Sociaal-ekonomisch leven als vorm van belijden

1974-08-30
  • Jaargang 18
  • nummer 31

• Inleiding

De titel van mijn bijdrage: "sociaal-ekonomisch leven als vorm van belijden", zal in uw oren wellicht wat wonderlijk klinken.*) Belijden dat heeft te malken met bijv. het Apostolicum, en met de drie formulieren van enigheid; en natuurlijk hebben ook die weer te maken met ons sociaal-ekonomisch leven als vorm van belijden, dat lijkt net iets te veel gezegd En des te meer lijkt dat zo, omdat het sociaal-ekonomisch leven iets is dat ons brengt in de wereld van de ingewikkelde krantenikoppen die gaan over betalingsbalansen, strukturele werkloosheid e.d. Dat is toch iets wat meer buiten ons leven lijkt te staan, dan iets waaraan je van binnenuit deel aan hebt. Hoe kan het dan waar zijn dat het sociaal-ekonomisch leven zelf een vorm van belijden is?
Daarom kan het zin hebben eerst te proberen de titel van dit onderwerp wat dichterbij te brengen.
Als u geld voor de zending afstaat, dan is dat een stukje sociaal-ekonomisch leven. Het is een bepaalde geldstroom, die daardoor wordt opgeroepen. Het is zelfs zo, dat de betalingsbalanspositie van Nederland er een tikkeltje door verandert. Het is dus echt: ekonomisch leven.
Maar het is tegelijkertijd: een stuk belijden Het verraadt namelijk iets van gerichtheid van uw leven. Maar nu kunnen we tegelijkertijd een stap verder doen. Waarom zou zoiets alleen voor zendingsgeld gelden? Het leven staat immers onder de klem van het kruis en van de opstanding van Christus. Holwerda heeft het eens zo gezegd, dat Christus' verlossing radicaal is, integraal en totaal. Ook de alledaagse dingen, kopen, verkopen, werken, vallen dus voor de Christen binnen de kring van zijn belijden. Belijden doe je niet alleen met woorden, dat doe je ook door daden; of je je ervan bewust bent of niet.
Nog een illustratie: de eerste Christengemeente. De Heilige Geest was uitgestort. Toen ging zich ook iets wijzigen in de manier waarop de Christenen, de mensen met elkaar omgingen. Niet alleen in die zin dat de blijheid hen van het gezicht straalde en dat ze uit alle eenvoud bij elkaar het brood braken. Ook in hun sociaal-ekonomische betrekkingen ging zich iets wijzigen.
Er werd als het ware een nieuwe stijl van sociaal-ekonomisch gedrag in de gemeente zichtbaar. U en ik weten dat we dat nieuwe niet moeten versimpelen tot alleen maar een kwestie van al of niet gemeenschappelijk bezit. Veeleer was het verschil, dat er voor het sociaalekonomisch leven binnen de gemeente zich een nieuwe grondregel aanbrak namelijk dat het zaliger is te geven dan te ontvangen; een grondregel die de Heiland met Zijn eigen leven geïllustreerd heeft.
Wanneer dat de grondregel wordt, gaat er ook in het ekonomisch Verkeer van mensen iets veranderen. Wanneer het zaliger is te geven dan te ontvangen, wordt het ekonomische leven van die belijdenis een uitdrukking.
Ik kan het nu nog iets aanscherpen. Zou het sociaal-ekonomisch leven eigenlijk niet steeds, niet altijd een vorm van belijden zijn? En dan neem ik belijden in de zin van: laten merken, laten uitkomen, of zelfs: onbewust verraden, waar het in je leven nu eigenlijk om gaat, waar je voor leeft en waar de zin van je leven in ligt.
Of we het nu willen of niet, in die zin belijdt iedereen, christen of niet-christen. Niemand kan leven zonder Heer, niemand kan nalaten te belijden. Jezus zei eens dat niemand twee heren kan dienen, niet God en de Mammon. Maar daaruit blijkt dus dat ook de Mammon de positie van "heer", van een heer kan hebben, die je belijdt in je leven.
Aan deze kenschets moet ik nog één ding toevoegen. En dat is, dat mensen niet alleen voor zichzelf iets belijden, maar dat ze dat ook gezamenlijk doen. De Bijbel spreekt b.v niet alleen van het afwijken van personen van de levende God, maar ook van volkeren, van samenlevingen, die van Hem afwijken. En het blijkt dan ook dat Zijn oordeel niet alleen over afzonderlijke mensen gaat, maar ook over volkeren, die voor Zijn troon zullen verschijnen. Dat is een punt - ds S G.
de Graaf legde daar vroeger terecht nadruk op - wat ook voor ons in onze hedendaagse westerse samenleving van belang is. Wij leven hier in het Westen; dat kent zijn eigen sociaal-ekonomisch leven: Maar wat belijden wij nu daarin en daarvoor? Wat voor een belijdenis komt er uit dat sociaal-ekonomisch leven van het Westen? Dat is een vraag die, dacht ik, ook ons moet raken Want wij kunnen ons van dat Westen niet losmaken. Dat mogen we niet zien als iets dat zich buiten ons afspeelt. Voor de wijze van het sociaal-ekonomisch handelen (belijden) van het Westen zijn wij mede-aansprakelijk, medeverantwoordelijk.
Dit alles is toch misschien een manier van spreken, die op u nog wat vreemd overkomt. Daarom kan het goed zijn na deze korte inleiding u enkele ogenblikken mee te voeren naar die samenleving uit onze wereldgeschiedenis die in alles, dus ook in haar sociaal-ekonomisch leven, als vorm van belijden van de levende God aan te merken viel.
U begrijpt dat ik hier doel op de samenlevingsorde die beschreven is in de boeken Exodus tot en met Deutronomium. Dat is immers een ekonomische orde waarvan God zelf de auteur is. Na de bespreking van enkele aspekten van die samenlevingsorde hoop ik dan weer terug te keren naar onze huidige westerse samenlevingsstruktuur.

