Waarom dit verbond?
1974-09-06
In een vorig artikel zagen we dat het gereformeerde verband van kerken gekarakteriseerd kan worden met het woord verbond. In dezelfde taal: federatie of confoederatie.- Jaargang 18
- nummer 32
Men komt dit woord om de haverklap tegen bij schrijvers over het gereformeerde kerkrecht.
Er wordt dan, zo zagen we, steeds de nadruk op gelegd dat dit verband vrijwillig wordt aangegaan.
De ene kerk kan de andere niet dwingen tot toetreding. De aard van dit verband sluit alle uiterlijk dwang udt.
Maar die vrijwilligheid is niet een zaak van vrijblijvendheid. Zo is het nooit bedoeld. De verschillende plaatselijke kerken van dezelfde belijdenis vormen geestelijk een eenheid en die eenheid legt de geloofsverplichting op elkaar te erkennen, te dienen en te helpen.
'De wijze waarop dit gebeuren kan en eventueel moet, is een zaak apart, maar de erkenning, van die eenheid ook met de daad is een zaak die buiten discussie heeft te staan, wanneer tenminste de mogelijkheid er toe bestaat.
Het Nieuwe Testament laat er ook niet de minste twijfel over bestaan dat de eerste christelijke gemeenten onderling contact geoefend hebben en hoe dan ook met elkaar in verbinding traden.
Daarover -bestaat onder ons voor zover mij bekend geen verschil van gevoelen. De groeten aan het eind van verschillende brieven wijzen op een kennen van en meeleven met elkaar. De brief aan de Colossenzen moest ook in Laodicea worden voorgelezen en omgekeerd die aan Laodicea te Collosse, Col. 4: 16. We doen maar een greep uit het voorhanden materiaal.
Er is vaak op gewezen dat ondanks dit alles het Nieuwe Testament ons toch geen voorbeelden en voorschriften geeft van kerkelijke vergaderingen, die te vergelijken zouden zijn met onze classes en synoden en dit wordt dan aangevoerd als een instantie tegen zulke vergaderingen; tegen een georganiseerd kerkverband.
We moeten heus niet denken dat dit pas de laatste jaren en alleen onder ons het geval is. Over deze zaak is al eeuwen gestreden en tot eenstemmigheid is men nooit gekomen. Verschillende soorten van kerkbeschouwing en kerkorganisatie zijn uit het overwegen van de Nieuwtestamentische gegevens èn uit de ontwikkeling van de geschiedenis voortgekomen.
Daar is het episcopale systeem, dat bisschoppen kent.
Daar zijn de Erastianen, die aan de Overheid zeggenschap over de kerk toekennen.
Daar is het collegialisme, dat de kerk beschouwt als de religieuze vereniging, die zelfs landelijk kan zijn met plaatselijke onderafdelingen.
Ons interesseren meer de Independenten, die sterke nadruk leggen op de zelfstandigheid van de plaatselijke kerken en nog wel van synoden willen weten, maar dan als vergaderingen zonder recht om besluiten te nemen. Ze zijn slechts adviserende lichamen, meer niet. Over de Independenten zou wel meer te zeggen zijn, met name ook over hun beschouwingen van de gemeente, een belijdenis en de ambten, maar dat laten we nu maar rusten.
Deze Independenten hebben hun bloeiperiode gehad in de 17de eeuw, met name in de tijd van Oliver Cromwel, de geweldige Engelse staatsman. Hun ideeën over de inrichting en regering van de kerk hebben ze met hand en tand verdedigd op de zgn. Westminster Synode, 1643-1647.
Tégenover hen stonden, als grote meerderheid, de presbyterianen, die een gereformeerde wijze van kerkelijk samenleven voorstonden.
Eén van de meest belangrijke punten in de discussies die gevoerd zijn, was of de Heilige Schrift een duidelijk en welomschreven program van kerkelijk (samen)leven geeft en in verband daarmee de vraag naar het goddelijk recht daarin. Vanouds behoren de vragen rond het lus divinum (goddelijk recht, G.J.) tot de meest interessante en centrale kwesties van het kerkrecht, zo begint dr W. van 't Spijker zijn inaugurele rede, gehouden te Apeldoorn op 14 jan. 1972.
En wij zitten vandaag weer midden in deze vragen.
Het zijn niet de vragen van het "dat" - dat we als plaatselijke kerken hebben samen te leven -, maar die van het "hoe".
Geeft het Nieuwe Testament ons daarover uitsluitsel? Vinden we daarin wat de Independenten op de Westminster Synode een "platform" noemden? Een program van kerkregering, een blauwdruk, zodat ons alles precies is voorgeschreven?
Of hebben we bepaalde voorbeelden, waaraan we ons te houden hebben en vinden we bepaalde beginselen, waaruit we verdere conclusies kunnen trekken en direkte bevelen, waaraan we ons te houden hebben?
Zie hier de hoofdvragen, wanneer het gaat om het goddelijk recht van de kerkelijke orde, zoals die te Westminster aan de orde kwamen.
We laten deze "Synode", waarover ds J. H. de Wit in 1969, een dissertatie schreef, nu verder rusten om het probleem zelf vanuit de Schrift onder ogen te zien.
Dat willen we in elk geval proberen.
Om de zaak niet te veel te verbrokkelen, gaan we in een volgend artikeltje daarop nader in.