Het goddelijke recht van het kerkrecht

1974-09-13
  • Jaargang 18
  • nummer 33
We zouden ons nader bezinnen op de vraag naar het goddelijk recht van de kerkelijke orde, van het kerkrecht, zouden we ook kunnen zeggen. Want het kerkrecht regelt immers de kerkelijke orde.
Dat er zulk een goddelijk recht is, is wel betwist van bepaalde zijde, die kerk en recht onverbindbare grootheden acht (Sohm), maar daar behoeven we onder ons niet bij stil te staan.
Wel is het goed eerst te vragen, wat we met die term "goddelijk recht" nu precies bedoelen. Dat wat de Bijbel over de orde in de kerk zegt? Dat is - afgezien van de vraag of we zo juist formuleren - hoogstens een formele omschrijving van het goddelijk recht.
Een aanduiding ook, waar we het zouden kunnen vinden. Maar het goddelijk recht zelf naar zijn materiële inhoud is het recht van Christus als Koning van zijn kerk en het wil zijn genadeheerschappij over zijn kerk dienen, Hand. 2: 36.
Dit is het enig goede uitgangspunt, wanneer we over het goddelijk recht in de kerkelijke orde denken en spreken. Hoe we het vinden is een andere zaak en daarover is veel te doen geweest, maar het uitgangspunt moet goed duidelijk zijn. Misschien is een betere formulering mogelijk, maar zo is dé zaak zelf toch wel duidelijk.
En het is noodzakelijk om dit uitgangspunt goed in het oog te vatten, opdat het voor ons klaar en duidelijk is, dat we in de kwestie van de kerkelijke orde met een gewichtige aangelegenheid te doen hebben. Het gaat daarbij wezenlijk om één ding: dat Christus' Koningschap doortocht onder ons heeft; zijn heilrijk regiment.

Dat we bij het kerkrecht spreken van het goddelijk recht houdt niet in dat we alle kerkelijke bepalingen moeten kunnen voorzien van "Schriftbewijs". Dit zij duidelijk voorop gesteld. Wel wil het aanduiden dat we ons hebben te hoeden voor menselijke willekeur, die met Christus' recht niet rekent en de doorwerking van Zijn evangelie niet op het oog heeft.
Om aan dit recht van Christus vrij baan te geven hebben we wel voor alles te vragen wat de Heilige Schrift ons leert over de kerk en haar inrichting. Wat daarover duidelijk in de Schrift is geopenbaard, daaraan zijn we uiteraard zonder meer gebonden.
Het is een duidelijke openbaring van Christus' koningsrecht over zijn kerk. Maar daarmee is nog niet gezegd, dat de Schrift en dan met name het Nieuwe Testament ons een pasklaar systeem van kerkregering en kerkinrichting biedt. Men kan dit wel verwachten, maar is deze verwachting gegrond?
Brengt de aard van het Nieuwe Testament en van de Nieuwtestamentische gemeente dit mee? Dat moet bewezen worden voordat men eist dat alleen als kerkelijke orde gelden mag wat expliciet in het Nieuwe Testament beschreven is.
Het is duidelijk dat we voor het kerkrecht de Schrift moeten raadplegen maar dat is nog iets anders dan haar te maken tot een kerkorde zèlf. Wie die kant uitgaat komt terecht in het biblicisme, dat altijd een wettisch karakter draagt en de Schrift atomistisch opvat. Zulk een biblicisme komt bijvoorbeeld aan de dag wanneer gezegd wordt dat wie opkomt voor het houden van classes en synoden daarmee Christus verwijt dat Hij ons tekort heeft gedaan doordat Hij ons daarvan in het Nieuwe Testament niet spreekt.

Dat we in het Nieuwe Testament niet een kant. en klaar systeem van kerk regering ontvangen hebben kan duidelijk worden door zijn spreken over de ambten in de kerk. Dat ze er waren in de eerste christelijke gemeenten, is buiten kijf. Maar welke precies en hoe het er precies mee stond, is heus nog niet zo'n eenvoudige zaak.
Het apostelambt was er, dat spreekt niemand tegen.
Maar vandaag kennen wij in de regering van de kerk geen apostelen meer. Want uit het geheel van het Nieuwe Testament blijkt dat het apostelambt "eenmalig" was: ze waren oor- en ooggetuigen van Jezus en hun twaalftal had symbolische betekenis.
Het "voorbeeld" van dit ambt moet dus gezien worden in het licht van heel het Nieuwe Testament.
Dat kan ons een waarschuwing zijn om niet te haastig met een Nieuwtestamentisch voorbeeld weg te lopen, maar heel de heilshistorie mee onder ogen te zien, iets wat het biblicisme nalaat.
Hoe staat het met de evangelisten?
Wat wij bij dit ambt precies moeten denken is een omstreden zaak.
Vermoedelijk waren zij medewerkers van de apostelen: is dit ambt nu vervallen? Het is verdedigd dat het er nog behoort te zijn.
Duidelijk is wel dat het ouderlingenambt een instelling is van Christus' apostelen en dat dit als een blijvend ambt in de kerk bedoeld is, hoewel de taak ervan nog niet zo eenvoudig te omschrijven is. Vallen de herders en leraars van Ef. 4 : 11 ook onder deze oudsten of opzieners?
Dat het diakenambt eveneens als blijvend is bedoeld, is uit het Nieuwe Testament ook wel duidelijk.
Hier valt te denken aan Fil. 1 : 1 en 1 Tim. 3.
Maar hoe staat het met de diakonessen?
Nog altijd is het een omstreden zaak of men hier van een ambt kan spreken.
Nu spraken we nog niet over pro feten en andere diensten, die in het Nieuwe Testament ter sprake komen. Maar het tot nu toe gereleveerde is voldoende om ons te doen beseffen dat we in het Nieuwe Testament wel bepaalde, vaststaande gegevens hebben, waaraan we ons hebben te houden, maar niet met een kant en klare kerkorde, die we zo maar eventjes uit de verschillende boeken kunnen samenlezen.
Dat heeft de Here Christus blijkbaar niet nodig geacht.
Naar het "waarom?" hiervan willen we in een volgend artikel gaan vragen.

Meld je aan voor onze gratis nieuwsbrief