Hoe denk jij (denkt U) daar nu over?!
1975-05-30
- Jaargang 19
- nummer 22
Die morgen was ik wat vroeg naar mijn kantoor gegaan; 'k wilde nl. het dagblad nog even doornemen; toen het daar zo op mijn bureau lag werd mijn bijzondere aandacht even getrokken door een artikel waarboven in vele letters het kopje stond:
"Einde der wereld nu toch weer niet in 1975?"
Net toen ik het doorneusde kwamen een paar mede-kantoorlui even binnenlopen. Eén van hen zag die "kop" en vroeg me: "Hé, de Ster, wat lees je dáár nou?
Laat me 's kijken!" De anderen werden er ook bij betrokken en een gesprekje ontstond over die grote zaak inzake de ondergang van de wereld ja of nee; en of zo'n artikel nu bangmakerij was of juist een fijne geruststelling: áls de wereld dan al vergaan zal. .. dan toch lekker nog niet in 1975! Uitstellen maar!
De één zei: ,,'k Mag lij-en dat ze in dat blad van jou gelijk krijgen, en dat toch a.u.b. nog maar niet dit jaar het wereld-einde zal komen!"
Anderen vielen hem van harte bij, of haalden meewarig de schouders op van: eigenlijk niet de moeite waard om er over te praten; alsof de wereld vergaan zou! Wees toch nuchter lui, en niet zo zwartgallig!
Nou ja ... wat wil je anders? Zo'n reaktie-golf kun je toch verwachten van de "brede massa"! Wiedes toch zeker, want de wereld is zo slecht!
Ja, ja; maar opeens moest ik luisteren; want: goeie dag!! Daar werd zomaar even de vraag gesteld: "En waarom zouden we eigenlijk niet liever wél in 1975 dat einde verwachten en hopen?"
En toen - ja hoe bestaat het maar als hij gedacht zou hebben met die vraag puur alleen te staan (want men is immers zo vijandigen afvallig), nou dan vergiste hij zich toch wel deerlijk!
Want, ja hoor! Hij kreeg bijval met de woorden: "Ja, zou het eigenlijk geen teleurstelling moeten zijn, als het einde nóg langer wordt uitgesteld?"
Ja, en daar zit je dan bij; met je krantje op tafel. En je denkt: leze beide mensen zullen wel steun aan elkaar gehad hebben. En als ik er nu op let, dan ontdek ik van achter mijn bureau dat die twee wel vaker hele gesprekken hebben met elkaar, Twee mensen die zomaar - midden onder hun werk - spreken over hun gemeende verlangen naar de spóedige komst van het beloofde heil; verlangen naar de beëindiging van hun vreemdelingschap.
En dan peins je daar zo wat over door; die twee maken toch heus niet de indruk, dat ze het leven "zat" zijn, als zuurlingen! Zouden ze het echt geméénd hebben, of ... ? En je vraagt je af: zou ik. " zou jij of zou U, er nu zelf ook zo over denken en aan die twee steun hebben gegeven?
Zeg, hoe denk jij daar nu over, jongeman?! En kom, meisjeslief reageer jij er nu ook es op! Niet met een antwoord zoals het volgens jou zijn móest, conform de "leringen" en zo (ja, goed, dat ook wel; want jij bent uiteindelijk niet de norm), maar dit wil :ik wel es weten: Kun jij eerlijk en van harte instemmen met wat daar op kantoor gezegd werd? Zou jij het ook jámmer vinden als jouw Heiland nu ook dit jaar weer niet zou komen om je leven tot vólle redding te brengen"!
Of vinden we dit - als jongeren, en ook als ouderen misschien toch eigenlijk wat óver-geestelijk?
Hóeven we niet (of mógen we zelfs niet) zo zijn, zoals die twee; omdat het in feite alleen maar vroomdoenerij geweest is misschien; of wellicht een opgeschroefde zaak van: "Nou ja, we móeten wel zo spreken, want zo staat het nu een keer in de Bijbel kom haastig Here Jezus!) en zo hebben we het wel eens gehoord, met groot verlangen uitzien!!; en nou ja . .. dan móeten we onszelf maar wat "oppeppen", om het einde spoedig te verwachten" ... maar zouden ze het in hun hart toch eigenlijk niet geméénd hebben?
'n Tikkeltje theoretisch dus?!
Ja, en daar zit ik nou maar weer mee. Want ... is dat dan eigenlijk een tegenstelling l .. , dát wat we geléérd hebben staat dat tegenover wat we dagelijks ervan beléven??
We hebben geléérd (die twee van het kantoor waren nu niet bepaald streng kerkelijken; of die het beiden wel zo geléérd hebben uit de belijdenis (art 37); of uit de Psalmen: (0 heerlijk erf, gij kunt mijn ziel vervoeren; en dat is mijn blij vooruitzicht, dat mij streelt), ik denk het haast van niet; maar goed, U en jij en ik ... wij hebben het wél geleerd: én uit de Ned. Gel. Bel.; én uit de Bijbel; én uit het zingen van die Psalmen; én die bede "Uw Koninkrijk kome'" met de verklaring van de Heid. Catech.; jawel, maar waarom kijken we dan toch vaak wat "wantrouwend", als we nu midden in het dagelijkse leven iemand treffen, die het beIééft met zijn: "Kom maar liever wél in 1975, Here; eindelijk dan verhoring van mijn gebed: Uw Koninkrijk kome!" Is dat nu overdreven?
Of on-echt? En: op-gepept?
Ja, daar zit ik wel es mee; 'k zou er graag over willen doordenken, met elkaar; kun je mij helpen er een beetje uit te komen?
En probeer dan meteen es, om je gedachten te geven over de smalende woorden, die bij dat kantoorgesprekje er tussen door gegooid werden: "Welja jongens; God geeft ons het leven, en wij maar hopen, dat we het zo gauw mogelijk weer kwijt raken. Kom nou! Daar menen jullie beiden niets van!"
Tot mijn verbazing werd toen, metéén er bovenop, een raak antwoord gegeven vond ik; 'k dacht even: waar haalt hij het zo gauw vandaan! Welk antwoord? Mogelijk komt dat in een volgend artikeltje eens; maar eerst graag: Hoe denk jij (denkt U) daar nu over?