Rebellie tegen de Here en Zijn Gezalfde
1974-08-30
Waarom woelen de volken en zinnen de natiën op ijdelheid?- Jaargang 18
- nummer 31
De koningen der aarde scharen zich in slagorde en de machthebbers spannen samen tegen den HERE en zijn gezalfde: Laat ons hun banden verscheuren en hun touwen van ons werpen!
Psalm 2 : 1-3 (N.V.)
David (Hand. 4 : 25!) heerst als gezalfde des HEREN over Israël en over de hem onderworpen volken, rond Israël: Filistijnen, Moabieten, Arameeërs, de bevolking van Hamath, Amelekieten en Edomieten (2 Sam. 8).
Maar, waar David kennelijk bij geruchte ter ore is gekomen: er is iets gaande, de volkeren rondom hem "woelen", zijn onrustig, in opwinding.
Zij "zinnen" op iets: er broeit, er gist iets. Bepaalde FEITEN zijn er nog wel niet (of nauwelijks) aan te wijzen - tot DADEN is het nog niet gekomen - maar er zijn wel aanwijzingen dat er iets op til is.
Immers: de koningen der aarde stellen zich op, de machthebbers spannen samen. M.a.w. het is geen plaatselijk incident - er zit meer achter.
De koningen hebben de hoofden bij elkaar gestoken; achter de schermen zijn vertrouwelijke besprekingen gevoerd en bepaalde plannen opgesteld. Heimelijk is er een coalitie tot stand gekomen, na die vertrouwelijke besprekingen op hoog niveau, en men is tot een gemeenschappelijke conclusie gekomen - zo iets als: wij wensen het niet langer.
Uiteraard is daarvan het één en ander uitgelekt. Wellicht niet per ongeluk: provocatie en volksophitsing zijn nu eenmaal een integrerend bestanddeel van de "grote politiek". Het volk, de soldaten moeten straks de kastanjes uit het vuur halen voor de koningen.
Jezus heeft deze heren eens en voorgoed getypeerd: machthebbers, onderdrukkers, die zich op de koop toe 66k nog weldoeners laten noemen (Luc. 22 : 25). De wereld is nog niet veel veranderd!
In elk geval: de grote heren zijn tot overeenstemming gekomen. Wat de duistere motieven der participanten zijn, blijft verborgen, voorlopig.
Ieder zal wel zo zijn eigen belang en oogmerken hebben, bij dat gemeenschappelijk besluit. Ook in dezen is de wereld nog niet veel veranderd.
Maar met behoud van eigen, verzwegen doeleinden is er toch een eenheid gegroeid, een voorlopig samengaan dat zijn eensgezindheid ontleent aan gemeenschappelijke haat. Haat tegen Jahweh en Zijn Gezalfde.
Voor deze volkeren zijn God en Zijn Koning één. De Koning is bijna de gepersonificeerde God. Zo bezien zij het voor zichzelf. Zo rekenen ze ook t.a.v. David. Wie met David gaat vechten, strijdt ook tegen Davids God. En de stille dreiging, die nu in de lucht hangt is dit: met één gezamenlijke krachtsinspanning wil men "hun banden verscheuren, hun touwen van zich werpen. "Banden en touwen", dat is een beeldspraak aan het landleven ontleend: de ossen - trekdieren - werden met touwen en banden voor ploeg en eg en wagen gespannen.
De koningen voelen zich voor de wagen van Jahweh en David gespannen.
Maar ze zijn 't zat. Ze wensen zich niet meer te buigen onder het juk, dat de HERE hun aangespannen heeft. Ze willen dat juk afwerpen.
Vrijheid van initiatief - niet langer als ossen voor 't karretje van David. Niet langer dienstbaar aan Jahweh en Zijn Gezalfde. Vrij! en dan David straks gespannen voor hun karretje. En heimelijk denkt ieder van hen: voor 't mijne! Want wie Davids rijk in handen krijgt, bezet daar weer een sleutelpositie tussen Egypte en Mesopotanië!
Waarom woelen de volken?
Waarom trekken hun koningen nu opeens SAMEN op? Is het een wonder dat een lid van de nog zo jonge kerk van Hand. 4 naar het oude psalmboek grijpt en de hele gemeente vol ontzetting mee prevelt de woorden van vader David, ja van den H. Geest? (Hand. 4 : 25).
Petrus en Johannes zijn gearresteerd en ternauwernood vrijgelaten.
Waarom? Vanwege een schelmstuk? Nee, terzake van een weldaad aan een zieke, een hopeloos invalide, bewezen, waardoor deze gezond is geworden! (4 : 9). Een weldaad bewezen in de naam van de HERE en Zijn Gezalfde - zijn Messias, Jezus. En Herodes, Pontius Pilatus en het Sanhedrin zijn het eens geworden - edomiet, romein en jood hebben elkaar de hand gereikt, eeuwenoude tegenstellingen zijn overbrugd, diep ingevreten geschillen bijgelegd, hoe groot moet de haat zijn tegen de HERE en Zijn Messias, dat zij zo'n revolutionaire ontwikkeling teweeg brengt?
De broeders en zusters hebben het herkend, daar in Jeruzalem.
Zij hebben in hun situatie herkend, wat de H. Geest bij monde van hun vader David eeuwen tevoren reeds had gesproken. Zij hebben het voor hun ogen zien gebeuren: de prediking van het evangelie van de wereldheerschappij van des HEREN Gezalfde wraak en woede en de haat van volkeren en hun machthebbers (weldoeners laten ze zich noemen! Ook al beroven ze hun volk van de eeuwige zaligheid ... ) gaande. Zij ontketent een golf van woest en redeloos verzet: Zelfs het genezen van een hopeloos invalide wordt aangegrepen om zo mogelijk de stem van het evangelie in bloed te smoren.
Onverbloemde haat - waardoor zelfs Jeruzalems deftigste burgers hun masker afleggen en geen enkele scrupule meer blijken te hebben.
En waarom? Ja, waarom? Doet de kerk kwaad in de wereld? Brengt ze een afschuwelijke boodschap? Zij brengt het evangelie! Predikt zij soms de haat? Zij predikt de liefde, G6ds liefde! Wenst zij de volkeren in slavernij te voeren, met banden en touwen te snoeren? Zij begeert de vrijheid te brengen, vrijheid VAN de grootste slavendrijver aller tijden, Satan; vrijheid IN den Verlosser, Jezus, Gods Gezalfde.
Altijd weer ontmoet de kerk diezelfde eensgezinde haat, als zij den Gezalfde predikt. Altijd weer blijft zij voor 't raadsel staan: waarom woelen dan de heidenen, spannen de koningen samen?
Maar zij blijft nietBIJ dat raadsel staan, verlamd, machteloos. Want zij zegt het vader David, ja den H. Geest na: al spannen álle machthebbers samen, al woelen ook álle volken, toch is al hun rebellie, hun haat en geweld tevergeefs: zij zinnen op IJDELHEID! Maar daarover D.V. een volgende keer.
Eerder geplaatst in "Ons Kerkblad", orgaan ten dienste van de Gereformeerde Kerken in de provincie Utrecht, in het nummer van zaterdag 8 juli 1961.