Van bekpaip tot joekeboks
1974-06-28
Het oeroude Schotse muziekinstrument, dat weet u, is de doedelzak.- Jaargang 18
- nummer 25
In het Schots bagpipe genaamd; in het Keltisch piob mhèr, dat u als pÎepvóor uitspreekt. En als u mocht denken dat dit instrument zijn tijd gehad heeft, hebt u gelijk. Alleen moet u er dan bij weten, dat de bagpipe zijn nieuwe overwinningen is begonnen en zich opnieuw lange tijd staande zal gaan houden.
Tegelijk met het opleven van het Schotse nationalisme (weet u, dat Wilson aan Schotland eindelijk meer vrijheden beloofde in ruil voor een vermindering van de overvloedige zetels, die de Scotch National Party in het Brits parlement verwierf?) is de cultuur van het Keltisch, van de Schotse dansen, van de Schotse volksspelen en van de bagpipe weer sterk in opkomst. Sinds een tiental jaren kunt u tenminste drie Schotse leerboekjes kopen en wordt het Keltisch (geschreven Ghàdlig, uitgesproken Gaelic) facultatief op de scholen onderwezen.
Sommige advertenties luiden in het Keltisch; doodsberichten eindigen in een gaelic peroratie. En geen bruiloft of partij, geen sportfeest of begrafenis is denkbaar - zonder de versiering van de bagpipe.
Het lijkt dus alleszins aannemelijk, dat van huis uit ook de kerkdiensten op de bagpipe zijn begeleid; al is hier niet zo veel bewijsmateriaal voorhanden als voor de jachthoorn in het voormiddeleeuwse Frankrijk.
Maar 's lands wijs, 's lands eer; dat is door geen zendeling weg te redeneren. En zo zijn de Schotten vertrouwd met, getrouwd met hun bagpipe.
Om het duidelijk te stellen. De speelpijp (een schalmei, chanter genaamd) heeft twee rietjes en wordt gevoed uit een leren windrnagazijn, dat onder de linkerarm. onder druk wordt gebracht. Dat windmagazijn wordt met een simpele blaaspijp volgeblazen. Op dat magazijn staan ook nog drie pijpen, die grondtoon en octaaf tonen leveren; waardoor een orgelpunt wordt verkregen. Denk daar de Schotse rok, muts en kousen bij en noem de bagpiper dan in het Keltisch piobmorreach, uitgesproken als pieperik.
Vermoedelijk is de bagpipe ook het instrument voor bedelaars geweest in armer tijden. Zelfs nu nog staat aan het oorlogsmonument van Fort William een bagpiper te spelen, die star naar verre einders tuurt wanneer u een coin in zijn geldkistje stort. Zulk een Schot moogt u weliswaar geen bedelaar noemen (hij schijnt er geen erg in te hebben, wanneer u hem honoreert) maar je hebt alzo bagpipers in soorten. In vroeger eeuwen had ene Lemuel Cox Abrahamszoon ergens in Schotland een herberg. Bij de voordeur hing een perkament met strenge huisregels. Het hangt nu in onze keuken met het oog op lieden, die familiair achterom komen. Tussen die regels, dewelke gaan in de stijl van:
4 stuivers per nacht voor slapen alleen
6 stuivers met inbegrip van avondschotel
2 stuivers voor het stallen van een paard
niet meer dan 5 personen in één bed
geen laarzen aan in bed
geen honden in de keuken, enz. enz.,
komt ook de regel voor betreffende de vaders van hen, die de kerkorgelen bespelen:
organ grinders to sleep in the wash house!
Alstublieft. Orgeldraaiers moesten in het washok slapen. Kwamen het huis niet binnen. En dat werkwoord "grind". Het heeft iets met uitmergelen te maken. Die lieden mergelden hun gehoor uit; of ze haalden alles uit hun instrument; ofwel ze mergelden zichzelf uit in een beroep, dat geen zoden aan de dijk zette, dat tot op de huidige dag door veel kerken' als "liefdedienst" wordt aanvaard.
Maar van de bagpiper naar de kerkorganist is slechts een kleine pas.
Ook in Schotland is het kerkorgel doorgedrongen. Zij het laat en lang niet op continentaal niveau. Als wij hier denken aan Silbermann aan de Schnitgers, de Franse orgelbouwer Cavaillé-Coll, de Skandinavische school en eindelijk ook aan de Nederlandse klasse van oude en nieuwe orgelbouwers - dan heeft Schotland de boot wél gemist.
Niet alleen hebben de meest orthodoxe kerken het orgel krachtdadig uit de heilige hallen geweerd; maar bovendien trof ik orgels aan (van Oost tot Centrum tot West - van Edinburgh tot Inverness tot Tobermory) die onze Nederlandse organisten zeker niet in vervoering kunnen brengen. In de grote kerk van Edinburgh, waar de preekstoel van John Knox nog trouw wordt bezet, klinkt een machtig instrument, dat een bastaard van een bioscooporgel en een Amerikaans harmonium moet zijn. In Tobermory staat een positief je, dat lijdt aan chronische depressies en dat elke zondag ontstemd is over de weinige kerkgangers.
In Inverness - wel dat moet ik u vertellen.
