EUTHANASIE (3)
1974-08-02
• Passieve euthanasie - Jaargang 18
- nummer 27
Hiervoor werd als definitie gehanteerd: Euthanasie door het niet of niet meer toepassen van levensverlengende middelen of handelingen.
Voor een juist verstaan van dit begrip moet men duidelijk onderscheiding tussen beëindiging van het leven en beëindiging (of ook het niet aanvangen) van de behandeling.
Douma schrijft: "De eerste mogelijkheid is aan de patiënt of de arts niet gegeven; het tweede kan geboden zijn voor wie van mening is, dat het medisch ingrijpen niet tot het bittere, maar tot het verantwoorde einde moet worden voortgezet.
Nu liggen er in de noodzakelijke voerwaarde dat een behandeling verantwoord moet worden beëindigd of niet moet worden verricht tal van moeilijkheden opgesloten.
Wanneer is het staken van de behandeling precies verantwoord?
Op deze vraag kan een arts, laat staan een ethicus die geen medicijnen gestudeerd heeft, nimmer een algemeen afdoend antwoord geven, omdat de situaties waarin die vraag opduikt legio zijn. Maar al deze moeilijkheden beletten ons niet hier een principieel antwoord te geven. Wie ervan overtuigd is, dat geen 'absolute eerbied voor het menselijk leven' door God van de mens gevraagd wordt, en er daarom niet krampachtig voor minuten, dagen of zelfs maanden gevochten behoeft te worden, weet dat zijn medische middelen tot redding van leven en niet tot verlenging van lijden of van een afbraakproces hem geschonken zijn.
Men werpe niet tegen, dat het onderscheid tussen beëindiging van de behandeling en beëindiging van het leven fictief is omdat beëindiging van de behandeling in de praktijk menigmaal ook het snelle einde van iemands leven betekent. Dat is ongetwijfeld, temporeel gezien, juist. Maar wat (bijna) samenvalt in de tijd kan daarom nog wel duidelijk onderscheiden worden.
Het is inderdaad waar, dat het verschil soms tot een puur formalisme terug te brengen is. Als een jongeman van twintig jaar een ernstige longontsteking krijgt en de arts neemt geen maatregelen, dan nadert hier het 'laten sterven' zonneklaar het 'doden'.
Maar als een patiënt met ongeneeslijke kanker in terminaal stadium een longontsteking krijgt en de benauwdheid die daarmee gepaard gaat niet ernstig is, zodat een behandeling van deze pneumonie het lijden van de patiënt niet zou verlichten, dan kan het achterwege blijven of staken van een behandeling er toe leiden, dat de arts de patiënt ongestoord laat sterven. Hetgeen hier duidelijk iets anders is dan de patiënt doden.
Bij de jongeman van twintig verwaarloost de arts zijn patiënt; bij de kankerpatiënt verlicht hij zijn lijden.
In het eerste geval krimpt het onderscheid tussen 'laten sterven' en 'doden' tot een minimum in; in het tweede is het onderscheid bijzonder zinvol.
Want, in het algemeen nu gesproken: Wie een patiënt verantwoord láát sterven door in gepaste bescheidenheid z'n handen terug te trekken en geen bijzondere ingrepen meer toe te passen, doet in zijn liefde jegens deze naaste wat God van hem vraagt. Wanneer de arts daarvan overtuigd is, zal hij "met een vrij geweten het leven dat hem tijdelijk ter verzorging werd toevertrouwd aan God terug geven. De laatste akte verricht hij niet zelf. Zijn hand is teruggetrokken wanneer God, in Wiens hand de ziel is van al wat leeft, de slotakte verricht".
Douma zegt dat hij, evenals Velema, de beëindiging van een medische behandeling bij een ongeneeslijke patiënt, die in het 'stervensproces' verkeert, liever geen passieve euthanasie zou willen noemen.
Ik meen het met deze gedachtengang geheel eens te moeten zijn en zou in deze gevallen dan ook liever, in plaats van passieve euthanasie, over "stervensbegeleiding" willen spreken.
"Indien de arts met een vrij geweten voor God kan zeggen dat hij de behandeling bij deze patiënt, die niet ik maar God aan het eind van z'n leven geplaatst heeft, staakt dan is dat een geheel andere uitspraak dan: ik ga hier euthanasie toepassen", stelt Douma.
In het kader van de stervensbegeleiding door de arts, past ook het toedienen van pijnstillende middelen, teneinde het lijden te verzachten.
Het kan daarbij gebeuren, dat deze verzachting van het lijden een risico van een verkorting van het leven in zich bergt.
Men zou in zo'n geval dan ook van "indirecte euthanasie" kunnen spreken: de bedoeling om een eind aan iemands leven te maken was niet aanwezig, maar de gevolgen van het pijnstillend ingrijpen brachten de vervroegde dood mee.
