Het delen van ons brood

1974-07-19
  • Jaargang 18
  • nummer 26
• Een schokkende vraag

Van alle kanten vraagt men ons ons (overvloedige) brood te delen met de behoeftigen van deze wereld.
Denk alleen maar aan de Sahèl-landen! Ik neem aan, dat men dat beroep niet tevergeefs op ons doet. Zou het niet onmenselijk zijn aan de doodsnood in deze wereld voorbij te leven en voorbij te eten? En toch beweegt zich op de achtergrond van onze hulpverlening een vraag die we als schokkend ondervinden en die ons in de betrachting van de meest vanzelfsprekende menselijkheid onzeker maakt.
We hebben gezien, dat we ons brood eten in een doodlopende straat, als we het losmaken van het Brood des levens, van Jezus Christus en die gekruisigd. Ons eten is zinloos buiten Hem om!
Dat was immers de betekenis van Joh: 6: 27 "Werkt, niet om de spijs die vergaat ... ". Maar heeft diezelfde overweging ook niet betrekking op het delen van ons brood? Het komt ontzettend vaak voor, dat we wèl de gelegenheid krijgen ons brood te geven, maar niet de kans de Goede Boodschap te brengen. Er kunnen landen zijn (en hoe langer hoe meer kómen), die geópend zijn voor ons brood, maar (vooralsnog) geslóten voor het Brood des levens! Heeft ons geven dan nog wel een christelijke zin? Delen we ons brood dan niet in diezelfde doodlopende straat waar we het al eerder over hadden? Wat is de betekenis van ons brood-delen dan nog voor het Koninkrijk der hemelen? Niet voor niets had ik het over een schokkende vraag. Het valt niet mee te moeten konstateren, dat de onzekerheid ons zelfs hier volgt, zelfs op het gebied van de meest vanzelfsprekende menselijkheid!
We zouden niet anders kunnen dan helpen. En... we weten eigenlijk niet goed wat we doen, àls we helpen!

• Vreugde en droefheid in het delen van ons brood

Weet u wanneer brood-delen gemakkelijk is? Natuurlijk weet u dat. Als een zendeling ons vraagt om onze bijdrage voor een waterboorinstallatie of voor een kliniek.
Als duidelijke christenen ons vragen om een bijdrage voor het voeden (en ópvoeden!) van kinderen in het doodarme India ...
Ja, dan ken je de vreugde in het geven, omdat je weet, dat brood en water en medicijnen niet geisoleerd worden maar gezet op de weg van het evangelie. Omdat het dan - om zo te zeggen - niet alleen maar gaat om de vierde bede afzonderlijk maar om het hele "Onze Vader". Er is dan een prachtige verbondenheid tussen brood en de heilige Naam, tussen water en het Koninkrijk, tussen medicijnen en Gods wil, tussen géven en vergéving! Je helpt dan mee aan iets totaals, aan iets dat gelukkig méér is dan een fragment, meer dan "stukwerk"! Als je hieraan niet met plezier meehelpt, dan ben je ver van huis!
Maar juist als we dat overwegen zijn we des te meer bedroefd over het brood-delen, dat wèl stukwerk is, wèl fragmentarisch, niet iets totaals!
We zien het treurige in het brooddelen, dat de maat van "de spijs die vergaat" niet te boven gaat. Is dàt nog wel zinvol? Is het van belang voor het Koninkrijk? Zullen we er maar niet van afzien, om ons alleen met het vreugdevolle delen bezig te houden?
Neen, dat kunnen we toch niet doen! Maar wat doen we dan eigenlijk wèl?

• Alles of niets?

Ik geloof niet dat we moeten ontkennen, dat het ene geven rijker en voller mag zijn dan het andere.
Ik geloof ook niet, dat we het element van droefheid in veel brood-delen moeten wegwerken.
Maar de nuchtere vraag is, of God ons de vrijheid geeft om niets te doen waar we maar weinig kunnen doen.
De vraag is, of God ons verlof geeft onze inzet te beperken tot de gelegenheden voor een totále aanpak. En dan ben ik ervan overtuigd, dat de HERE onze ogen wil richten óók op het fragment, óók op het stukwerk.
Er is al erg veel geschreven en nog meer gesproken over de gelijkenis van de barmhartige Samaritaan (Lukas 10: 25-37). Maar is het u wel eens opgevallen, dat ook hier geen sprake is van een "totaal-aanpak"? De Samaritaan verzorgt de gewonde man liefdevol, giet olie en wijn op zijn wonden, vervoert hem voorzichtig naar de herberg en regelt de verdere verzorging Maar had de gewonde man niet méér nodig? Was hij misschien een vrome Israëliet of was hij een verloren schaap? Niemand kan het zeggen. Hij blijft voor ons "NN". Zeker, de Samaritaan heeft hem geholpen zijn weg voort te zetten. Maar was dat geen doodlopende weg? De man mocht voortgaan in "het heden der genade", maar de Samaritaan kon niet stilstaan bij de vraag wat de gewonde er in dat heden van zou terechtbrengen. Welke zendeling en welke meelevende christen zou ermee tevreden zijn, als hij het bij dat "stukwerk" moest laten?
Toch eindigt hier het verhaal. Op een punt van de weg waarop wij geneigd zijn naar "méér" te vragen.
Begeren wij allemaal niet in een soortgelijk geval méér te kunnen doen?
Waarom heeft de Here de gelijkenis niet wat "mooier" en "voller" gemaakt?
Was het misschien om ons de harmonie van naastenliefde en nederigheid te leren? Was het om ons bij te brengen, dat de echte liefde àlles doet als àlles mogelijk is maar even goed iets als iets mogelijk is?
Als we kunnen meehelpen tot een verlenging van het mensenbestaan, zonder dat we ook maar énige macht hebben over de "besteding" van die gewonnen tijd, dan moeten we dat niet laten!
Als we alleen maar "alles" voor onze naasten willen zijn, dan is onze liefde blijkbaar op een vreemde manier met trots vermengd!

• Zon en regen, brood en water

In Matth. 5: 45 wordt ons uitgelegd waarom wij juist in onze liefde tot de vijand kinderen des Vaders zijn. De Vader zèlf immers doet zijn zon opgaan over bozen en goeden en laat het regenen over rechtvaardigen en onrechtvaardigen!
Hier worden zonneschijn en regen getekend als blijken van Gods gunst over het mensenleven. Die gunst van de HERE moeten wij in onze naastenliefde navolgen.
Aan de goeden en rechtvaardigen kan God méér kwijt dan zonneschijn en regen: zijn volle vrede in Christus. Aan de bozen en onrechtvaardigen kan God niet meer kwijt. Zij ontvangen die gaven op een doodlopende weg!
Toch zullen ze nooit mogen zeggen, dat ze van Gods goedheid niets hebben gezien. Gods goede hand was ook over hèn uitgestrekt.
Zouden wij dan niet kinderen van de hemelse Vader mogen zijn in het delen van ons brood? Ook als de boosheid, die machtig is in de wereld, ons verhindert méér te geven en méér voor onze naasten te zijn!
Alleen maar zonneschijn en regen - alleen maar brood en water!
Maar de goedheid van de hemelse Vader wordt er niet door aangetast. En de kinderen van die hemelse Vader blijven kinderen - in het delen van hun brood. Kinderen van Hem en kinderen van het Koninkrijk! Ook al stuurt de wereld hen weg na het nuttigen van het geboden brood.
Laten we er in droefheid en vreugde mee doorgaan, ook al lijkt het zo schamel. Zolang de zon schijnt en de regen valt!

Meld je aan voor onze gratis nieuwsbrief