Cornelius van Til tachtig jaar (2 - slot)
1975-06-06
De vorige keer hebben we een en ander geschreven over de persoon en de plaats die Van Til innam en inneemt, nu vragen we aandacht voor zijn werk.- Jaargang 19
- nummer 23
Ter gelegenheid van zijn vijf en zeventigste verjaardag, tevens het moment van zijn veertigjarig jubileum als professor aan het seminarie in Philadelphia, is een gedenkboek verschenen met bijdragen van een groot aantal vrienden en leerlingen, Het is verschenen onder de titel: "Jerusalem en Athene." 1) Het bevat zoals in de ondertitel staat, niet maar bijdragen van wetenschappelijke aard, maar ook een kritische discussie over de theologie en de apologetiek van Van Thl. Aan de discussie neemt Van Til in dit boek persoonlijk deel. Hij doet dat in de antwoorden die in het boek staan opgenomen na de bijdragen van ten eerste H. G. Stoker, de wijsgeer uit Potchefstroom, ten tweede na die van Dooyeweerd en. ten derde na die van Berkouwer. Deze laatste bijdrage handelt over het gezag van de Schrift. Ik noem deze drie met name omdat deze drie in ons land verreweg de grootste bekendheid genieten.
Van Til geeft ook respons op de artikelen van andere bijdragers zoals op die van Paul K. Jewett over Christus, christenen en Joden; op die van R. K. Knudsen, van prof. J. P. A. Mekkes, R. J. Rushdoony, G. R. Lewis, U. W. Montgornery, C. H. Pinnoek, A. F. Homes en F, R.
Howe. Deze discussie maakt het boek niet alleen zeer boeiend maar ook zeer belangrijk. Het geeft een helleboel informatie met betrekking tot Van Til's uitgangspunt en methode van apologiseren. Er zijn ook bijdragen opgenomen van C. Trimp, van S. U. Zuidema, van Herman Ridderbes. W. L. Lane, G. B. Weaver, C. Gregg Singer, eh. M. Horne en W. Stanfor d Reid. Een belangrijk en omvangrijk werk (ongeveer 500 bladzijden). Het bevat een volledige lijst van al de publicaties die van de hand van Van Til zijn verschenen tot op dat jaar. Dat zijn er niet weinige.
Laat ik enkele van z'n meest bekende boeken mogen noemen, Ongetwijfeld is in ons land het best bekend zijn boek over K. Barth, "De nieuwe vrijzinnigheid". De eerste druk verscheen in 1946; latere drukken verschenen in de zeventiger jaren. Dit boek bevat een waardering van de theologie van Barth en Brunner. Van Til heeft gepoogd aan te tonen dat de wijsgerige vóór-onderstellingen van de theologie van deze mannen dezelfde zijn als de vóór-ondersteläingen van de vrijzinnige theologie namelijk de wijsbegeerte van 1. Kant. 2) In 1947 verscheen zijn Gemene Gratie, een herdruk van drie artikelen in The Westminster Theol. Journal, waarin hij een poging doet Kuypers werk met betrekking tot deze zaak op de meest sailliante punten in het licht te stellen.