• De "Mozaïsche" ekonomische orde als open samenlevingstype

Wanneer u en ik de boeken van Mozes opslaan, komen we steeds opnieuw onder de indruk, Maar misschien mag ik op deze morgen eens vertellen, wat mij vanuit een meer ekonomische interesse nu vooral treft.
Ik zou dat zo willen samenvatten, dat deze samenlevingsorde één schitterende illustratie ervan is, dat Bijbelse woorden als verzoening, barmhartigheid, vergeving en liefde, geen woorden zijn die alleen voor de "ziel" bestemd zijn, maar midden in het sociaal-ekonomisch leven hun betekenis hebben.
We kunnen die wetgeving als het ware zien als een ontwerp van sociaal-
ekonomisch leven, dat ons gegeven is als illustratie, als plaatje van wat verzoening nu eigenlijk is en van wat wetgeving nu eigenlijk is. Die beloften worden in sociaal-ekonomische realiteiten als het ware neergelegd; ze krijgen daar hun afspiegeling in.
Ik kan het ook nog op een iets andere manier zeggen en wel, dat deze ekonomische orde een open ekonomische orde is. Ze wijst heen, ze getuigt van de levende God en staat daarmee ook open naar de naaste toe. Het is als een deur van een huis die openstaat, waardoorheen je de buitenwereld ziet Tegelijkertijd is het zo dat God van Zijn kant ook wil openstaan naar die samenleving toe. Hij stelt zich open naar de mensen die Hem willen dienen en- die ook hun naasten als kinderen . van Hem tegemoet treden.

Dit kan nader worden geïllustreerd aan drie aspekten van wat dan heet "de mozaïsche wetgeving", - maar dat is natuurlijk niet de juiste term: - namelijk de regeling van de eigendom, de regeling van de slavernij en die van de tienden. En we beginnen met de regeling van de eigendom.