Douma acht ook hier de kwalificatie "indirecte euthanasie" onjuist, aangezien euthanasie het opzettelijk en bewust beëindigen van iemands leven beoogt. Deze bedoeling is bij het bestrijden van de pijn en de verlichting van het lijden van een ongeneeslijk zieke patiënt duidelijk niet aanwezig.
Douma zegt: "Intentie en gevolg moeten hier worden onderscheiden".
Hij citeert Jongsma die schrijft: "Er ligt een hemelsbreed verschil tussen het abrupt en welbewust een eind maken aan het leven van de patiënt en het toedienen van middelen die het lijden verlichten met het 'risico' van een verkorting van leven".
• De arts en de patiënt in de fase van het "stervensproces"
Wanneer het er om gaat de medische behandeling bij een ongeneeslijk zieke patiënt, die in het 'stervensproces' verkeert, te beeindigen ziet de arts zich voor grote verantwoordelijkheden geplaatst.
Het is voor hem een grote steun indien de ethicus hem hulp kan bieden.
Douma geeft in zijn brochure een aantal algemene richtlijnen aan.
"Deze richtlijnen -- schrijft Douma -- proberen het beeld van de arts te tekenen, die geen slachtoffer moet worden van euthanasie denkbeelden; maar die evenmin het beeld van de robot moet gaan vertonen met z'n technische vaardigheden, knap genoeg om menselijk leven te rekken, doch met z'n stalen armen en handen en z'n koude hart niet meer in staat om heelmeester te zijn. Het 'leven' staat dan wellicht nog voor zijn aandacht, maar de mens is uit zijn gezichtsveld verdwenen".
Jasperse wijst er op, "hoe de arts tot taak heeft de zieken te genezen, een helper te zijn voor wie geen helper meer dreigt te hebben en lijden te verzachten.
Hij herinnert aan het woord van Christus: Zij die gezond zijn hebben geen geneesheer nodig, maar zij die ziek zijn -- waaraan in Matth. 9 wordt toegevoegd: Gaat heen en leert, wat het betekent: barmhartigheid wil Ik en geen offerande, vs. 13. En dat is, op ons onderwerp toegepast, iets anders dan de mens coûte que coûte in leven houden", zo vervolgt Jasperse.
Douma schrijft: "Het juiste barmhartigheidsbetoon zal metterdaad het hart én van de patiënt én van de arts voor elkaar openstellen.
De arts mag bedenken wat Lord Amulree puntig geformuleerd heeft: "het gaat er om leven aan de jaren en niet jaren aan het leven toe te voegen".
De moderne arts zal zijn moderne middelen gebruiken tot redding van leven en niet tot verlenging van lijden of van een afbraakproces.
Het is duidelijk, dat wanneer arts en patiënt voor elkaar open staan, de mondigheid van laatstgenoemde aandacht ontvangt. De arts is geen autoriteit die alles beslist en de patiënt is dus geen object waarover beslist wordt.
De mondigheid van de patiënt is overigens wat anders dan kundigheid om in medische zaken mee te beslissen. Het zal in de meeste gevallen weinig uithalen voor een patiënt "de röntgenfoto's tegen het licht te houden", zoals Van den Berg de arts wil laten doen.
Mondigheid heeft met zoiets weinig uit te staan.
Maar technisch-medische conclusies die alleen een arts kan trekken vallen niet samen met existentiële beslissingen, die met leven en dood te maken hebben en volledige inschakeling van de patiënt vragen. De arts is geen baas over andermans lichaam; de patiënt ook niet over zijn lichaam, maar hij is wel degelijk rentmeester over het leven dat hem van God geschonken is".
Ik wil over deze problematiek nog enkele opmerkingen maken.
De arts moet indien de patiënt in het "stervensproces" verkeert en naar menselijke maatstaven gerekend het einde spoedig nabij is, eerbiedig terug treden voor de dood in de wetenschap dat deze veel sterker is dan de macht van de moderne geneeskunde.
De patiënt moet door de arts de gelegenheid geboden worden zich voor te bereiden op de naderende dood en daarin niet gehinderd werden door onnodige technologische onderzoekingen, die in dit stadium geen enkel uitzicht meer kunnen bieden op enige verbetering van de ziekte en daarom in feite mensonterend zijn.
Belangrijk is dat de arts in deze fase daadwerkelijke "stervensbegeleiding" biedt aan zijn patiënt door het lijden zoveel mogelijk te helpen verlichten met alle middelen die hem daartoe ten dienste staan, waardoor de patiënt een menswaardige dood kan sterven.
In dit verband wordt in medische kringen wel de engelse term "terminal care" gebruikt.
(wordt vervolgd)