Gelukkig wie gelooft!

2012-12-08
  • Jaargang 56
  • nummer 24
Wat moet het voor hen beiden een wonderlijke ervaring zijn geweest. Voor de oude Elisabet, zes maanden zwanger alweer. En voor de jonge Maria, net zwanger geraakt. Jong en oud ontmoeten elkaar (Lucas 1:39-45), in wat wij dan noemen ‘gezegende omstandigheden’. Maar zouden zij zich ‘gezegend’ hebben gevoeld zoals wij dat bedoelen?
De focus ligt bij Lucas heel ergens anders.

Maria verlaat snel haar huis en gaat op weg. Kon ze de dingen van God niet plaatsen? Bracht het haar in verwarring?
Wist ze niet wat ze tegen Jozef kon zeggen? En tegen verdere familie, vrienden? Of zocht ze een bemoediging?
Ik denk in ieder geval dat laatste. Maria pakt de hint die Gabriël had gegeven door haar over de zwangere oude Elisabet te vertellen direct op. Je proeft in dit hele gedeelte de hartelijkheid, de geloofsgemeenschap, de verwondering, het heilige vuur. Het zijn allemaal geuren die uit deze geschiedenis opwellen. En die elkaar versterken. En die ook ons willen raken.

Geloofsgenoten
Maria heeft het haast ongelofelijke gehoord. En dan zoekt ze steun bij een geloofsgenoot in de persoon van Elisabet.
Was die voor haar symbool van wijsheid, levenswijsheid, geloofswijsheid, een geestelijke moeder? Wat ze had gehoord, was voor haar bijna niet te bevatten. Immers, ze was een jonge vrouw, een meisje waarschijnlijk nog, ongehuwd zwanger. Niet te vatten, en zeker niet in haar eentje!
Ze beseft dat ze een ander nodig heeft. Zij kan en mag ontvangen.
De Heer geeft haar de gemeenschap. Hij geeft het ons ook. Want zeg nou zelf, kun jij, kunt u het kerstevangelie bevatten? Kun je dat in je uppie? Ik in ieder geval niet!
Wat is het kostbaar dat je geloofsgenoten ontvangt en wat kun je daarin veel voor elkaar betekenen. Misschien wel zonder het zelf te beseffen. Oftewel: ik hoor in deze gang van Maria een loflied op de christelijke gemeenschap, waarin de één zich geeft aan de ander.

Huppelend
Nu is het wel zo dat Maria naar een vrouw gaat die zich de eerste vijf maanden van haar zwangerschap afzonderde en zich dus gedurende die tijd onttrok aan de gemeenschap.
Had Elisabet dat nodig om te beseffen wat er aan het gebeuren was? Want voor haar was het een enorm gebeuren, een zeer lijfelijke ervaring! En dat moet je wel een plaats kunnen geven. Voor de één betekent dat veel praten, anderen opzoeken. Voor de ander is dan juist de rust en de stilte belangrijk. Maria doorbreekt die stilte en rust.
Wanneer Maria Elisabet groet, springt het kind in Elisabets schoot op. In de Griekse vertaling van het Oude Testament komt het woord dat Lucas hier gebruikt voor het ‘opspringen’ maar zelden voor. Eén van die keren is bij Maleachi. Bijna aan het eind van zijn profetie staat: ‘Huppelend als kalveren die op stal hebben gestaan zullen jullie naar buiten komen.’ Dat ‘huppelend’ gebruikt Lucas hier bij de beweging van het kindje in Elisabets schoot. En zo legt hij natuurlijk een link. In Maleachi is het een profetie, een verbeelding van uitbundige vreugde. Van vreugde over de heilstijd, over de schitterende toekomst, over de ‘laatste dagen’. Op z’n minst is hier de suggestie van Lucas: nu begint die tijd. Met dit kind komt er wat nieuws.

Heilige ark
Wanneer Elisabet zich verwonderd afvraagt waaraan zij het te danken heeft dat de moeder van haar Heer naar haar toe komt, dan heeft ook dat een sterke link met een oud bijbelwoord.
Toen koning David de ark van het verbond naar Jeruzalem wilde brengen, zei hij: ‘Hoe zou de ark van de HEER bij mij komen?’ En zoals de ark van de Heer toen drie maanden bleef in het huis van Obed-Edom, zo blijft hier de moeder van de Heer drie maanden bij Elisabet. De overeenkomst is te toevallig om niet bewust te zijn. Zoals God zich verbond aan zijn volk via de ark en zo onder zijn volk woonde, zo verbindt de HEER zich aan zijn volk via Maria. Sterker nog: woont hij onder zijn volk in en via Maria. Maria als een soort van ‘heilige ark’, een ‘heilige draagmoeder’. In haar wordt het Woord van God vlees.

Gelukkig
Ook al zo opvallend is wat Elisabet nog meer zegt. ‘Toen ik je groet hoorde, sprong het kind van vreugde op in mijn schoot’, zo zegt ze tegen Maria. En dan zou je verwachten dat ze in één adem doorgaat: ‘Gelukkig dat jij geloofd hebt dat de woorden van de Heer in vervulling zullen gaan.’ Maar zo zegt ze het dus niet. In plaats van dat ze het tegen
Maria heeft, heeft ze het tegen jou en u. Niet ‘gelukkig dat
jij geloofd hebt’ maar ‘gelukkig is zij die geloofd heeft dat de woorden van de Heer in vervulling zullen gaan’.
Het is alsof Elisabet tegen Maria spreekt en ineens beseft dat er een camera is en daarom zwenkt, van Maria naar de kijker, de lezer, de hoorder. Natuurlijk slaat het allereerst op Maria, zij heeft geloofd. Maar Elisabet trekt zonder haperen de lijn door naar ieder die dit hoort. Dus ook naar jou en mij en u. Gelukkig als je gelooft!

Dat is iets wat mij heel erg raakt, die nadruk op geloof. Bij Zacharias zie je eerst het ongeloof, het gebrek aan hoop.
Maria is, als zijn tegenhanger, vol verwachting, hoopvol. En hier dus dat woord van Elisabet: ‘Gelukkig wie gelooft.’ Advent beleven, toeleven naar de herdenking van Jezus’ geboorte: het kan. Maar het kan alleen als je gelooft. Als je met al je vreugde en verdriet, hoop en wanhoop gelooft en werkelijk op God wilt vertrouwen.

Ds. Mark Janssens is predikant van de NGK Utrecht.

Meld je aan voor onze gratis nieuwsbrief