Het boek Daniël
1975-06-06
Lofprijzing van God- Jaargang 19
- nummer 23
Het laatste woord dat ons van Nebukadnezar bekend is, is het slotvers van hoofdstuk 4: Nu roem, verhef en verheerlijk ik, Nebukadnezar, de Koning des hemels, wiens werken alle waarheid en wiens paden recht zijn, en die hen die in hoogmoed wandelen, vermag te vernederen.
We kunnen niet zeggen dat de proclamatie, waarmee Babels koning zich tot zijn onderdanen richt, van grote bescheidenheid getuigt; het hele stuk zal dan ook wel dienst hebben moeten doen om alle volken, natiën en talen, die op de gehele aarde zijn - zoals de aanhef luidt - te laten weten dat Nebukadnezar weer helemaal terug is en dat niemand zich illusies hoeft te maken over een afbrokkeling van zijn macht; integendeel: Ik werd in mijn koningschap hersteld, ja grotere heerlijkheid dan vroeger werd mij geschonken; zo heet het in vers 36. Maar juist daarom spreekt het des te sterker, dat hij zich nu voor de tweede maal publiek moet uitspreken over de allerhoogste God die grote tekenen en machtige wonderen doet, wiens koningschap een eeuwig koningschap is en wiens heerschappij zich uitstrekt van geslacht tot geslacht.
Niet op elk moment van de wereldgeschiedenis maakt God zich zó duidelijk kenbaar als Hij dat gedaan heeft in die tijd, toen het voor Hem een verloren zaak scheen te zijn. Want het hele verhaal begint er toch mee te vermelden dat het gerei van het huis Gods door Nebukadnezar gebracht werd in de schatkamer van zijn god. (1 : 2).
Toen dat gebeurde zal er bij de koning echt nog geen erkenning zijn geweest, dat het de HERE was, die zowel Jojakin, de koning van Juda, als een deel van de schatten uit Zijn eigen huis in zijn macht had gegeven; het plaatsen van het gerei in de tempel van Mardoek betekent toch dat de God van Israël het onderspit heeft moeten delven en dat Babels god of goden oppermachtig zijn.
Israël heeft de Naam des HEREN niet geheiligd en dáárom heeft God zijn volk prijs gegeven. Maar Zelf heiligt Hij Zijn Naam onder de heidenen. Zo zal Hij ook blijven doen.
In de lofprijzing van Nebukadnezar is gewaarborgd, dat eens de tijd zal aanbreken, dat niemand er meer onder uit kan te erkennen dat de HERE God is en dat Zijn koningschap over allen en alles gaat. Groter tekenen en machtiger wonderen dan destijds heeft Hij gedaan in de zending van Zijn Zoon en in diens verrijzenis uit de dood; daarbij vergeleken is het herstel van Nebukadnezar uit zijn verstandsverbijstering nog maar een kleinigheid.
En eenmaal zal de tijd komen dat in de naam van Jezus alle knie zich zal buigen van hen die in de hemel en die op de aarde en die onder de aarde zijn, en alle tong zal belijden: Jezus Christus is Heer; tot eer van God, de Vader. Want de lofprijzing van God is het doel van de wereldhistorie. En dat doel w6rdt bereikt. In de glans van Gods koningschap zal alle glans van mensenheerschappij verbleken en slechts zij die vrijwillig de HERE hebben gehuldigd, niet geveinsd, maar met hun gehele hart, zullen zó door die glans worden beschenen, dat ze als rechtvaardigen zullen stralen gelijk de zon in het koninkrijk van hun Vader. Wie oren heeft, die hore (Matth. 13 : 43).
DANIEL 5
Hernieuwde hoogmoed
De hulde, die Nebukadnezar gebracht heeft aan de God des hemels geen werkelijke en blijvende verandering van de wereldmacht kunnen bewerken. Babel blijft Babel.
En daarom is de ondergang onafwendbaar.
Het eind voor Babel is gekomen als Belsazar de hoogmoed zo ver drijft dat hij de HERE hoont door het gouden en zilveren gerei, dat zijn grote voorganger - zijn vader in dynastieke zin - uit Jeruzalems tempel had meegevoerd te misbruiken bij een door hem aangericht drinkgelag. Bij het genot - of mogelijk ook: onder invloed - van de wijn, komt hij er toe om heilig vaatwerk te profaneren.
