De laatste Opbouw-vergadering
1975-05-23
De landelijke Opbouw-vergadering van 19 april jl. heeft mij nog eens weer geleerd, hoe men zich in zijn verwachtingen kan vergissen.- Jaargang 19
- nummer 21
De opkomst was goed, er was verblijdend veel jeugd. Men bleef ook algemeen tot aan het einde van de vergadering. Dat zijn positieve dingen.
Maar eerlijk gezegd had ik bij het programma-punt 'redactie-beleid' een meer zeggende confrontatie verwacht. Er is zo nogal het een en ander geschreven in de afgelopen jaargang van ons blad. Stof genoeg voor indringende discussie, zou men drenken. Waarom bleef die uit? Het argument, dat de tijd daarvoor te kort was, is niet erg krachtig. We zijn wel eens vaker op een dergelijke vergadering een gesprek begonnen, dat dan wegens tijdgebrek op een andere dag en op een andere wijze werd voortgezet.
Praktisch alle aandacht viel nu op de rubriek van mijn geacht mederedaktielid, de heer Milo. Nu is deze in de regel een zeer onderhoudend schrijver, wiens bijdrage ik niet graag zou missen, maar zijn stukken hebben, wals hij zelf pleegt te zeggen, iets feuilletonachtigs.
Is het dan niet een beetje onnozel als in een ontmoeting van de redaktie met de lezerskring het gesprek voornamelijk daarover loopt?
Ik heb mij afgevraagd, wat de oorzaak daarvan zou kunnen zijn, en meen ook in staat te zijn wat materiaal voor een antwoord op deze vraag aan te dragen.
Opbouw heeft in de laatste tijd op een zere plek bij ons gedrukt.
Die zere plek is onze identiteit.
Wie zijn wij eigenlijk? Uit ervaring weet ik, dat deze vraag in de gesprekken meestentijds ontweken wordt of als er over gesproken wordt, dan meestal in wrange grapjes (vogel-vrijgemaakt i.p.v. vrijgemaakt, bijvoorbeeld). Juist die galgenhumor laat zien, hoe pijnlijk het punt van onze identiteit ligt.
Tegelijkertijd is er een reactionaire ruimheid van kerkelijk denken en handelen naar verschillende kanten. Op zichzelf is dat een verademing tegenover het kerkelijk isolement waar we zo lang in opgesloten hebben gezeten. Maar ruimheid alleen schept geen identiteit.
Het is toch wel fijn te weten, wie je zelf bent, als je met anderen samenwerkt. Je moet namelijk in de samenwerking iets te bieden hebben. De anderen moeten beter van je worden. Ze worden niet beter van onze frustraties.
Opbouw heeft het zich nu de laatste tijd tot taak gesteld, aan deze verlegenheid iets te doen. Daarbij mag niet gerekend worden op overhaaste bijval. Het is al mooi als er naar geluisterd wordt. Als het om deze reden op de Opbouwdag een beetje stilletjes was rondom het redactiebeleid kan iedereen daar vrede mee hebben.
Maar er is nog iets anders. Als ik me niet vergis, zijn er lezers, die het Opbouw nogal kwalijk nemen, dat er de laatste tijd wel eens iets polemisch in geschreven wordt.
En dat is dan geen polemiek naar buiten toe, maar binnenwaarts.
Aan polemiek over de grenzen zijn onze mensen wel gewend. Wij vrijgemaakten zijn ons daar in het verleden overmatig aan te buiten gegaan. Het was ook veelszins de strijd naar buiten die ons aan een gevoel van saamhorigheid hielp.
Totdat het niet langer verborgen kon blijven dat de vrijgemaakten ook onderling het niet in alles met elkaar eens waren. En met dezelfde scherpe wapens als die in de strijd naar buiten toe dienst gedaan hadden, gingen we toen elkaar bestoken. Daar is toen kerkscheuring van gekomen. Sindsdien associëren de mensen polemiek met kerkscheuring. "Moeten we dan nog verder snipperen?"vragen zij zich verbijsterd af. als ze maar in de verte iets van polemiek ruiken. Begrijpelijk.
Opbouw wü nu laten zien, dat polemiek in de zin van respectvolle gedachtenwisseling met buitenstaanders en medestanders mogelijk moet zijn. Daarvoor moeten dingen geleerd en afgeleerd worden.
Om iets te noemen. Polemiek is niet de christelijke variant van het spaanse stierengevecht, waarin voor het oog van een hysterische menigte óf de stier óf de toreador buiten gevecht gesteld wordt. Polemiek is niet, of voorzichtiger gezegd - behoort niet te zijn de geestelijke evenknie van het harder wordende voetbal. "Wie niet polemiseert, is niet bekeerd", zei Klaas Schilder destijds in een puntig, misschien wel te puntig gezegde: Ik zou hem in zoverre wilmen bijvallen, dat polemiek inderdaad iets met bekering te maken heeft. "Zet, Heer, een wacht voor mijne lippen"zoals de oude berijming van Psalm 141 zingt. Laat de inkt van mijn ball-point niet té gemakkelijk vloeien. Want je insinueert zo gauw. Je bent er zo snel bij, de ander kwade bedoelingen toe te schrijven, Je trekt uit iemands woorden te haastig conclusies waarvan de liefde behoorde te weten, dat ze onzinnig zijn.