Daarbij houdt hij zich ook bezig met de toen laatste discussies over deze zaak o.a. met de beschouwing van H. Bavinck en V. Hepp, K. Schilder en H. Hoeksema.") In zijn Christendom en Barthianisme hebben we zijn tweede grote werk betreffende de nieuwe vrijzinnigheid of de nieuwe orthodoxie. Met zijn boek "Het grote debat" van 1970 beweegt de schrijver, toen 75 jaar oud, zich nog steeds in de grote centrovers tussen Schriftuurlijk bijbels christelijk geloof en het ongeloof. Hij heeft in dit boek gepoogd aan te tonen dat de discussie moet worden gevoerd op de weg van Augustinus. Augustinus heeft uitgewerkt dat de Stad Gods en de Stad van de mens radioaai tegenover elkaar staan in hun totale perspectief met betrekking tot de loop der geschiedenis. 4) Dan noem ik als laatste grote werk zijn: De nieuwe hermeneutiek. 5) Dat kon nog niet worden vermeld in het gedenboek "Jerusalem en Athene". Het verscheen vorig jaar (1974). Daarin bespreekt hij de nieuwe hermeneutische opvattingen van mannen als E. Fuch en Gerhard Ebeling, John Dillenberger. Fritz Buri en Schubert M. Ogden. Hij wijdt een hoofdstuk aan de opvattingen van H. M. Kuitert. Zeer kritisch. Hij bespreekt Zuidema over het moderne humanisme en in een slothoofdstuk wat hij noemt de nieuwe hermeneutiek van Holland. Daarin de opvattingen van Herman Wiersinga, G. P. Hartvelt, J. L. Koele, F. J. Baarda en C. Augustijn. Hij ziet bij al deze figuren in meerdere of mindere mate aanwezig een poging tot 'n
synthese tussen een theologie die gebaseerd is op die van de reformatoren en een theologie die gebaseerd is op de filosofie van Kant. Deze synthese noemt hij een monsterachtige zaak redelijk en geestelijk gesproken. In deze synthesepoging is noch Kant noch Calvijn de werkelijke overwinnaar. Het resultaat acht háj een vernieling van een redelijke grondslag voor menselijke uitspraken.
Dit zijn enkele van de boeken van Van Til. Het is een zeer onvolledig lijstje en de keus die ik deed is vrij willekeurig. 6) Naast zijn boeken wijs ik op de vele syllabi. Syllabi zijn overzichten van de behandelde of van de te behandelen stof voor de studenten. Deze zijn niet gedrukt maar in een soort offset-druk verschenen zoals dat in Amerika .gebruikelijk was en is. In "Jerusalem en Athene" staat op bladz. 498 een lijst van de overzichten afgedrukt, Ze zijn voor privé gebruik bestemd en mogen niet als gepubliceerde werken worden aangemerkt.
Deze syllabi hebben hun weg echter gevonden ver buiten de kring van de studenten, door de Ver. Staten heen, tot in het Verre Oosten en met name tot in Korea en Japan toe.
Dan heeft Van Til vele lezingen gehouden in de loop der jaren zowel in Rooms-Katholieke, Joodse, fundamentalistische, vrijzinnige als Calvinistische instellingen. Van Til was echt gereformeerd, maar niet eenkennig.
In zijn lezingen komt zijn bewogenheid om de zielen van zijn hoorders, het leven van de kerk en de ere Gods door met een hartstocht en liefde die niet zo duidelijk is op de gedrukte bladzijden. Zijn ontwapenende persoonlijke warmte en zijn eenvoudige nederige houding en voor alles zijn toewijding aan Christus en Diens kerk, en zijn heldere, huiselijk uiteenzettingen hebben hem een gunstig onthaal bezorgd onder die velen, die hij niet zou hebben bereikt met zijn gecompliceerde en wijsgerig georiënteerde bewijsvoeringen van zijn syllabi en boeken.
Het moet en mag gezegd dat Van Til met zijn geschriften die diep en logisch sterk zijn en die ook vol zijn van een profetische urgentie zich niet zo vele bondgenoten heeft verworven. In deze eeuw van oecumeniciteit is hij hinderlijk en opzettelijk buiten de mode. Hij handhaaft sterk, dat de christenen moeten voortgaan, en dat de niet-christenen
moeten beginnen, elke gedachte gevangen te geven aan de gehoorzaamheid
aan de Christus der Schriften. Dat betekent dat hij eigenlijk uitgerangeerd is. Zijn waarschuwingen tegen het parasiteren op de wijsheid der wereld door de kerk, hebben zijn lezers verdeeld in gelijk op énerzijds onvermurwbare vrienden en anderzijds even felle vijanden, aldus E. R. Geehan, de eindredacteur van "Jerusalem en Athene". (vii)
Boven sprak ik van de boeiende discussies in "J erusalem en Athene".
