"Waarom is de rijke dwaas eigenlijk een dwáás?"

1974-08-23
  • Jaargang 18
  • nummer 30
We zitten weer midden in het touwtrekken om de inkomens. De organisaties, het kabinet, werkgelegenheid, verkiezingen - alles in touw. Moeizame onderhandelingen, in spanning wachtende mensen: Wie trekt er aan het langste eind? Is de koek op?
Veel mensen denken, dat in deze praktische zaken Jezus Christus, God, de Bijbel, je in de steak laten. Koren op de molen van hen, die zeggen, dat de Kerk altijd gecomplotteerd heeft met het establishment, dat God toch blijkbaar de zaak ook maar blauw-blauw laat.
Misschien denkt U dat ook, alsu Lukas 12 : 13-21 leest. Nietwaar? Dat lijkt minstens teleurstellend. Kómt me daar toch iemand uit het volk bij Jezus Christus! Hij onderkent en èrkent toch de autoriteit van de Meester. Hij aanvaardt toch diens bemiddeling als een gezaghebbende zaak.
En juist dán, nu die kans zich voordoet, laat Christus die man in de kou staan, denken wij. Hij wil niet bemiddelen. En verwijst hem naar de bevoegde autoriteiten, die er voor zulke zaken ook in Israël waren.
Een gemiste kans voor het evangelie van Gods koninkrijk, zou U kunnen denken! God helpt je niet in dergelijke problemen, zegt de één.
En een ander denkt er goed aan te doen te beweren, dat dergelijke, alledaagse, natuurlijke zaken God en zijn Zoon niet interesseren, dat Hij zich alleen houdt aan de zaligheid en de hemelse bestemming.
Een dilemma, dat je vandaag toch veelal wordt opgedrongen. Een direct, pasklaar antwoord op veel vragen in de relatie tot de naaste vind je in de Bijbel lang niet altijd. En dat vinden we toch wel heel urgent. Terwijl anderzijds gedaan wordt, of God er alleen maar is voor de zaligheid enzo, Dat bijt elkaar vandaag, de horizontalist, die uitsluitend kijkt naar de naaste. De verticalist, die alleen kijkt naar God. Maar waar kijkt God eigenlijk naar? Want de vraag is: is dat waar? Liet Christus die man met zijn erfenis-probleem in de kou staan? Liet Hij de scharen, die er getuige van waren, zonder praktisch onderwijs in het evangelie van Gods rijk op aarde?
Ik geloof dat niet. Jezus boort immers in dit gebeuren een dieper liggende vraag aan. Een vraag, die er nih alleen is voor die man met zijn probleem. Een vraag, die er is voor ons allemaal, of we ons dat nu bewust zijn of niet. De vraag wat er áchter onze problemen zit. Christus geeft in die vraag zijn verlossing.
Het gaat me nu vooral om wat Jezus in vs 15 zegt - zegt tot állen die daar stonden: “pas op en wacht U voor alle hebzucht. Want ook al is iemand rijk, zijn leven is niet uit zijn bezit". De Here vertelt dan dat verhaal, dat U wel kent als het verhaal van de rijke dwaas. En dat Hij besluit met de woorden: "Zo gaat het met iemand, die schatten vergaart voor zichzelf en niet rijk is naar God".

lk spreek U over dit bijbelwoord en houd dan maar als thema: WAAROM IS DE RIJKE DWAAS NU EIGENLIJK EEN DWAAS?

U moet maar niet te snel zeggen, dat God die man met zijn problemen de mist instuurde. En U moet niet zeggen, dat die zaak God niet interesseert.
Want dan vergeten we allen met elkaar, dat Jezus wèl géén arbiter wil zijn in het geschil van die man. Maar dat het geval voor Hem wèl aanleiding was, om de achterliggende kwestie aan de orde te stellen. Het gaat

