschiedenis der kerk, haar belijdenis, haar arbeid, haar liturgie.
Daarvoor, om in dat alles bekwaamd te worden, is het volgen van wetenschappelijk onderwijs nodig. En zo wordt er van iemand die predikant wil worden geëist dat hij een wetenschappelijke graad bezit. Nu nog die van kandidaat in de theologie, straks die van doctorandus. Ik ben blij dat het slagen voor het doctorale examen straks verplichtend wordt gesteld voor een a.s. predikant. De zaak is niet nieuw. Prof. Greijdanus heeft er reeds Vóór vele jaren voor gepleit. Juist in onze tijd is èn met het oog op de onvoorstelbare verwarring in de theologische wereld èn met het oog op het steeds gecompliceerder worden van het leven in iedere levenskring, een gedegen wetenschappelijke vorming broodnodig.
Maar met het behalen van een wetenschappelijke graad is de weg naar de preekstoel nog niet open.
Het is zo dat een kandidaat of doctorandus in de theologie die predikant wil worden naar de raad van de kerk waartoe hij behoort moet gaan met de vraag of die hem wil onderzoeken om hem, als dat onderzoek gunstig uitvalt, aan de zuster kerken voor te stellen als "kandidaat tot de heilige dienst".
De kerken hebben nu afgesproken dat de kerk die zo'n verzoek van een jong theoloog krijgt dit onderzoek zal doen plaats vinden met assistentie van een aantal zusterkerken uit de omgeving, de kerken van de classis of de regio.
Zo'n jonge theoloog wordt dan in een vergadering van afgevaardigden van deze kerken onderzocht, geëxamineerd. En wanneer dat examen goed uitvalt wordt de geexamineerde beroepbaar gesteld.
Hij mag dan gaan "proponeren", dat wil zeggen zich voorstellen o.a. door het houden van een preekvoorstel - aan een gemeente die vacant is en een predikant begeert. Om het wat populair te zeggen: hij wordt dan op de kerken losgelaten.
De grondidee van dit examen is evenwel dat de kerk waarvan deze jonge man lid is hem examineert.
Maar - met assistentie van een aantal zusterkerken. De eerste geref. kerken hebben niet gezegd die ene kerk mag dat onderzoek niet alleen instellen. Ze hebben gezegd: wij willen dat niet alleen doen. Want het beroepbaar stellen van een broeder is een zaak die alle kerken met welke wij verbonden zijn, die al onze "zusterkerken" aangaat.
Dit examen op grond waarvan een kerklid beroepbaar wordt gesteld is het praeparatoire, het voorbereidende examen.
Voor nu zo'n broeder dit examen mag afleggen moet hij aan de vergadering die hem zal onderzoeken een attest overleggen van de raad van de kerk waartoe hij behoort.
En daarvan geldt alles wat ik zoeven van zo'n attest heb gezegd!
't Is duidelijk dat juist hierom de kerk waartoe deze broeder behoort ver uit de beslissende factor is bij dit examen.
Wanneer nu zo'n kandidaat door een kerk beroepen wordt, moet hij wéér geëxamineerd worden.
Dat spreekt eigenlijk ook vanzelf.
De man is nooit eerder predikant geweest. En de gemeente die hem beroepen heeft moet en wil weten wat voor vlees zij in de kuip krijgt. Dat onderzoek wil die kerk ook weer niet alléén instellen. Zij is niet eigenwijs. Ze wil graag de zuster kerken daarbij betrekken.
Dikwijls zal de kerkeraad van de kerk die beriep ook eerlijk zeggen: wij kunnen dat onderzoek niet alleen instelden Goede kerkeraden zijn niet eigenwijs en hebben niet de idee dat zij altijd en alléén hun bonen wel kunnen doppen.
Maar daarbij komt nog wat. Als deze candidaat is onderzocht en daarna bevestigd zal worden is hij zonder meer beroepbaar voor alle zusterkerken.
En daarom hebben de kerken afgesproken dat dan ook alle kerken die hem eventueel later zullen beroepen 'een vinger in de (examen)pap moeten hebben! En daarom zenden die kerken een paar afgevaardigden naar die examinerende vergadering die ook mee over dat examen mogen oordelen.
Ook dat spreekt eigenlijk vanzelf.
Dit laatste examen heet nu het peremptoire, het beslissende, definitieve examen.
En ook bij dat examen moet de candidaat, behalve het bewijs dat zij voor het praeparatoire examen is geslaagd, ook weer een attest van de kerkeraad van de kerk waartoe hij tot op dat moment behoorde worden overgelegd.
Men ziet het: het is de kerk waartoe de candidaat behoort die met assistentie van zusterkerken - de candidaat beroepbaar stelt.
En het is de kerk die hem beroepen heeft die - ook alweer met assistentie van zusterkerken hem de definitieve toegang tot de kansel verleent.
Uit dit alles is duidelijk met hoe grote zorg de kerken de toelating tot het ambt van dienaar des Woords hebben geregeld.
Zij hebben alle mogelijke voorzorgen genomen om alleen aan die broeders het ambt toe te vertrouwen die daar werkelijk geschikt voor zijn. Maar men heeft er globaal genomen niet vol-ernst mee gemaakt.
Maar hoe moeten nu dde examens in concreto word ren ingericht?
Daarover een volgende keer.