Zendingsnieuws
1975-06-06
We gaan nog een keer op bezoek bij ds W. Pos, die in 1890 te Melolo was aangekomen en daar de arbeid in een Savoenese gemeenschap ter hand had genomen. In deze kampong, die ca. 7 ½ km ten Oosten van Mau Maru ligt, aan de Oostkust van Soemba, had tevoren ds Van Ailphen ook gewerkt en de gemeente telde daar 300 leden. Maar de afstand tot de bevolking bleef naar het gevoelen van ds Pos te groot en zij kon niet voldoende overbrugd worden door het gebruik van de Maleise taal, ofschoon velen die verstonden.- Jaargang 19
- nummer 23
Pos begon toen - en dat - was in die tijd heel modern - catechetish onderwijs aan kinderen te geven in de Savoenese taal en zelfs kwam hij zover dat hij bij doop en avondmaal die taal gebruikte.
Dat kon misschien ook wel. omdat telkens weer dezelfde uitdrukkingen gebruikt werden.
Maar verder durfde hij niet te gaan en dus was er in de wekelijkse diensten steeds een tolk, die zijn maleis vertaalde in het savoenees, Rond 1895 was het in Melolo en omgeving bijzonder onrustig. Een brand in de kampong, een inval van Soembanezen in de buurt, het doden van Savoenese opvarenden van een prauw, die op de kust strandde, dat alles was oorzaak dat een hang naar het heidendom zich meer en meer openbaarde.
Pos schreef in die dagen bij een ziek kind geroepen te zijn en terwijl hij medicijnen toediende en met de moeder om genezing bad waren de andere huisgenoten beaig een kip met rijst te offeren aan de marapoe (in dit geval een overleden vader. die ook zaak van de ziekte zou zijn). Dit voorval tekende de geest in de gemeente, zodat Pos verzuchtte: "hoe langer ik in de arbeid der zending ben, hoe meer ik zie en hoor, hoe moeilijker mij het antwoord wordt op deze vraag: hoe moet ik deze mensen. in wier midden ik woon, het Evangelie verkondigen? Gij kunt u niet voorstellen hoe moeilijk het is te arbeiden onder zulke mensen."
Streng optreden zou niet baten, zo ging hij verder. Enkel in de weg van geduld en vermaan zou langzamerhand verbetering bereikt kunnen worden. De grote moeilijkheid was hierin gelegen, dat men wel toestemde, dat het eigenlijk niet in orde was, maar bepaald als oude overtreding van Gods gebod, sprak het niet tot de consciëntie.
Daar kwam bovendien bij dat Pos bij de Soembanezen welhaast geen ingang vond. En daar hunkerde hij naar, want hij had dit echt als zijn taak gezien. Hij trok er daarom regelmatig op uit in de omgeving van 'Melolo. En dat kon in die tijd echt levensgevaarlijk zijn. Van zijn ervaringen schreef hij iets in een zendingsblad, maar de Nederlandse lezers (althans een deel ervan) klaagden, "dat er in de brieven van onze zendeling Pos zo weinig gevonden wordt over zijn arbeid in het Evangelie". Dat bedroefde Ros wel. Hij schreef terug "dat het een eerste vereiste is de taal te kennen, zaken en gewoonten te weten, opdat men met vrucht iets kan aanvangen en ten uitvoer kan brengen." En wat hij deed, in Melolo en in de omtrek zag hij als "voorarbeid", nodig eer men kan overgaan tot het zaaien van het evangeliezaad. Steeds weer, zo lezen we in een verslag, stond Ros voor de vraag: hoe kan ik die harde rotsbodem ontginnen, zodat ik gelegenheid heb om het zaad te zaaien. Tothij in aanraking kwam met een Soembanees, een zekere Titus, die als helper kon optreden.
In 1899 ging ds Pos met verlof naar Nederland en hij kon eerst in 1902 naar Sóemba terugkeren, omdat zijn gezondheid veel zorg gaf. Op het eiland aangekomen bleef het sukkelen en daarbij kwam dat de arbeid, tijdens zijn verlof onderbroken, veel moeite met zich bracht, De toestand van de gemeente was in de verlofperiode sterk verslechterd, Niettemin bleek zijn geloof sterk te staan in Gods beloften. Hij drong aan op uitzenden van meer en bekwame mannen: "komen er mannen om de Soembanezen het evangelie te brengen, dan zullen wij de Here danken; komen er geen mannen, dan zou ik wensen deze mensen (de Soembanezen) nooit gekend te hebben, want wáár ik ben, zal ik altijd aan hen blijven denken."
De macht van de wereldgeesten (Coll. 2) is groot. We weten dat.
En bij het nagaan van de geschiedenis van de zending zie je die macht groot en sterk en bezig tegenóver de genade, die de Here Zijn wereld aanbiedt.