Maar als het dan zo moeilijk is, waarom doe je het dan? Is het wel nodig? We zijn toch veel te klein geworden om de vinger te leggen bij onderlinge verschillen?
Hier raak ik aan het meest zere punt. De zaak is dat wij moeten leren met verschalden om te gaan.
Daarin zijn wij niet erg bedreven.
Wij blazen verschillen op of wij verdoezelen ze. Maar ze gewoon signaleren en er dan een rustig gesprek over trachten te voeren, nee, daar zijn we niet sterk in.
We worden dan zenuwachtig omdat we menen, dat we om samen kerk te zijn, het over alles een:s moeten wezen, Hetgeen gelukkig niet waar is. Ook bij verschil van mening op allerlei onderdelen, kun je wel degelijk eensgezind zijn, "één in liefdebetoon, één van ziel, één in streven" (Fillip.2 : 2).
De periode van het opblazen van verschillen ligt achter ons. We zijn allemaal gesproken van de ongelukken, die dat geeft. Nu zijn we in de reactie van het verdoezelen terecht gekomen. Alsjeblieft, zwijg over verschillen! We kunnen ons geen nieuwe debacle veroorloven!
Zo bouwen we eenheid op angst. Maar eendracht uit vrees is niet te vertrouwen, zei de wijsgeer Spinoza.
Wij moeten met verschillen leren omgaan. Ik voor mij vind het helemaal niet zo vreemd, dat in deze verwarrende tijd christenen onderling aarzelen over die antwoorden, die gegeven moeten worden op vragen die men stelt. Ik denk, dat zelfs de juiste vragen alleen maar langs de weg van echte discussie boven tafel kunnen komen.
Het zou gewoon verdacht zijn, wanneer wij, die toch ook weer niet zó'n kleine groep zijn, op alle vragen dezelfde antwoorden zouden geven. Men zou dan terecht kunnen betwijfelen of de vragen wel echt gehoord en de antwoorden wel heus overdacht zijn. Verschilden hebben soms hun nut.
"Wenn mr im Suohen euch trennt, wird erst die Wahrheit erkannt" - gescheiden zoeken doet de waarheid vinden (Sc'hIi,1ler). Je moet natuurlijk met zo'n woord geen loodzware toepassingen gaan maken, maar dit is wel waar : als we allemaal in één zelfde schoolbank gaan zitten, worden we meer gedrild dan gevormd.
Ik heb nu de indruk dat de vrees die ik signaleerde ons op de Opbouwdag parten gespeeld heeft.
Ach, en dan zijn er ook wel dingen die die vrees begrijpelijk maken en versterken. We zijn allemaal door wat we hebben meegemaakt en door de spanning van de tijd, die we beleven, zo geagiteerd en gauw geprikkeld. Hebben we onszelf wel in de hand? Je loopt ergens warm voor en daar ben je blij om, maar tegelijk bang, dat een ander vindt dat je tè warm loopt. Zijn we niet allemaal gemakkelijk te bezeren? Echt niet enkel als vrijgemaakten, maar ook als christenen, als nederlanders, als westerlingen. We worden toch aan alle kanten bestookt door kritiek?
Is dat een sfeer voor een rustige discussie? "Laten we het onderling tenminste mooi houden, zo lang er nog van een 'onderling' sprake is."
Maar dan is er nog een factor, waarvoor minder begrip valt op te brengen. Wat laten wij elkaar verbazend gemakkelijk los! Is dat misschien de keerzijde van eendracht uit vrees? Er behoeft soms maar een kleinigheid voor te vallen, of, broeders, zelfs vrienden, kijken elkaar niet meer aan. "Ben ik dan uw tegenstander geworden u de waarheid zeggende?" vraagt Paulus aan die Galaten (4 : 16). Ja, als het maar de waarheid was, hoor ik terugkaatsen. Maar we nemen toch van elkaar aan, dat we de waarheid bedoelen te dienen?
Nog eens, we hebben niet geleerd, om te gaan met verschillen. Wanneer we ons over de binnenverbanders verbazen dat ze zo snel hum eigen verleden hebben vergeten en tot synodalisme vervallen zijn, laten we ons dan ook eens over onszelf verwonderen, dat verdraagzaarnheid en genuanceerdheid onder ons nog zo weinig voet aan de grond gekregen hebben.
En we hebben daar nog wel zó voor gepleit, Eerlijk gezegd, heb ik de Opbouwvergadering niet erg ervaren als een dag van ons kerkvolk, maar meer als een dag van gelijkgezinden.
Niet naar aantal, maar naar samenstelling van de bijeenkomst heb ik er te veel gemist. Opbouw moet geen partij-blad worden en de Opbouw-vergadering geen fanclub-meeting. Ik zie het als een mislukking van het redactiebeleid, wanneer de bedoeling niet overkomt, dat wij een broederlijke discussie met allen willen. Want er is veel waar we het over moeten hebben met elkaar.