Sociaal-ekonomisch leven als vorm van belijden (2)

1974-09-06
  • Jaargang 18
  • nummer 32
• De regeling van de slavernij

Ook in de regeling van de slavernij blijkt weer zo duidelijk het ontsloten karakter van deze samenleving, d.w.z. dat het sociaal-ekonomisch leven zich daar als een stukje levend en konkreet geworden verbondsverkeer met de Heer afspeelt Op het eerste gezicht lijkt dat ten aanzien van dit onderdeel helemaal niet waar te zijn.
Slavernij, daar krijgen we de kriebels van, zodra we het woord horen.
Dat geldt voor ons als een rechtstreekse inbreuk op de menselijke gelijkheid. U zou dan ook tegen mij kunnen zeggen: had u nu niet een beter voorbeeld kunnen kiezen?
Maar het wordt wat anders als we letten op de feiten zelf. Laten we ons maar eens konkreet de positie voor ogen stellen van een Israëlische slaaf, d.w.z. een Israëliet die onder de schulden is komen te zitten en die zich met zijn gezin heeft moeten verhuren (verkopen staat er dan) aan zijn naaste om op zijn land te werken.
Om te beginnen moeten we dan vaststellen dat deze slaaf een aantal onaantastbare rechten bezit. Het woord 'horige" is dan ook beter op zijn plaats. Laat ik een aantal van die rechten noemen. Hij heeft het recht op de Sabbatsrust. Het is ook zo dat hem geen slavenwerk mag worden opgedragen. Hij blijft het recht houden van schenking; hij mag zich loskopen. En de slavernij. mag in Israël nooit langer dan 6 jaar duren, want in het Sabbatsjaar, het zevende jaar, komt de slaaf vrij.
En dan nog twee regels, die te mooi zijn om niet op te noemen. Wanneer een slaaf ook maar één tand wordt uitgeslagen betekent dat zijn vrijlating. Op hetzelfde ogenblik moet hij worden vrijgelaten. En wanneer hij wegloopt van zijn baas, dan staat er in Deuteronomium 23, vers 15 de ontroerende regel, dat dan moet worden aangenomen dat zijn heer er het wel naar gemaakt zal hebben. Hij is vrij, hij hoeft niet terug naar zijn eigenaar.
Maar wat gebeurt nu met onze slaaf, wanneer hij niet op een van deze manieren vrijkomt? Wel, laten wij eens even kijken naar zijn positie in het 48ste jaar, Ik kies het tijdstip dus vlak voor het aanbreken van het sabbatsjaar en het jubeljaar: en dan denken we verder aan een gezin dat diep onder de schuld zit, waar man en vrouw op het land van een ander werken en waarbij de schuldenlast nog lang niet is afbetaald.
Wat gebeurt er dan? Het 49ste jaar breekt aan; het Sabbatsjaar. Dat betekent in de eerste plaats dat de slaaf zelf vrij komt met zijn kinderen.
(Exodus 21). Maar dat Sabbatsjaar houdt ook in dat zijn: schulden aflopen.
De looptijd van een schu1d in Israël is niet langer dan 7 jaar. Hij is dus schuldvrij geworden, hij is zelf vrij geworden. Maar nu het 50ste jaar, dat komt erachter aan: het jubeljaar. Hij krijgt nu het land terug, dat hij eerst bezat in de lijn der geslachten. Het keert naar hem terug.
Maar de eigenaar, waar hij gewerkt heeft, is bovendien verplicht hem kleinvee mee te geven en voor één jaar voedsel. Nu moet u eens gaan vergelijken. Een man, die 2 jaar geleden volledig onder de schuld zat, die niets had om van te leven, die is nu op zijn eigen land terug. Hij heeft kleinvee, hij heeft voedsel voor een jaar, hij is van al zijn schulden bevrijd. Hij kan opnieuw leven, Begrijpt u de diepe zin van dit alles? Wel, die is dat we hier nu eens in ekonomische realiteiten ,geïllustreerd zien wat verzoening eigenlijk is. Verzoening is niet een mooi woord. Het is het weggedaan zijn van alle schuld. Het is de genade van het kunnen beginnen met een schone lei. Dat krijgt nu hier zijn illustratie. Het is niet toevallig dat het jubeljaar begint op de tiende dag van de zevende maand, d.w.z. op grote verzoendag, want het trekt de betekenis van de verzoening tot midden in het sociaal-ekonomisch leven door. Dat is iets prachtigs.
Kennen wij in onze samenleving ook die genade van het nieuwe begin?
Ik wil nog één aspekt van deze regeling van de slavernij naar voren.
halen. Wij zijn geneigd om te zeggen, dat iemand behoort tot de klasse van eigenaar of van werknemer; en die plaats hou je in principe je leven lang. In Israël kan het echter zo zijn dat je in het 48ste jaar een onder de schulden bedolven slaaf bent en twee jaar later een vrije boer. In Israël kent men dus niet die vaste klasseverhoudingen die wij kennen. Iedere boer kan na een paar jaar slaaf zijn, en het kan zijn dat zijn slaaf na een paar jaar boer is. En dat is eigenlijk een diepere illustratie van wat gelijkheid onder mensen behoort te zijn dan de goedkope gedachte om iedereen gelijke macht en invloed te geven, een gedachte die heden ten dage zo in de mode is.
Het besef dat er in Israël geen vaste klassen zijn, die ieder mens als het ware beurtelings boer en slaaf kan zijn, wordt nog versterkt wanneer men let op de ingebouwde barrières in de Mozaïsche wetgeving tegen verrijking, d.w.z. tegen het ontstaan van situaties van groeiend en permanente rijkdom tegenover permanente armoede. Gaat u maar na. Als u geld verdient, dan kunt u proberen daarmee rijker te worden door het te investeren in land, door landopeenhoping, maar dat wordt in Israël beperkt door de verplichte teruggave in het jubeljaar.
Je kunt ook proberen rijk te worden door kapitaal op te hopen, dus door te proberen d.m.v. het uitzetten van leningen opbrengsten binnen te krijgen. Maar in Israël zijn na 7 jaar al die schulden verlopen. Bovendien heb je nog niet eens de bevoegdheid om er interest van te vragen. U begrijpt dat het dan vrij moeilijk gaat worden om je te verrijken.
Even een zijspoor, omdat het te boeiend is om niet in te slaan: Israëlieten mochten van buitenlanders wèl interest vragen. (Deuteronomium 23, vers 20). Niet van vreemdelingen die in het land woonden: die vielen onder dezelfde wetgeving als de Israëlieten zelf. Maar buitenlanders, daar mochten de Israëlieten interest van vragen. Is dan niet een uiting van discriminatie? Neen, deze regeling gaat terug op een heel eenvoudige ekonomische noodzaak. Het is namelijk zo dat wanneer een samenleving van een eigen ekonomisch karakter zich moet handhaven temidden van de volkeren, er dan beschermende bepalingen nodig zijn. Wanneer het zo zou zijn, dat de Israëlieten verplicht waren geweest om aan elke buitenlander die het vroeg kapitaal af te staan zonder enige rente daarvoor terug te vragen, wat zou er dan zijn ontstaan? Wel, een enorme vraag van de landen daaromheen naar dat goedkope Israélietische kapitaal. Dat zou m.a.w. een ontzagwekkende kapitaalvlucht uit Israël hebben opgeroepen, en dat zou betekend hebben dat met eigen ekonomisch volksbestaan van Israël fundamenteel zou zijn bedreigd. Het recht van buitenlanders interest te mogen vragen is een eenvoudige economische regel om het eigen karakter van de Israëlische samenleving te beschermen te midden van de kulturen van die tijd.