Th: wil één van deze discussies met name vermelden, dat is die tussen Dooyeweerd en Van Til. Dooyyeweerds bijdrage heet: "Cornelius van Til en de transcendentale kritiek van !het theoretisch denken". De zaak is deze, dat Van Til van deze wijsgerige methode die Dooyeweerd aanduidt als transcendentale kritiek van het theoretisch denken, niet veel moet hebben. Hij is van mening dat dit punt. een purrtvan het allergrootste gewicht is. Naar zijn mening moet een werkelijk christelijke apologetiek de hele inhoud van het bijbelse onder richt als vóór-onderstelling van de mogelijkheid van het doen van menselijke uitspraken over God, wereld en mens, mee inbrengen. Dit noemt Dooyeweerd transcendente kritiek. Transcendente kritiek zegt D. is het confronteren van b.v. het christelijk geloof met de resultaten van de moderne wetenschap en met de verschillende wijsgerige systemen. Volgens D. is dit waardeloos ten aanzien van wetenschap en wijsbegeerte omdat het twee verschillende sferen met elkaar confronteert terwijl hun innerlijke punten van contact volledig in het duister blijven bij deze confrontatie.
Dooyeweerd staat een andere weg voor. Die andere weg noemt hij niet de transcendente, maar transcendentale kritiek van het theoretisch denken. Deze transcendentale kritiek van het theoretisch denken heeft volgens D. aangetoond dat en waarom echte zelfkennis in zijn bijbelse betekenis d.w.z. in afhankelijkheid van echte kennis van God, in zichzelf van een niet begripsmatige aard is. De reden dat dit zo is, is dat able begripsmatige kennis in zijn analytische en inter-mondiale synthetische karakter het menselijk "ik" veranderstelt als zijn centrale referentie punt. Dit moet per konsekwentie van een boven-mondiale aard zijn en derhalve is het niet vatbaar voor logische analyse. Dit betekent weer niet dat het menselijk zelf wordt geplaatst in een luchtledig tegenover alle begripsmatige kennis die we hebben omtrent elk ding. Het menselijk ik kan niet theoretisch worden gesteld tegenover begripsmatige kennis. aangezien het als het centraal referentiepunt van het laatste, elke theoretische analys transcendeert (overstijgt).
De lezer ziet dat het punt van verschil van subtiele, wijsgerige aard is en dat men om het in het vizier te krijgen het gebruik van Dooyeweerds wijsgerige begrippen en termen moet kennen in de eerste plaats, en vervolgens zijn denkweg moet kunnen volgen in de tweede plaats. Het is er ons niet om te doen in de discussie mee te spreken, maar om een indruk te geven van de problemen der apologetiek zoals dr Van Til deze met zoveel bekwaamheid, werkkracht en geloof zoveel jaren heeft beoefend.
1) Jerusalem and Athens critical discussions on the Philosophy and Apologetics of Cornelius van Til, edited by E. R. Geehan. Presb. and Ref. Publishing Co., 1971.
2) The New Modernism; An Appraisal of the Theology of Barth and Brunner; Presb. and Ref. Publishing Co.
3) Common Grace; Presb. and Ref. Publishing Co.
4) The Great Debate Today; idem.
0) The New Hermeneutics, idem, 1974.
6) We noemen nog: Christianity and Idealism en Christianity and Modern Theology; The Defense of rhe Faith (allen uit 1955); The Theology of James Daane; id. 1959; Christianity and Bathianism, id. 1962 met een herziene ed. uit 1965. The Case for Calvinism, ed. 1964. The Confession of 1967: its Theological Background and Edumenical Significanee, idem uit 1967. The Protestant Doctrine of Scripture, id. 1967.
Christ and the Jews id. 1968. A Christian Theory of Knowiedge; The Sovereignty of Grace: an Appraisal of G. C. Berkouwer's of Dordt, id. en A Survey of Christian Epistomology id. 1969. In 1970 nog Christian Erhics (In Defense of rhe Faith, vol 3) enz.