Persschouw

1975-05-30
  • Jaargang 19
  • nummer 22
We hebben pas de "bevrijding" gevierd, herdacht dat in Nederland die "vrijheid" werd herwonnen.
Hebben we er ook over nagedacht wat "vrijheid" in laatster instantie is?
Ais we dat hebben gedaan zullen we hebben gemerkt dat het niet gemakkelijk is precies te zien en te zeggen wat "vrijheid" en "bevrijding" is.
Om maar iets te noemen, er is een "liberale", een "socialistische", een "kommunistische" vrijheidsidee.
Er zijn filosofen die betogen dat een mens pas vrij is als hij door alles wat om hem heen en met hem gebeurt innerlijk niet beroerd wordt.
Anderen betogen dat de mens "gedoemd" is om vrij te zijn. Vrij zijn is 's mensen lot.
Bestaat voor een volk vrijheid vóór alles daarin dat het politiek zelfstandig is. Is het volk van Zaïre dan vrij nu het een eigen staatshoofd heeft, Mobuto, die zichzelf Messias noemt, en in korte tijd een van de vijf of zes rijkste mannen ter wereld werd?
Is het Oegandase volk vrij onder Idi Amin, die een standbeeld voor HitIer wû oprichten? Zijn de mensen van Zaïre en de Oegandezen méér vrij dan de Bantu's in Zuid-Afrika?
Zijn de Tjechoslowaken nu meer vrij dan toen ze in het vooroorlogse Oostenrijk-Hongarije leefden?
Sommigen zeggen - o.a. een aantal ministers - dat Zuid-Vietnam nu bevrijd is. Anderen, b.v. massa's christenen in dat land, zijn er diep van overtuigd dat ze op alle mogelijke manieren verdrukt zullen worden.
De Wereldraad van Kerken gaat in zijn Assemblée spreken over de “boodschap der bevrijding". Wat betekent die bevrijding?
Heeft die van achter het ijzeren gordijn gevluchte predikant gelijk toen hij zei dat juist achter dat ijzeren gordijn de kerk waarlijk "vrij" is?
Men ziet, vragen genoeg.

Ik las zojuist in het "Kerkblaadje", orgaan van de "Kring van Vrienden van Kohlbrugge” een boeiend en belangwekkend artikel over "Bevrijding" van dr W. Aalders, dat ik ter overweging hartelijk aanbeveel.
Telkens zien wij in de geschiedenis een vraag opkomen, die het tijdsbewustzijn gaat overheersen en de geesten in haar greep houdt. Het benauwende van zulk een vraag is, dat er geen afdoend antwoord door mensen op gegeven kan worden. Wel zijn er telkens schijnoplossingen, die even enthousiasme wekken; maar in feite maken zij de situatie alleen nog maar gecompliceerder. Zo kan het gebeuren, dat die vraag uitgroeit tot een onontwarbare knoop, waar alle geesten in verstrikt raken en waar een cultuur zelfs op stuk kan lopen. Zo zijn al heel wat culturen ondergegaan.
Op een diepzinnige wijze wordt ons zulk een situatie getekend in het bijbelboek Genesis in het verhaal van de torenbouw van Babel. Er wordt verteld van een imponerende (indrukwekkende) cultuur in opbouw: "Welaan, laten wij ons een stad bouwen met een toren die tot de hemel reikt en laten wij ons een naam maken, opdat wij niet over de gehele aarde verstrooid worden". Dan lezen wij echter, dat die cultuur-in-opbouw onder gaat door het feit, dat de taal (dat ragfijne en tere weefsel van het bewustzijn! )volkomen in verwarring raakt en er geen communicatie, geen levenseenheid meer mogelijk is. Klaarblijkelijk is ook daar een vraag opgekomen, waar de menselijke taal geen antwoord op kan geven. Alles liep erop vast!

