Handelingen 6 teleurstellend?
1975-06-06
We hebben het Pinksterfeest weer gevierd. We hebben preken gehouden en gehoord over Handelingen 2. We konden er niet onderuit het leven van de gemeente toen te vergelijken met het lieven van de gemeente nu. En we zullen vaak een gevoel van teleurstelling niet hebben kunnen wegwerken.- Jaargang 19
- nummer 23
Waar is dat leven, die bezieling, die kracht van vroeger gebleven is. Het is niet altijd onjuist teleurgesteld te zijn. Het is goed kritisch te staan tegenover het huidige bestaan en bestand van Christus' kerk. Wij behoren rekening te houden met de verschrikkelijke mogelijkheid van het bedroeven van de Geest en van het wijken van de grote Kracht van God.
Maar het kromt er welop aan waarop we dan onze aandacht richten, Wat is het nu precies dat ons teleurstelt en tot verootmoediging brengt? Als we daar niet nauwkeurig in zijn, dan zijn we alleen maar pseudo-kritisch en dan kunnen we elkaar alleen maar tot last zijn, omdat we zowel in het stellen van de diagnose als in het aanwijzen van de remedie hevig in de fout gaan.
De merkwaardige moeite van Hand. 6
Gemor bij de Grieks sprekenden tegen de Hebreeuws sprekenden!
Vanwege de verwaarlozing van de weduwen die tot het Griekse deel behoorden! Dat was het probleem.
Natuurlijk waren het allemaal Joden.
Aan de heidenzending zijn we nog lang niet toe. Maar je had in Jeruzalem Joden die hun gehele leven in het eigen land en in de heilige stad hadden doorgebracht èn je had Joden die uit de 'verstrooiing' gekomen waren om in de heilige stad hun levensavond door te brengen, daar te sterven en daar begraven te worden. Die laatste groep zat vèrder van de typisch Israëlietische haard verwijderd dan de eerste. Zij spraken om te beginnen veelal het Grieks dat was hun 'voertaal' geweest.
Zij hadden ook ongemerkt heel wat van de culturele achtergronden van "de volken onder de hemel"
meegenomen. Kortom, zij behoorden in Jeruzalem en in de Jeruzalemse gemeente tot de 'import', ook al waren zij Joden. En dat 'import-probleem' was heel wat groter dan wij' het kennen. Zodra taal en cultuur gaan meespreken wordt er 'n kloof zichtbaar, die zomaar niet te overbruggen is. En ja, dan gebeurt het. Zonder erg, zonder moedwil. Maar onvermijdelijk! De weduwen van de 'autochtone' bevolking zitten dichter bij het vuur dan de 'import'. Zij worden eerder en beter geholpen.
Vandaar het gemor!
Maar Pinksteren dan?
Kunt u dat verhaaltje hierboven eigenlijk slikken? Och ja, zo in het algemeen gesproken klinkt het aannemelijk.
Maar.... het gaat hier toch zeker om de gemeente van Pinksteren? Het gaat om de gemeente die in Handelingen 2 al genoemd is. Het gaat om de gemeente, die kort geleden nog maar die allerwonderlijkste ervaring heeft gehad: "wij horen hen in onze eigen taal van de grote daden Gods spreken" (2: 11)! Toen ging het niet eens om twéé talen - Hebreeuws en Grieks. Neen, àl die talen van die vele volken kwamen eraan te pas. Met één grote wondersprong bracht de Heilige Geest hen over alle barrières van spraak en taal heen! Op een manier die je haast uitbundig zou willen noemen. Met twee tulen zou het eigenlijk al opgelost zijn geweest. Maar het wonder gaat ver boven het minimum uit! Is in dat licht bezien het zesde hoofdstuk niet teleurstellend? We zouden het van ons uit best kunnen aanvaarden. Maar kun je het ook van hoofdstuk 2 uit aanvaarden?
Moeite met de problemen van taalverschil en culturele variëteiten!
Je kunt die moeite overal plaatsen behàlve in de Pinksterkerk!
De praktische oplossing
Wanneer iemand teleurgesteld is over het probléém van Hand. 6, dan zal hij het waarschijnlijk ook zijn over de oplossing! Die oplossing i:songetwijfeld heel praktisch.
Maar weer: Zo is het van ons uit.
Maar zou je vanuit Handelingen 2 niet iets anders hebben verwacht?
De apostelen zeggen tegen de gemeente, dat zij zèlf niet de gelegenheid kunnen vinden het verzorgingswerk naar behoren waar te nemen. Zouden zij dat toch willen doen, dan zou hun arbeid in het Woord eronder moeten lijken, Daarom moeten er zeven broeders worden aangesteld, die speciaal hun werk zullen maken van de bediening der tafelen. Dat is zeer nuchter. Maar is er geen tegenstelling met het tweede hoofdstuk?
Daar tilde de Geest de gemeente in een wondersprong over de problemen heen. Maar hier overwegen de apostelen, dat zij niet moeten proberen verder te springen dan hun stok lang is! Het lijkt all es zo weinig 'Geestelijk'. Een dergelijke redenering zou je toch eigenlijk ook in een bedrijf, een organisatie, een, doodgewoon wereldlijk verband kunnen verwachten. Is de Heilige Geest hier niet de grote Afwezige?