Jezus Christus, die van God is gekomen, er namelijk niet om, om U gelijk te geven, of mij. Het gaat Hem erom, dat we de dingen bekijken van de kant waarvan Gód ze ziet. Hij, Gods Zoon, zag dàt probleem, vaak een onontwarbaar probleem, dat wij niet eens meer zien, tenminste niet scherp, Laten we luisteren naar dit Woord van Christus. Misschien doorbreekt de manier, waarop Gód hier ziet en redt en tot ons spreekt, wel héél de ban, de onduidelijkheid, van ons probleem met zijn dilemma's.
Jezus Christus had in de vraag van die man een zeker fanatisme bespeurd.
Laten we eerlijk zijn: dat zit er bij ons ook in. Het is géén kleinigheid, zult U zeggen, je inkomen, je levensonderhoud! Neen, dat is het ook niet. Maar Christus interesseert, waaróm er dat fanatieke bij ons is in deze dingen. Dat doen alsof je leven ervan afhangt. Of misschien moet ik niet eens zeggen: doen alsof. Wij spelen dit spel, wij voeren deze besprekingen toch min of meer, omdàt we denken dat ons leven ervan afhangt!
Welnu, dat heeft Jezus gelezen in de ogen van de vraagsteller. Dat heeft Hij gepeild in de harten van de mensen om Hem heen, en ook van ons. En dàn komt er dit woord voor allemáál: pas op en wacht U voor de hebzucht!
Neen, ik houd geen moraliserend verhaaltje over deugd/ondeugd van hebzucht. Onze eigen taal zegt het al: heb-zucht, d.w.z. heb-ziekte.
Taalkundig weten we in ieder geval nog, dat dit fanatisme, dat we denken dat ons leven ervan afhangt, een ziekte is, een levensaantastende en -vernietigende zaak. Als Gód, als Geneesmeester Jezus het niet verhoedt!
Het bijbelse woord is zo mogelijk nog scherper: steeds-maar-meer-willen-hebben. Je zit in een spiraal gevangen. Net als die man met zijn al màar grotere schuren. Heus, dat huist in ons hart, meestal niet uit pure vrekkigheid. , Meer-willen-hebben zomaar, 't is niet het plaatje van de vrek, verliefd op goud. Er zit dat fanatisme in, dat gevoed is door ángst. Een bezorgdheid om de basis van ons leven veilig te stellen. Daarom worden deze dingen ook zo bloedernstig gespeeld: we denken vaak, dat ons leven ervan afhangt. Christus zegt, dat dat niet waar is. 0, Hij weet heus wel, - God weet wel, dat geen' mens van de wind kan leven, niemand kan zonder brood. Maar Jezus leert ons erom bidden.
D.w.z.:ons brood is Góds zorg! Een zaak van verlossing. Een verdienste van het kruis.
En waar het de Here nu om gaat is, die bàn te breken. Van dat angstige en dat fanatieke, dat je leven ervan afhangen zou. Jezus zegt: "Want zelfs als iemand overvloed heeft hàngt zijn leven niet aan zijn bezit. Bezit stelt zijn leven niet veilig.
Dàt zit er nl. altijd achter, achter die fervente jácht die ons bezielt in deze dingen. Je wordt meegenomen en je moet, want anders blijf je achter en val je uit de boot. Wij moeten zorgen voor onszelf.
Maar Christus zegt, dat dat niet zo is. Hij zegt, dat het een ziekte is, die alles aantast, die elke verhouding gespannen maakt. Een permanent conflict tussen eigen belang en dat van de naaste. Dan kun je je naaste niet liefhebben. U weet net zo goed als ik, dat dàt vandaag aan alles vreet, als een angst. En die angst komt van de duivel. Want die regeert met angst.
In de Bijbel staat dat al van Israël. Als God aan Israël het goede land geeft, dat Hij aan hun vaderen beloofde, - dan ziet en noemt God hèt risico, dat die rijkdom voor zijn volk betekenen gaat. Mozes wijdt er een heel hoofdstuk aan in zijn laatste preken, Deut. 8. Daar zegt hij: als de Here U in dat goede land brengt, pas er dan voor op, dat ge de HERE Uw God niet vergeet, kwijtraakt. Dat kàn en dat ligt zeer voor de hand. Het is heel menselijk, zó te gaan leven, dat je vergeet, dat je leven aan Gód hangt, aan God alleen! De duivel wil dat graag.
Hij wilde dat graag van Israël ook, dat het ging leven uit angst: we moeten voor onszelf zorgen.
Ons leven is onze zorg. Niemand zorgt voor ons. En angst is zijn raadgever!
Wat denkt U, dat die Israëlieten het zo aardig vonden voor beelden te knielen, de afgoden van Kanaän, één of ander "primitief" gedoe? Vergis U niet. Die hele afgoderij van Kanaän en vervolgens is één grote demonische dienst van de angst, om het eigen leven veilig te stellen: àlle offers, àlle riten zijn pogingen te controleren, vrede te maken met de machten, die het leven kunnen' veiligstellen. Dat is vandaag nog zo. Nu, dáár hebt U die dwaasheid van de rijke dwaas: dat hij dàcht dat zijn leven hing aan zijn bezit. Een duivelse leugen.
Iets dat de maatschappij van onze dagen vergiftigd en demoniseert.
In het loonoverleg in ons land, in de verhouding arm-rijk en noemt U maar op.
De rijke dwaas is een dwaas, omdat hij vergeet, dat ons leven aan Gód hangt. Dáárom durft hij geen stap terug te doen en geen eis te laten vallen. Dat is het griezelige van deze zaak. U zult in deze dingen misschien nooit aan God denken. En ook niet aan de duivel. Maar de duivel denkt wèl aan U en mij, om ons in zijn angst te strikken.
Maar, en dàt is het evangelie nu: God denkt ook aan U en mij!
Blijkens dit eigen woord van Jezus stelt God het grondprobleem.
Jezus leerde bidden om ons dagelijks brood. Maar daarom maakt Hij ons los uit de terreur van de demonische levensangst. Zolang dàt niet gebroken is leven we in de angst. De dienst van de moderne en ouderwetse afgoden is zwaar en hard. En zolang als we ons eraan geven en God afwijzen kan God niets met ons beginnen. Maar zólang wordt het grondprobleem ook niet opgelost, worden we niet verlost. Want zólang staan we tegenóver God, die ons helpen wil. Dat is zonde. En de beloning van de zonde is ook hier: de dood.
Ziet U wel, dat Jezus Christus wel dégelijk is de verlosser van God, óók in de basis van de problemen van onze tijd? Ziet U wel, dat het geen nonsens is deze kwaal aan te wijzen, wat ze voor God is: zonde, en de macht dáárvan te breken? Dat God niet in de kou laat staan?
Dát doet Christus met de parabel van die rijke dwaas. Dwaas, want hij vergeet. dat zijn leven aan God hangt. En is daarom reddeloos.
Daarom besluit Christus dit gebeuren: zo vergaat het elk, die voor zichzelf schatten vergadert en die niet rijk is in God. Het staat er in het evangelie nog scherper: wie schatten vergaart voor zichzelf, hóórt U de angst? En niet rijk is naar God toe. Neen, dat moet U niet overdrachtelijk nemen, of "vergeestelijken" zoals het met een slecht woord heet. Jezus meent wat Hij zegt: wie niet rijk is naar God toe.
Die valt uit de boot. Die heeft geen basis. Die vergaat van angst.
Die geeft toe aan de demonisering van het leven door de vijand van God. Bij uitstek evangelie voor rijke westerlingen.
Op het eerste gezicht is het volgende vers duister:

De zonde die de zondaars vleit,
doet zácht en vol arglistigheid
diep in hun hart zich horen.
Zij vrezen niet voor God de Heer,
en hun geweten spreekt niet meer:
ze zijn aan 't kwaad verloren.

Verstaan we die woorden nu wèl? En zeggen we dan ook: bij U Heer is de levensbron? Zijn we blij met Christus, die de angst breekt en de waarheid zegt. en de valse dilemma's van satan opruimt? Oók als Hij ze opruimt in ons eigen denken? Zijn gunst alleen maakt waarlijk vrij. Vrij van de duivel en zijn ganse rijk.

Gebed

Here God, wij zoeken U, omdat U zich aan ons openbaart in Jezus Christus, Uw Zoon. Wij danken U in onze tijd, waarin de spanning wordt opgevoerd, voor zijn bevrijdend Woord. Wilt U ons altijd in het oog doen houden, dat U de Levensbron bent, dank zij het offer en de ontrechting van uw Zoon, ook voor ons? Geef ons door uw Geest helder inzicht in de listen en lagen en valse dilemma's, waarmee uw vijand optrekt. Geef ons moed tegen zijn terreur: de zieken, de eenzamen, de wanhopigen, hun die niet meer weten. Wilt U ons allen wegtrekken van de dwaasheid van de rijke dwaas, die zo dicht bij ons ligt. Laat ons U zien en gericht zijn op U. Ruk uw kinderen, ruk de mensen uit die leugen, waarin we ongemerkt vallen en waardoor we U kwijtraken.
Zo vragen we U voor het land. waarin we leven, de wereld waarin wij wonen. Here God, laat om Jezus' wil niet toe, dat de aarde stikt in het gif en dat de mensen omkomen in een doodsangst voor het leven!
Wij bidden U vooral voor H.M. de Koningin, ministers, raden en staten, Ook voor de verkiezingen die komen moeten. Here geef, dat we niet allen met argusogen onze wensen en klachten indienen, maar dat we bidden, dat U door hen ons regeert, regeert met de verlossing in Christus.
Laat uw Woord, ons een kracht tot redding zijn, ook voor dit leven.
Laat ons gegrepen worden, niet door de goedbedoelde idealen van mensen, maar door Uw ideaal, Uw heerschappij die komt. gekocht door de dood en vastgelegd in de opstanding van uw eigen Zoon. En vergeef ons onze schulden, om Christus' wil. Ook onze schulden van rijke dwazen. Amen.

Meld je aan voor onze gratis nieuwsbrief