Ik meen, dat het niet te ver gezocht is, als wij zulke vragen in verband brengen met de vader der leugcnen, die altijd een meester is geweest in het opwerpen van boosaardige vragen: "Is het ook, dat God gezegd heeft ... ?" Om die reden is in de Bijbel één van de benamingen van de duivel: d i a b o l o s. De Duitse taal heeft er het mooie woord W i d e r s a c h e r voor. De Nederlander spreekt van a a n k I a g er. Dat zijn alle woorden die aan de rechtspraak ontleend zijn.
De d i a b o l o s is de figuur, die iets pijnlijks naar voren brengt, dat in het nadeel van een der partijen is, en dat daarom verwarring en verwijdering veroorzaakt.
Zo doet de duivel dat in de verhouding van God en mens. Hij werpt een vraag op. die de relatie (betrekking) van God en mens zal verstoren.
Welnu, dat hebben wij ook beleefd in de periode na de tweede wereldoorlog. Opvallend is daarom de overeenkomst tussen de achter ons liggende 30 jaren èn het bijbelverhaal uit Genesis 11. Zoals dáár de torenbouw voorafgegaan werd door de zondvloed, zo bij ons de wederopbouw door de verwoesting van het nationaalsocialisme.

Zoals dáár de torenbouw in het teken stond van het sterke, gemeenschappelijke besef, de cultuur te kunnen opvoeren tot steeds groter hoogte, zo bij ons in een door allen gedeelde optimistische welvaartsdroom van vrijheid, rijkdom en ontwikkeling voor iedereen. En zoals dáár de torenbouw vastliep in een algemene taalverwarring, zo bij ons in een steeds toenemende polarisatie en wantrouwen tussen werkgevers en werknemers, liberalen en progressieven, rijke en arme landen, de oudere en de jongere generatie.
Om die oorzaak is het niet mogelijk, aan de geallieerde overwinning in 1945 terug te denken zonder ons pijnlijk bewust te zijn, dat wij thans die gelukkige periode van een dracht en welvaart zien uitlopen in een onderlinge verdeeldheid, waar het leven steeds meer op stuk loopt. En dat door een problematiek, die onoplosbaar lijkt.

Ik kan die problematiek, die verwarrende en obsederende (totaal in beslag nemende) vraag, het best naar voren brengen met het woord BEVRIJDING. Wie immers ook maar enigszins op de hoogte is van de huidige wereldsituatie, weet hoe dit woord overal de geesten bezighoudt.
En hij weet ook, dat dit wóord als een splijtstof is die mensen, volken, rassen, werelddelen uit elkaar kan drijven.
Hij weet, dat dit woord verbonden is met vurige hoop, maar ook met uitingen van wreed geweld. Hij weet, dat dit woord groepen inspireert tot schier bovenmenselijke strijd en successen, maar dat dit woord ook revoluties en oorlogen ontketent en naties door midden breekt.
Wanneer wij dat nu bedenken, ligt het ook hier voor de hand, om bij dat woord Bevrijding te denken aan de d i a b o l o s, de aanklager, wiens natuur het is om verwarring te stichten, verhoudingen te verstoren en God en mens uiteen te drijven. Of het nu in de politiek, in het sociale leven, in de kerken of aan de universiteiten is, overal doen wij de ervaring op, dat deze problematiek de mensen zo obsedeert (geheel en al in beslag neemt), dat zij louter gevoelsmatig en niet meer redelijk reageren. De rede en wetenschap blijkt dus machteloos om hier een antwoord te geven. Daarom grijpen de mensen in machteloosheid naar andere middelen en methoden.