• De regeling van de tienden

Ook deze regeling is met enige opzet hier als illustratie-materiaal gekozen.
Tienden, dat heeft naar ons oordeel te maken met belastingen.
Dat woord klinkt ons dan ook niet al te vriendelijk in de oren, al zou het tarief van 10 procent ons wel liggen. Maar laten we eens proberen er wat doorheen te kijken. Tienden, d.w.z. een heffing van 10% van de opbrengst van het graan of van het vee; maar wat is de bestemming ervan? Wel, in Deutronomium 14 kunnen we die vinden.
Eén keer in de drie jaar moesten de tienden worden bestemd om in de poort te worden gelegd. Dus 10% van de graanopbrengst moest in de poort worden gelegd opdat de vreemdeling de leviet, de arme en de weduwe het zouden kunnen meenemen. Eén keer in de 3 jaar zijn dus de tienden rechtstreeks bestemd voor bijstand aan de naaste. Je zou ook kunnen zeggen dat 3% van het bruto nationaal produkt van Israël, n.l. 1/3 van 10% gereserveerd was voor de bijstandswet. Maar het is een bijstandswet waarbij de kassa's ontbreken. Wat je nodig hebt ligt in de poort; je kunt het zó meenemen. De barmhartigheid in Israël is geen neerbuigende barmhartigheid, Twee keer in de 3 jaar gebeurt er wat anders met de tienden. Dan moet men die bijeengaren en ze meenemen naar Jeruzalem. En wat moet men er dan mee doen, zult u zich afvragen? Wel, het is voor ons onthutsend om het te lezen, dan moet dat geld of die opbrengst worden gebruikt om met het eigen gezin plus de levieten, dienstknechten en dienstmeisjes feest te vieren, om feestelijk bijeen te zijn voor het aangezicht van de Heer. Zo staat het in Deutronomium 14: je moet kopen van de tienden waar je maar zin in hebt; en daarbij wordt zelfs de mogelijkheid geopperd om de tienden mede in bedwelmende drank te investeren. Het is dus echt wel feest. De boeiende achtergrond van deze regeling van de tienden is, dat God weet, dat we uit ons zelf zo moeilijk aan het feest toekomen. Daarom verplicht Hij zijn kinderen om eerst 10% van de opbrengst van hun arbeid apart te leggen, om hen dan later in de gelegenheid te stellen die opbrengst voor feestvieren te benutten! Dat is opnieuw, zou ik willen zeggen, een trekje van een daadwerkelijke open samenleving. Hier zijn de dingen zo geregeld, dat de mens, dat het volk kan toekomen aan de sjaloom, die ligt dn de feestelijke ontmoeting met God en het in blijheid vrede hebben met de naaste.

(wordt vervolgd)

Meld je aan voor onze gratis nieuwsbrief