HET ONMOGELIJKE FEEST
1974-08-02
. . . . . laten wij een feestmaal hebben, want mijn zoon hier was dood en is weer levend geworden. - Jaargang 18
- nummer 27
Lukas 15 : 24
Zou er op dat feest niet een kater zijn gevolgd? Zou het later, na het feest, allemaal niet een beetje zijn tegengevallen?
Natuurlijk is die vader dolgelukkig dat hij zijn zoon weer terug heeft.
en wie zou niet kunnen begrijpen dat hij dat ook vieren wil. Dat is me nog al wat: mijn zoon was dood maar hij is weer levend geworden.
Maar zou juist dat niet tegengevallen zijn, later? Want als de eerste blijdschap voorbij is, dan keert ook de nuchterheid terug. Deze nuchterheid: ik heb mijn zoon dan wel weer gevonden. Maar hoe heb ik hem teruggekregen? En dan ga je de schade eens opnemen. Of - als je daar uit jezelf niet toe komt - dan wordt je daartoe door de harde feiten wel gedwongen. Je kunt er niet meer onderuit.
Of zou zo'n wilde tijd als die jongen uit Jezus' gelijkenis heeft meegemaakt geen sporen achterlaten? Zou hij daar zonder kleerscheuren doorheen gekomen zijn? Zou die jongen er nu zoveel beter aan toe zijn geweest dan de kinderen die vandaag bij hun ouders terugkomen, nadat ze een poos uit de band gesprongen zijn en van alles geprobeerd hebben: de drank en de sex en de drugs?
Natuurlijk, dan staan ouders klaar met open armen. En ze zeggen: kom maar binnen. Je bent gelukkig weer thuis. Wat is het heerlijk dat we je wéér hebben.
Maar vaak kunnen ze het nauwelijks voor elkaar krijgen om die paar woorden te zeggen. Want wat ze thuis kregen is een wrak. En als je je kind zo ziet thuis komen, dan zèg je misschien nog wel: gelukkig, daar ben je weer. Maar ondertussen kun je wel gillen: hoe komt dit ooit nog weer goed? Hij is er weer. Ja, maar meer dood dan levend.
Je kunt je nauwelijks voorstellen dat het met die jongen uit de gelijkenis anders is geweest. En je weet wel zeker dat Jezus het zo ook heeft bedoeld. Dit verhaal moet er toch toe dienen om de mensen duidelijk te maken hoe het toegaat, als wij, mensen, terugkeren naar God. Ofwant de twee gelijkenissen die voorafgaan spreken ook mee - als wij helemaal niet terugkeren naar God, maar als God ons zoeken moet, als God ons achterna loopt en ons dan eindelijk vindt. We denken toch niet dat dat woord "wrak" te goed voor ons is? Te goed voor ons?
Is dat woord van de vader niet wat voorbarig? Deze zoon van me was dood en hij is weer levend geworden? Kun je dat "levend" noemen?
Glijdt God er niet op een vreselijk gemakkelijke manier over heen, hoe Hij ons gevonden heeft?
Of krijgen we hier te horen, dat het heus allemaal weer goed komt, wanneer we terugkeren naar onze Vader? Hoe? Dat doet er niet toe Als wrakken, en reddeloos verloren. En hopeloos verknoeid. En on herstelbaar verminkt. Meer dood dan levend.
Laten we niet denken dat God dat niet weet. God heeft wel degelijk door, hoe het er met ons voorstaat. Beter dan wij zelf. Want wij kunnen onszelf vaak nog wijs maken dat er geen noemenswaardige schade is aangericht. En we gaan feest vieren, - maar na het feest komt, vroeg of laat, de kater.
Denken wij, dat het God niet anders vergaat? Dat Hij in oppervlakkig optimisme het gemeste kalf slacht en zich dan het volgende ogenblik vertwijfeld afvraagt, wat Hij eigenlijk begonnen is?
God ziet best, hoe geschonden wij zijn. God weet wel, hoe diep verongelukt we bij Hem op de drempel staan.
En tóch ...
En toch gaat God feestvieren. En toch zegt Hij: je was dood, maar nu ben je weer levend. Hoe dan ook, - je bent naar Mij teruggekomen.
Nu ben je weer in het leven teruggekeerd. Nu is niets meer reddeloos.
Nu is geen schade onherstelbaar. Nu is geen verminking definitief. Je bent bij Mij terug. Kijk, Ik maak alle dingen nieuw. Alles wordt weer goed.
Laten we feest vieren. Ik met jou. En jij met Mij. Geen van ons beiden krijgt daar later spijt van. Dat valt straks niet tegen. Dat valt alleen maar mee. Wat bij jullie mensen, onmogelijk is, is mogelijk bij Mij.