Het is wel, erg triest om thans na dertig jaar de bevrijding van het Duitse nationaal-socialisme te moeten vieren in een wereld, waarin juist dat woord Bevrijding de heftigste tegenstellingen, conflicten en strijd oproept. Niet zonder sarcasme zou men de vraag kunnen stellen, of wij in 1945 bevrijd zijn om in 1975 aan de Bevrijding onder te gaan?
Maar is dan de d i a b o l o s, de vader der leugenen, in werkelijkheid de Overste dezer wereld? Dat kan toch niet waar zijn! Als wij immers in de Bijbel de waarheid van de d i a b o l o s zo nadrukkelijk terugvinden, dan mogen wij er toch ook volle aandacht aan geven, dat in diezelfde Bijbel met nog veel meer nadruk gesproken wordt over de vernietiging van die leugen vorst met zijn verwarring-stichtende en obsederende vragen.
Ik noem nu alleen maar dat woord van Christus: "Ik zag de Satan als een bliksem uit de hemel vallen" (Lucas 10 : 18). Als het één waarheid blijkt te zijn, waarom dan niet nog veel meer dat àndere!?
- Daarom wil ik nu wat zeggen over die mogelijkheid van een overwinning van deze d i a b o l i s c h e vraagstelling, waaraan wij dreigen ten onder te gaan.
Wat betekent het als wij in de Bijbel lezen van een val van de d i a b o l o s ?
Wie brengt hem ten val? Wie brengt zijn vraag tot een oplossing? In ieder geval niet wij!

En laat ik er dan nu allereerst volle nadruk op mogen leggen, dat ons in de Bijbel en door Christus Zelf gezegd wordt, dat de problematiek, die is samengevat in het woord Bevrijding, door mensen niet overmeesterd, laat staan opgelost kan worden. Het d i a b o l i s c h e in deze vraag is, dat zij ons door de leugenvorst als een menselijke opgave voor de voeten wordt geworpen. Wij allen struikelen en vallen aan de Bevrijding als menselijke opdracht! Met nadruk zeg ik: wij allen. En daarbij neem ik de woorden "struikelen en vallen" zo letterlijk mogelijk. Want ieder, die gaat proberen de problematiek der bevrijding als een menselijke opgave aan te vatten en op te lossen vertilt er zich aan en bezwijkt er onder. Wat hij bereikt is altijd een caricatuur van wat hij als ideaal beoogde.
Zo liep de Liberté (Vrijheid) en Egalité (Gelijkheid) van de Franse revolutie uit op het guillotine-regime der Jakobijnen.
Zo mondde de afwerping van het Russische Czaren-juk uit in de Gulag-archipel, waar Solsjenitzyn over schreef. De oprichting van de vrije staat Israël liep over de bittere weg van de strijdmethoden der Hagana. De Palestijnse bevrijdingsorganisatie zoekt haar doel te bereiken door middel van vliegtuigkapingen, gijzelingsacties en térreurdaden. Het bevrijdingsleger van Vietnam .baant zich een weg naar het Zuiden met mortieren en raketten, en jaagt daarbij een miljoenenhorde van wanhopige, ontheemde, hulpeloze vluchtelingen voor zich uit.
Voor zoveel tranen en leed zijn geen woorden!
Het d i a b o l i s c h e in de Bevrijding is dus, dat zij ons door de vader der leugen en als menselijke opdracht voor de voeten wordt geworpen. Het d i a b ol i s c h e openbaart zich hierin, dat menselijke bevrijding heengaat door afgronden van leed, angst en rouw. En wat zij bereikt, is nimmer bevrijding, maar louter een verschuiving van het onrecht, de armoede, de onderdrukking. Wat tevoren onder was, komt nu boven. Wat eerst boven was, komt nu onder. Wat aan nieuwe vrijheid gewonnen werd gaat gepaard met het verlies van even wezenlijke waarden en vrijheden. Daarom ontstaat er geen staat, geen maatschappij, wier politieke en sociale bestaan niet van de aanvang af zwaar gecompromiteerd (in opspraak gebracht) is. In haar begin ligt reeds haar einde!

Iemand die dat heel scherp en diep beseft heeft, is de tegenwoordig zelden meer genoemde fijnzinnige, idealistische Elzasser Albert Schweitzer. Als theoloog is hij medicus geworrden, om naar Afrika te gaan en daar de lijdende zwarte bevolking te bevrijden van ziekte, armoede, ellende. Maar juist als medicus werd hij zich bewust van het fundamentele, onloochenbare, tragische feit, dat in deze wereld alle leven in strijd met zichzelf verkeert. Er is op aarde geen leven, geen gezondheid, geen vrijheid dan... ten koste van het leven van andere levens.