Zelfs onder de heidenen had men in de regel nog wel zoveel respect voor de goden van anderen, dat al wat aan de goden was gewijd nog enigermate als heilig werd erkend.
Maar Belsazar voltooid wat Nebukadnezar begon: de ontluistering van de Naam des HEREN.
Daniël herinnert aan hetgeen Nebukadnezar is overkomen en wijst aan dat Belsazar desondanks zijn hart niet heeft verootmoedigd, hoewel hij dit alles wist, maar dat hij integendeel zich heeft verheven tegen de Heer des hemels door Zijn tempelgerei te gebruiken bij een slemppartij. God, die zich overduidelijk als levende God heeft doen kennen wordt gehoond, en goden van zilver en goud, koper en ijzer, hout en steen worden geroemd. Ja, zo gaat dat! Uiterste hoogmoed en uiterste dwaasheid gaan hand in hand. Want wat is hoogmoed anders dan dwaasheid? Maar wel schûldige dwaasheid.
Nu komt voor Babel het eind. God heeft zich lankmoedig betoont en de hoogmoed niet direct met algehele ondergang bestraft, al was het al erg genoeg, wat Nebukadnezar is overkomen. Maar nu de hoogmoed wordt hernieuwd en ten toppunt wordt gevoerd, is er geen uitstel meer.
Babel heeft zich nu doen kennen in zijn ware aard. En nu doet ook de HERE zich kennen in zijn ware aard. Zijn lankmoedigheid is geen slapheid; maar Hij is traag tot toom. Maar als de maat van de ongerechtigheid vol is, is er geen uitstel meer. Zo was het bij de Amorieten (Gen. 15 : 16), zo was het bij Babel, zo was het bij Israël (Matth. 21 : 43) en zo zal het zijn aan het eind der dagen, (Openb. 18).
Gods geheimschrift
De overmoed van koning Belsazar is op een zeer bijzondere manier stuk gebroken. God laat met zich niet spotten. Plotseling verschijnt op de wand tegenover de plaats waar de koning is gezeten een hand, waarvan de rug en de vingers zichtbaar zijn en op de kalk, waarmee de muur is gepleisterd verschijnen geheimzinnige tekens.
Dat is voldoende om de koning volkomen van zijn stuk te brengen.
De hooghartige spotter blijkt toch maar een klein mens als God iets van Zijn majesteit laat zien.
Op beeldende wijze wordt getekend hoe het ingrijpen van God de mens doet sidderen. "Toen verschoot de koning van kleur, en zijn gedachten verontrusten hem, zijn heupgewrichten werden los en zijn knieën stieten tegen elkaar.
Het wordt nog erger als blijkt dat de bezweerders, waarzeggers en Chaldeeën, ondanks de uitgeloofde hoge beloningen onmachtig blijken een verklaring te geven van wat geschreven staat. Ze zijn zelfs niet in staat het schrift te lezen. Daarvoor is wat anders nodig dan menselijke geleerdheid.
God openbaart zich op velerlei.
wijze. Niet altijd zo indrukwekkend als toen in die feestzaal ten aanschouwen van een duizendtal aanwezigen, maar wel zo, dat de mensen aan de weet komen, dat ze met al hun kunde telkens weer met een mond vol tanden komen te staan. Alleen maar, Gods daden blijven onverstaanbaar, wanneer er niet een woord bij komt, waardoor de daden in hun ware zin worden aangewezen. Gods daden zijn er onmiskenbaar. De kerk belijdt dat door de schepping, onderhouding en regering der gehele wereld deze wereld is te zien als een schoon boek, waarin alle schepselen, grote en kleine, als letters zijn, die ons de onzienlijke dingen van God geven te aanschouwen. Zijn eeuwige kracht en Goddelijkheid, welke dingen alle genoegzaam zijn om de mensen te overtuigen en hun alle onschuld te benemen.
De letters zijn er en ieder kan het weten. Maar het blijft geheimschrift; de inhoud van de boodschap wordt niet bekend aan wie door eigen onderzoek tot inzicht komen wil. Slechts het profetisch woord onthult het raadsel.