• De regeling van de eigendom

Als we zien hoe de eigendom in Israël geregeld is, met name ten aanzien van het landbezit, dan komt daarin een ander soort regeling naar voren als wij kennen en ook anders dan in de ku1turen van het Midden Oosten van die tijd bekend was. In de zin van een "exclusief beschikkingsrecht"
is nl. in Israël nooit van eigendom sprake geweest. In Leviticus 25 staat het zo: "Het land is van Mij, zegt de Heer".
Hij is de eigennaar Hij heeft de beschikking erover. En dat betekent dat elke Israëliet het recht mist op de restloze benutting van zijn bezit voor zichzelf. God is de eigenaar: dat betekend dat de Israëliet de rentmeester is.
Vandaaruit kunnen we een menigte van aanwijzingen verstaan, waarvan wij zouden zeggen: dat zijn beperkingen, dat zijn restricties van de eigendom, maar die geen restricties zijn; die namelijk veeleer uitingen zijn hoe ook eigendom ontsloten kan zijn, d.w.z. open kan staan naar God en naar de medemens. Ik geef een paar voorbeelden. Als de Israëlitische boer zijn akker bewerkt, dan laat hij daaromheen een rand staan, waar hij niet mag oogsten. Die opbrengst aan de rand is ter beschikking van degene die langs komt Als u op de wijngaard van een ander zou komen zou u zoveel mogen meenemen in Israël als u met uw eigen handen kunt dragen. U zou natuurlijk niet met plastic zakken mogen gaan slepen, maar wat u daar aantrof zou u toch mede ter beschikking staan. En nu zouden wij zeggen: dat zijn beperkingen van het bezit. Maar ik geloof dat het veeleer ontsluitingen daarvan zijn. Zo komt namelijk tot uiting wie het nu eigenlijk in ons aller leven voor het zeggen heeft. Een ontsloten, een open eigendom wil onder meer zeggen: er ligt een sociale hypotheek op, een recht van medegebruik door je naaste.
Een tweede voorbeeld. Vanuit het feit dat God de eigenaar is, is ook te verstaan dat Hijzelf het land 'rust geeft. Dat laat Hij niet zomaar over aan de Israëlitische boer Het Sabbatsjaar is een deel van het ritme waarin mens en land en dieren door de Here rust wordt gegund.
Hij bepaalt en reserveert de tijd, die aan het land toekomt om zich te herstellen van de menselijke exploitatie. Het land moet op zijn krachten komen, op zijn verhaal kunnen komen. U en ik weten, dat het volk van Israël zich ook aan de instelling van het Sabbatsjaar slecht gehouden heeft. Maar we weten ook dat het in zekere zin mede de wending in de geschiedenis van het volk Israël heeft bepaald. dat ze zich er zo slecht aan gehouden hebben.
Op een gegeven ogenblik, als het volk zelf ook aan het instituut van Sabbatsjaar geen enikele gelding meer heeft gegeven, gaat God namelijk staan aan de kant van het land. Hij zendt Zijn volk in ballingschap, opdat het land aan zijn rust zou kunnen toekomen. U vindt dat letterlijk in Leviticus 26 "Als de Israëlieten Mij verlaten, dan" - zo staat er in Leviticus 26, vers 32 - "zal Ikzèlf het land verwoesten, zodat uw vijanden die daarin wonen zich daarover zullen ontzetten.
Maar u zal Ik onder de volken verstrooien en Ik zal achter u het zwaard trekken, en het land zal een woestenij zijn en uw steden een puinhoop. Dan zal het land zijn Sabbatsjaren vergoed krijgen, al de dagen dat het woest ligt en gij in het land uwer vijanden zijt; dan zal het land rusten en zijn Sabbatsjaren vergoed krijgen. Al de tijd van de verwoesting zal het rusten; de rust die het niet gehad heeft gedurende uw Sabbatsjaren, toen gij in het land woonde". God gaat dus staan aan de kant van het land wanneer Zijn volk van dat land misbruik maakt. Hij handhaaft Zijn eigendomsrecht. Ook wanneer dat dus de prijs betekent van de verwijdering van Zijn eigen volk!
Een derde element rond het eigendom wil ik nog aanstippen. Dat God de eigenaar is, hangt ook samen met het feit, dat Hij volhardt, persisteert, in Zijn aanvankelijke verdeling van het grondbezit aan de geslachten.
Koop en verkoop van landerijen hebben in principe dan ook niet betrekking op het land zelf maar op de mogelijke opbrengst ervan Want het land zelf keert terug naar de oorspronkelijke geslachten. Op de betekenis van de regeling kom ik dadelijk nog even terug. U weet dat de Levieten van deze verdeling van grondbezit uitgezonderd waren, maar ze kregen een troostprijs die nog mooier was dan welk grondbezit dan ook, want God zei tegen hen: "Ik ben jullie erfdeel". De Heer zelf is het erfdeel van de Leviet. Ze zijn paria's bij de gratie Gods.

(wordt vervolgd)

*) Referaat gehouden tijdens de jaarvergadering van de pers vereniging "Opbouw", 27 april 1974


Meld je aan voor onze gratis nieuwsbrief