Commentaar

1974-08-30
  • Jaargang 18
  • nummer 31
Nevenstaand stuk, ("Bezinning - Oproep - Perspectief" - red.) gepubliceerd in "Waarheid en Eenheid", werd ons toegestuurd met het verzoek of wij het onverkort en zonder één wijziging wilden plaatsen. Natuurlijk willen we dat, al zijn we daar, gezien de datum, niet al te haastig mee. Het is verleidelijk, daar de vakantie de schuld van te geven, maar het zou slechts ten dele waar zijn.
Er is nog iets anders. Wat "Opbouw", tot ongenoegen van velen, kenmerkt. is een zekere schroom om z'n partij mee te blazen in het concert der verontrusting tegen de synode van de (synodaal) gereformeerde kerken en haar beschermelingen. Is dat omdat 't ons koud over de rug loopt, als wij horen aandringen op "maatregelen" tegen deze of gene? Dat is het niet of dat mag het niet zijn. Bij alle abuis dat er in de laatste twee eeuwen van de kerkelijke tucht gemaakt is, behoren wij toch te blijven onderscheiden tussen misbruik en gebruik: het eerste heft het laatste niet op. Wij mogen niet afzakken tot het peil van een domme ongenuanceerdheid, die ten aanzien van de kerkelijke tucht zelfs de rok haat, die van het vlees bevlekt is. Uit het verleden zijn immers ook voorbeelden te noemen, die duidelijk maken, dat de leertucht zegenrijk gewerkt heeft en gediend heeft om de gemeente te bewaren bij de puurheid van de boodschap.
Maar wat is dàn de oorzaak van de genoemde schroom? De zorg, dat de verontrusting toch te veel in het negatieve zal blijven hangen en voorvechtster van de ouderwetsheid zal worden, volgens het recept van het te simpele negerlied: give me the oldtime religion (geef mij het geloof der vaderen).
Onze tijd geeft ons meer dan 'aanleiding om het evangelie opnieuw te lezen. Niet om een andere boodschap te vinden - er is geen andere, zegt Paulus, Gal. 1: 7 - maar om de oude boodschap vernieuwd en verdiept terug te krijgen. "Velen zullen onderzoek doen en de kennis zal vermeerderen" - is tot Daniël in verband met de eindtijd gezegd (12 : 4).
Dringt het wel voldoende tot ons door, dat de Schrift ons niet alleen het evangelie biedt, zoals het door de apostelen als voltooide boodschap in de wereld verkondigd is, maar ons ook in niet minder dan vier evangelies meeneemt op de weg waarlangs deze boodschap ontstaan is? Verplicht dit gegeven ons niet om die weg van de evangelies telkens opnieuw af te leggen en steeds weer van voren af aan te beginnen met de vraag, (die inderdaad van het prille begin is): Rabbi, waar houdt Gij verblijf? (Joh. 1: 39) Is aan de kerk de herscholing in het evangelie niet bijbels opgelegd?
We weten toch, hoe bevangen wij kunnen lezen?
Ik zeg deze dingen niet uit lust tot verandering. Nog eens: er is geen ander evangelie. Het is ook niet zo, dat wij bij herlezing van het evangelie van te voren bij geen benadering zouden weten, waar we terecht komen. Er gaan van meet af aan geleide-woorden mee, zoals dat van Johannes de Doper: "zie het Lam Gods, dat de zonde der wereld wegneemt" (Joh, 1 : 29), een woord, dat aan de start al heel duidelijk zegt, waar we terecht komen.
Nee, het gaat mij hierom: als wij ons voor de verkondiging alleen maar oriënteren op het evangelie-in-eindredactie van een Paulus of - wat nog veel bedenkelijker is - op het evangelie in een confessionele samenvatting, werken wij eigenhandig mee aan een onverstaanbaar worden (op de duur) van de boodschap. Het wordt dan een samenklank van loodzware woorden, waar niemand iets mee kan.
Versta mij niet mis, dat ligt niet aan Paulus. Paulus was een schriftgeleerde, die. naar het woord van de Meester, nieuwe en oude dingen uit zijn schat te voorschijn bracht. (Matth. 13: 52) Maar dat is het dan ook precies waarvoor ik nu pleit! Dat ook wij gelijk zullen zijn aan die heer des huises, die uit zijn voorraad nieuwe en oude dingen naar voren haalde. Let op de volgorde: Nieuwe en oude dingen. Via het nieuwe komen we tot het oude. Langs de weg van eigen biddend bezig zijn met de Schriften ontdekken we de overeenstemming met het gelovige voorgeslacht. Dat wil zeggen, dat de continuiteit, de gelijkblijvendheid met dat oude voorgeslacht meer geschenk dan opdracht is.
Niet wij behoeven ons daar voor alles voor in te spannen; God zelf zorgt daarvoor.
Onze taak is het om met de vele ons ten dienste staande middelen de Schriften vandaag opnieuw te lezen onder de belofte, dat wij, voor onszelf en voor onze geplaagde tijdgenoten de goede, de betrouwbare woorden zullen vinden.
Maar daarvoor moeten wij discipelen worden van het Koninkrijk der hemelen (Matth. 13 : 52). Ook als we reeds Schriftgeleerden zijn moeten wij toch telkens opnieuw beginnende leerlingen willen worden. Juist in de grote geestelijke crisis, die wij vandaag doormaken, staat deze weg niet maar open, maar is ze ons opgelegd. De belofte is, dat we zo zullen toenemen in verstaan.
Nee, we gaan deze weg niet met terzijdestelling van het overgeleverde geloof. Gesteld dat we 't konden, we zouden het niet willen. En toch, zelf lezend en trachtend te verstaan, draaien we de stem van de traditie zo laag, mogelijk weg, om des te beter met eigen oren te kunnen luisteren.
Ik weet niet of deze dingen bij de verontrusting wel zo gezien worden.
Ik vrees, dat ze uit reactie tegen een roekeloze theologie vervalt tot een risico-loze theologie, die het oude voorop stelt en voor het nieuwe niet anders dan argwaan heeft. Laten we de toeleg van de boze onderkennen, die er op uit is, het nieuwe verdacht te maken (inderdaad, door dwaalleer) en graag wil, dat de gemeente een bewegelijk discipelschap inruilt voor een gearriveerde schriftgeleerdheid. De verontrusting vergelijk ik bij een schriftgeleerde binnen het Koninkrijk, die toch nog meer discipel moet worden vàn het Koninkrijk Geen stilstand op de weg van de Bijbel! Want, ja, de Bijbel iseen weg. En ons geloof is dat ook.

Meld je aan voor onze gratis nieuwsbrief