Boekbespreking

1974-08-30
  • Jaargang 18
  • nummer 31
Dr G. P. van Itterzon: Het kerkelijk ambt in geding.
(Theologie en gemeente no. 10).
Uitg. J. H. Kok B.V.
Kampen 1974, 95 pag. f 8,90.

Dat het ambt in geding is en ter discussie staat in deze dynamische tijd is bekend. We denken o.a. aan het rapport: "Wat is er aan de hand met het ambt" van dr H. Berkhof, op welk rapport dr W. van 't Spijker indringende kritiek leverde o.a. in "De actualiteit van Martin Bucers ambtsopvatting, Den Haag 1971 - Ook overigens heeft Berkhofs rapport veel tegenspraak ontmoet.
Het komt ook ter sprake in bovengenoemd werk van Prof. van Itterzon.

Van Itterzon's geschrift is duidelijk en evenwichtig. Het is verdeeld in 16, tamelijk korte, hoofdstukken.
Eerst wordt stilgestaan bij de vraag of Jezus wel een ambt had en of Hij een kerk wilde stichten. Daarna volgen een paar interessante hoofdstukken over de zeven diakenen in Handelingen 6 en over de oudsten te Jeruzalem. Uiteraard komt ook de veel gestelde vraag aan de orde, of er geen verschil is tussen de ambtsopvatting in de Handelingen en de oudste brieven van Paulus enerzijds en de pastorale brieven aan de andere kant (Hoofdst. 9 en 10). Hoofdstuk 11 handelt over de vrouw in het ambt. Belangrijk is de laatste helft van het boek (vanaf blz. 55), waar conclusies worden getrokken voor het kerkelijk leven. Uitvoerig komt nog de ambtsleer van Calvijn ter sprake, met beschouwingen daarover van dr A. J. Bronkhorst en Prof. Berkhof.
Zoals wij het van Prof. van Itterzon gewend zijn. is deze studie nuchter en dergelijk.
Tegenover de opvatting, dat een geïnstitueerde gemeente, met ambten, een teken van verval zou zijn, na een tijd dat men leefde uit de gaven van de H. Geest wijst v. Itterzon er op, dat in de H. Schrift Geest en ambt nauw aan elkaar verbonden zijn.
In hoofdstuk 12 "ambten en charismata" komt de schrijver op deze kwestie terug. Er wordt aan herinnerd, dat velen bij Paulus een dalende lijn zien, eerst (b.v. in I Kor. 12) zou hij de nadruk leggen op de gaven van de H. Geest, maar het wordt, zegt men, steeds meer "verambtelijkt" een dieptepunt zou dan bereikt zijn in de pastorale brieven, maar die laatste zouden dan ook niet door Paulus geschreven zijn. We krijgen dan, zo schrijft v. Itterzon terecht, een canon in de canon (blz. 51, zie ook het genoemde werk van Prof. van. 't Spijker, blz. 53).
De genoemde opvattingen komen ook sterk naar voren in het al genoemde rapport-Berkhof over het ambt. Ook Prof. van Niftrik heeft daar indertijd ernstige kritiek op geleverd, en in vele hervormde classes vond het ook niet een al te goed onthaal, van Itterzon herinnert er aan, dat vele classicale vergaderingen een tendens waarnamen zich terwille van de geloofwaardigheid van het evangelie, te voegen naar moderne maatschappelijke ontwikkelingen (democratisering enz.). Terecht merkt v. Itterzon op: "het ambten zijn functie mag niet bepaald varruit de hedendaagse sociaal ethische situatie, maar vanuit de bijbel als het Woord Gods" (blz. 77).
Het is de moeite van het Overwegen waard, wat de auteur schrijft Over de oudsten te Jeruzalem. In aansluiting aan dr H. Mulder denkt van Itterzon hier aan een ander soort oudsten dan in de zendingsgemeenten. Van een verkiezing van hen hoort men niet.
Ze zouden misschien als een raad van oudsten door Jacobus zijn gecreëerd.
Wat teleurstellend is het hoofdstuk "De vrouw in het ambt?"
Er staat een vraagteken achter en het blijft een vraagteken. Van Itterzon vermeldt wel de argumenten van voor- en tegenstanders, n;aar geeft zijn eigen opvatting met.
Er zouden nog wel meer kritische kanttekeningen te maken zijn. Zo worden de bezwaren tegen de uitdrukking "het ambt aller gelovigen" m.i. wel wat overtrokken.
Toegegeven dat het in art. 28 N.G.B. naar de historische zin betekent "De schuldige plicht van alle gelovigen", met het oog o.a. op1 Joh. 4 : 20, 27, H. Cat. antwoord 32 is deze uitdrukking toch te verdedigen.
Belangrijk is ook de weergave van het standpunt van Calvijn (vanaf blz. 79). Deze hervormer zag de n.t. profeten in de schaduw van de doperse "profeten". Calvijn was, niet ten onrechte, beducht 'Voor geestdrijverij. In een behoorlijk geïnstitueerde gemeente was volgens hem, voor zulke profeten geen plaats (blz. 83).
Toch valt het ook moderne exegeten op, hoe de schriftuurlijke gegevens overeenkomen met Calvijns opvattingen. Hij hield zich aan zijn. grondpatroon, maar was, als het nodig was, ook heel soepel in de toepassing.
Samenvattend, van Itterzon gaf ons een waardevolle studie. Er is in deze tijd veel wilde kritiek op het kerkelijk instituut. Men is . soms geneigd tot allerlei experimenten, die wel tot mislukken gedoemd zijn, omdat ze geen geestelijke ondergrond hebben. Het is dan heel goed, dit boekje te bestuderen.
We worden er dan weer aan herinnerd, dat het God behaagt, Zijn genade mee te delen en Zijn gemeente te bouwen door de ambtelijke bediening.

Meld je aan voor onze gratis nieuwsbrief