God zij geloofd om Kanaän

1974-07-19
  • Jaargang 18
  • nummer 26
Zonder die laatste woorden van Jozef zou het boek Genesis met een anti-climax eindigen. Eerst de schepping van hemel en aarde.
Eerst de aanzet van de geschiedenis der mensheid. Eerst de meest grandioze perspectieven.
Maar het eindigt tenslotte met het fragmentarische van één mensenleven, met het anekdotische verhaal van die ene onder miljoenen, Jozef, die sterft.

Het opvallende is dat Jozef zelf niet gevangen blijkt in de begrensdheid van zijn leven en zijn dood. Het mag voor mij dan afgelopen zijn, zegt hij tegen de mensen die weer één der hunnen zien wegvallen, - maar jullie hebben de toekomst. Want God vergeet jullie niet. God zal komen en God zal jullie brengen naar het land dat Hij beloofd heeft. Dat Hij reeds aan Abraham beloofde. En als Jozef Abraham noemt dan komt er ineens nog veel meer in het gezicht dan alleen maar het perspectief voor een gezin, een familie, een volk. Want Abraham was de man tegen wie God zei: Ik zal jou tot een groot volk maken.
En in jou zullen a l l e g e s l a c h t e n d e r a a r d e gezegend worden.

Voor Jozef mag het dan afgelopen zijn, maar God blijft op weg naar het heil van de wereld, God doet geen afstand van de hemel en de aarde die Hij maakte. God gaat door. Als het moet, door de steenovens én door de gasovens heen. Als het moet, door de Nijl en door de Rode Zee heen. Als het moet, door de verharding van de farao of door de keiharde realiteit van de verenigde Arabieren en van de Verenigde Naties heen.
Hij heeft toch gezegd, dat Hij op weg is naar het heil van de wereld.
Nu, dan kun je er ook op rekenen dat zelfs de ondergang dit heil van God niet kan verhinderen.

Net zo min - zegt Jozef - als mijn dood kan komen staan tussen mij en het heil van God.

Dat is misschien nog wel het meest wonderlijke van Jozefs laatste woorden.
Eerst: ik sterf, maar God zal naar j u l l i e omzien.
Dat kun je moeilijk anders uitleggen dan:
Voor mij is het afgelopen, maar jullie hebben de toekomst, Gods toekomst.


Maar toch... Toch heeft Jozef het zo niet bedoeld. Want als hij het over Gods toekomst heeft, dan ziet hij ook zichzelf die toekomst binnenwandelen. Als God straks naar Israël zal omzien, dan moet zijn gebeente meegenomen worden op reis, op weg naar Kanaän.
Als Israël straks het land der belofte binnentrekt, dan wil Jozef daar – hoe dan ook – bij zijn.
Hij wil er bij zijn als het heil komt, als God in Israël alle geslachten van de aarde gaat zegenen, als de bekroning komt van Genesis 1.

Het wordt niet of nauwelijks doorzichtig, hoe Jozef zich dat voorgesteld heeft. Maar in zijn woorden klinkt in elk geval iets door van tasten naar de toekomst, van een vermoeden - hoe vaag dan ook - van een vermoeden dat doodgaan in elk geval niet zeggen wil: het is afgelopen. Je moet me meenemen, zegt hij. Dat is een hand die zich - aarzelend misschien, maar toch niet in het ongewisse - uitstrekt naar God, de God van het beloofde heil.
God, die je roepen blijft, ook al lig je in je graf.
God, die verder gaat en jou met zich mee wil nemen, ook al moet jij zeggen: ik kan niet verder meer, want ik ga dood. God, voor wie zelfs de dood het eind niet is.
En als de dood voor God het eind niet is, dat is ook voor jou de dood het eind niet. God zal komen, láter. Ja, maar daaraan mag jij deel hebben. Gods wereldwijde perspectief blijft voor jou open, ook als de dood je ogen sluit. Gods scheppingswoord heeft niet voor niets geklonken. En Gods belofte aan Abraham blijft van kracht: ik ben jouw God en de God van je kinderen. God is niet een God van doden, maar van levenden.

Misschien kunnen we van Jozef nog iets leren. Hij bracht het niet verder dan een paar woorden over zijn gebeente dat meegenomen moest worden. Wat heeft hij geweten van Jezus, en van de wederkomst en van de laatste bazuin en van de woning van God die zal staan midden tussen de mensen op aarde? Maar in zijn dood bleef hij vasthouden aan God, de God van het begin, de God van hemel en aarde. Daarom kon hij, stervend, ons voorzingen van Kanaän en dus ook van "het lam, dat werd gezocht door Abraham."
Opdat wij, levend en stervend, gezond en ziek, vol verwachting of wanhopig, met hem en met alle heiligen zouden instemmen:

Zo zingen wij op hoge toon
van Kanaän en van Uw Zoon;
Uw woord is melk, Uw liefde honing.
Over de aarde waait de wind;
Uw adem maakt ons welgezind
om zingend in dit land te wonen.

Meld je aan voor onze gratis nieuwsbrief