In Inverness wemelt het van kerken; men is daar alleszins als godsdienstig, om met Paulus te spreken. Op advies van een politieman liepen wij de menu's van de kerken langs en vonden iets van onze gading. Een presbyterian church, zonder al te veel reclame; kinderoppas (dat zegt ook al wat), geschikte tijd en nog wat attracties, die ik vergeten wil zijn. Toen we de volgende morgen tijdig onze car hadden gestald en de straat overstaken, kwam een dame van onbestemde leeftijd met een wervende glimlach op ons toe. Maar toen ze ons een deur náást onze uitverkoren kerk trachtte binnen te loodsen lieten we haar hand los en gingen onzes weegs. Want die naaste deur ging over christian science of zo - en daar kwamen we niet voor.
We werden rijk beloond voor onze standvastigheid. Want behalve een preek die er zijn mocht, een goed gevulde kerk en de voorstelling aan de gemeente van een aantal nieuw ingekomen leden (de hele kerkeraad kwam in de benen om handen te schudden!) vonden we ook ... een heuselijk kerkorgel. Zelfs een met tongwerken. Het stond (we zaten bescheidenlijk achterin de kerk) op de galerij boven ons hoofd.
In het liturgisch centrum zat de organist, in toga, aan een speeltafel.
Electrisene tractuur dus. Zijn contact met het koor was derhalve direct; zijn leiding van de gemeentezang perfect; maar het orgel was bij tijden defect.
Dat bleek tijdens de geloofsbelijdenis. Het orgel kon zich niet bedwingen en een subbas-pijp begon aarzelend toon te geven. Het lukte: na enig spucken en zoemen kwam een diepe toon los. De organist merkte het later dan wij - duwde haastig een register dicht. Maar tijdens de collectezang. die in c grote terts stond, begon een es luidruchtig mee te zingen. Hoe de organist, die bedrijfszeker doorspeelde, ook met zijn registerknoppen manoeuvreerde - hij kreeg de hanger niet meer tot zwijgen, Zo hield het orgel tegen elk c-dur accoord een c-mol accoord vast. Een forse kerkruimte verdraagt dat wel: enig overspel tussen majeur en mineur.
Later maakte de predikant een vriendelijke opmerking over de moeilijkheid, die we vandaag moesten overwinnen; welke moeilijkheid niet door onze broeder-organist werd opgeworpen (een dankbare glimlach van onze broeder-organist) maar door het orgel. Ik dacht aan de grote Marcel Dupré, die in Haarlem zijn concert afbrak met een hanger en riep: ces bêtes orgues! (Een Fransman noemt zijn orgel niet mannelijk of vrouwelijk, maar meervoudig.) Ik dacht ook aan een hanger, die ik zelf eens in een kerkdienst kreeg en die niet weg te werken was. Naar ik meen heb ik de rest van de zang zodanig gespeeld, dat de hanger zo veel mogelijk als orgelpunt een positieve bijdrage tot de harmonisatie leverde; naar de wijze der bagpipes.
Maar pijporgels komen daar niet zo veel voor naar ik meen. Meer is het harmonium aan bod; bij voorkeur een Amerikaans instrument van ruim een eeuw oud, compleet met levende inventaris. Altijd windarm, altijd klagend en zuchtend - en in een royale kerkruimte toch altijd liefelijk om aan te horen. Er is altijd een organistenvacature; in elke kerk nodigt men u uit als organist mee te werken.
Maar er is erger kwaad onder de schaarse Schotse zon dan harmoniums.
De jukebox heeft officieel zijn intrede in de kerken gedaan!
In verschillende kerken maakte ik deze uitvinding van Beëlzubub mee: een soort speeltafel achter een opgesmukt orgelfront, een nepfront wel te verstaan, een discotheek, een stoel en wat luidsprekers.
Op zondag zit daar een discjockey in toga of zwart pak. Voor de dienst draait hij wat godvruchtige schlagers: plaatjes of bandjes met redelijke of onredelijke orgelreproducties. Komt er een Trinhpet Tune van Purcill tussen door, dan kijken kerkgangers elkaar vertederd aan.
De collectegeluiden worden eveneens overstemd door gewijde muziek uit blik. Is de collectant klaar, dan gaat de orgelklank fading away ...
en het aangekondigde koraal gaat klinken.
Jawel, ook koraalmuziek is geconserveerd verkrijgbaar, Men zingt gewoonlijk drie tot zes coupletten van een hymn. Het orgelbeest achter het nepfront zingt één couplet vooraf. Dan speelt het vlot drie coupletten met toenemende kracht; het laatste zelfs met tongwerk. Zijn de coupletten nog niet op, dan blijft het even stil. Tot de plaatwerker het begin van zijn plaat hervonden heeft en hem weer op volle toeren draait.
Jaja, daar gebeurt wat achter de schermen. Achter dat nepfront. Dat doet me denken aan een lelijk Maleis woord uit vroeger jaren. Toen werd dikwijls een nepfrontje gedragen door lieden, die zónder overhemd wilden doorgaan voor lieden mét overhemd. De Maleier noemde zo'n nepfrontje een pront je blazer. Pront je omdat hij niet frontje kon zeggen; en blazer omdat hij het juiste Nederlandse werkwoord niet herkende.
Toch - zo'n jukebox is misschien ook wel een geschikt toekomstbeeld voor ons. Wanneer de Nederlandse kerken meer prijs stellen op haarkloverijen dan op wat lieflijk is en welluidt; wanneer onder ons eenmaal het electronisch bedrog voor orgelklank wordt geslikt; wanneer ons kerkvolk volhardt in zijn acultureel "calvinisme"; wanneer straks al onze goede organisten zijn overgestapt naar functies of instrumentalistische loopbanen, waarin ze gewaardeerd en betaald worden ... dan zou ook hier een markt open komen voor broeders electrotechnici, die als discjockeys hun nachtmerries de sporen kunnen geven.