Waar is de Heilige Geest?
Neen, afwezig is de Heilige Geest in dit ovenleg en in deze praktische oplossing toch allerminst. Er moet immers omgezien worden naar zeven mannen, .. "vol van Geest en wijsheid". En de handoplegging wijst toch duidelijk op een aanstelling van Godswege. Terwijl het gebed uiteraard de bekrachtiging door de Geest tot alle dienstwerk als inhoud heeft gehad. De Heilige Geest was er echt bij! In die nuchtere en praktische regeling!
Blijkbaar is er toch geen tegenstelling tussen het tweede en het zesde hoofdstuk!
Het grote gebod
Hebben we in die overgang van Handelingen 2 naar Handelingen 6 niet te doen met een orde in Gods werken die we vaker tegenkomen?
Werkt de HERE niet aan op de gehoorzaamheid aan het grote gebod?
Dat zegt ons immers, dat we de HERE onze God zullen liefhebben met ons ganse hart en met geheel onze ziel
en met geheel ons verstand. Al onze mensenkrachten
worden opgeëist!
In de woestijn leefde Israël van het wonder - manna uit de hemel, water uit de rots. Toen waren heel wat mensenkrachten uitgeschakeld.
Israël kon met zijn werkkracht eigenlijk niets beginnen.
Maar in Kanaän moeten de door God gegeven handen weer uit de mouwen. Daar moet de boer wel degelijk zijn verstand gebruiken en de tijd van zaaiing en oogst goed in het oog houden. Maar ...
in dat alles moet hij de woestijnlès in het oog houden: Ik mag zaaien en planten en het hele boerenwerk verrichten, maar God is het die de wasdom geeft! Onze handen - Uw hand, 0 God. Dat is de werkelijkheid van het verbond.
In Handelingen 2 regeert de wondersprong.
Zij spraken zoals de Geest het hun gaf uit te spreken.
Die 'tong-woorden' waren niet het produkt van denken en overwegen, Het wonder! Maar in Hand. 6 zien we heel duidelijk de inschakeling: praktisch overwegen, beleid, nuchtere oplossing, het gebrutken van het gezonde verstand.
Maar de les wordt vastgehouden: Wij mogen ook in praktisch opzicht planten en zaaien, iets nieuws opzetten in de dienst, maar ...
God de Heilige Geest is en blijft de grote Kracht Gods, die de wasdom geeft! " ... vol van Geest en wijsheid' ... " - de handoplegging - het gebed. God schakelt mensenkrachten in zonder Zichzelf ook maar enigermate uit te schakelen!
Geen valse tegenstellingen!
Praktische regeling Of het wonder van de Heilige Geest?
Ambtelijk dienstwerk Of het werk vanuit de bezieling door de Geest?
Mensenarbeid Of het werk van God?
Ziedaar een serie tegenstellingen die zich niet verdragen kunnen met de onderwijlzing van Handelingen 2 en 6. Het zijn allemaal tegenstellingen drie wèl thuishoren in een concurrentieschema maar niet in het verbond. Wèl in de gedachte "Of God of ik" maar niet in het echte Geestelijk leven, het leven uit de Geest, Maar de ellende is telkens weer, dat wij deze tegenstellingen dènken!
Dan wordt ons geloof vertroebeld.
En dan kómen die tegenstellingen er ook. Dan zie ik me gedwongen alle menselijke arbeid en regeling af te breken om God door zijn Geest te laten werken!
Of ik gelóóf in mijn werk, mijn regeling, mijn opzet, maar niét meer in de HERE die het doet!
In beide gevallen de aoncurrentiegedachte en niet meer het verbond!
Bij de wieg van de ambtelijke dienst van Handelingen 6 staat de Heilige Geest. Bij die wieg staat ook het praktisch overleg, het gezonde verstand, dat geheiligd is tot Gods dienst.
Teleurstelling?
Ik moet kritisch zijn. Iik mag nooit in feite teleurgesteld zijn over dat zesde hoofdstuk van Handelingen, dat wil zeggen: over het gewóne in de kerk! Over de orde in de dienst, over de geregelde ambtsbediening.
En ik mag ook zeker niet het ontbreken van buitengewone dingen in de gemeente gebruiken als een 'alibi' voor mijn gebrek aan ijver in het gewóne.
Al in Hand. 2 komen we zoiets gewoons tegen als "het volharden bij het onderwijs der apostelen en de gemeenschap, de breking van het brood en de gebeden" (42). Als het ons aan dat volharden, aan een "vaste geest" daarin (Ps, 51: 12), gaat ontbreken, waarover moeten we ons dan nog verbazen? Je lijkt dan op een Israëlitische boer, die aan het zaaien en planten het land heeften onderwijl zit te smachten naar het mannawonder! We moeten beginnen bij het begin: Handelingen 6 - het grote gebod het gewóne Gééstelijke leven.