Leven is immers gegrond op lijden, op sterven. De natuurlijke levenswil van de enkeling en het bestaansrecht van volken kan zich niet doorzetten dan door de vernietiging van levens.
Schweitzer deed die ontdekking als christen en door de Bijbel. Maar daardoor onderkende hij de principiële onoplosbaarheid van de problematiek der Bevrijding.
Bevrijding kan nimmer een menselijke opgave zijn.
Ik meen, dat wij de betekenis van deze bijbelse ontdekking niet licht te hoog kunnen aanslaan. Hier ligt een kruispunt van wegen. Hier scheiden zich de geesten. Door deze ontdekking is Schweitzer immers die nederige, ootmoedige, wijze, voorzichtige werker geworden in dienst van de lijdende mensheid. Terwijl daartegenover een figuur als Tolstoj zich nimmer bij die bijbelse ontdekking heeft kunnen neerleggen. Hij is de fanatieke, felle, protesterende revolutionair gebleven.
Hoezeer de geesten juist op dit punt uiteengaan, is door de Russische schrijver Dostojevski op een aangrijpende wijze beschreven in zijn boek: De gebroeders Karamazov. In dat boek stelt hij tegenover elkaar de broers Iwan en Aljoscha Karamazov. De taal, die Iwan spreekt, is hard, meedogenloos beschuldigend, fel.
Hij weigert de Bevrijding van de mensen anders te zien dan als een menselijke zaak. En omdat hij het ziet als een menselijke opdracht, accepteert hij het, dat er bloed vloeit, tranen vallen, koppen gekloofd worden. Hij wil immers liever het aards-menselijke rijk der vrijheid dan het hemelse paradijs. En als Aljoscha dat hartstochtelijk requisitoir van zijn broer Iwan heeft aangehoord, fluistert hij ontzet: "Maar dat is opstand!"

In de figuur van Iwan laat Dostojevski ons de d i a b o l i s c h e werking zien van de bevrijdings-problematiek. Die d i a b o l i s c h e werking bestaat eruit, dat wij de bevrijding gaan zien als een menselijke taak en opgave. Dan bewerkt die vraag in de mens: verharding, fanatisme en opstand. Daartegenover toont Dosrojcvski ons in Aljoscha, wat de immense (onmetelijke) betekenis van waarde van het geloof is. Het geloof gaat door de Bijbel inzien, dat Bevrijding nimmer een menselijke opgave kan zijn. Het woord Bevrijding raakt immers de fundamenten van schepping en geschiedenis, van mens en wereld. De problematiek der Bevrijding kan alleen worden opgelost van Boven af, door Godzelf. Bevrijding is er alleen als goddelijke vergeving en verlossing. Daarom is het rijkste wat in het heden alreeds van de Bevrijding ervaren kan worden, dat het menselijke geweten van die d i a b o l i s c h e en obsederende vraag ontheven is, doordat het de zaak der Bevrijding aan God heeft overgedragen.
Die ervaring maakt niet blind en ongevoelig voor de noden van mensen en volken. Maar wèl is het vanuit die ervaring onmogelijk, om naïef, optimistisch en fanatiek zich te scharen in de gelederen van welke politieke, sociale organisatie ook, die het woord Bevrijding in haar vaandel heeft geschreven. Tegenover de noden van mensen en volken maakt die ervaring veeleer wijs, inzichtig, voorzichtig, nederig en bovenal ootmoedig.
Zij behoedt voor elke vorm van Farizeïsme. Zij stelt zich niet boven noch tegenover de anderen. Kortom zij leeft uit de grote ontkenningen van 1 Corinthiërs 13: "De liefde ijvert niet, zij praalt niet, zij laat zich niet ophitsen, zij zoekt het hare niet, zij wordt niet verbitterd, zij rekent het kwaad niet toe ... ".

Meld je aan voor onze gratis nieuwsbrief