Sociaal-ekonomisch leven als vorm van belijden (slot)
1974-09-13
• Pijnlijke kontrasten - Jaargang 18
- nummer 33
"Sociaaleconomisch leven als vorm van belijden" - ik hoop dat deze uitspraak nu voor u iets meer zegt dan daarnet. Want inderdaad vinden we in onze wetgeving, in de konkrete regeling van allerlei ekonomische en sociale verhoudingen het belijden, het openstaan naar de levende Heer en naar de naaste, die wij voor zijn aangezicht ontmoeten.
Het is een orde die ontsloten is naar de rust van God. Zijn sjaloom is hier de basis, waarvanuit de menselijke arbeid start. Het is ook een open samenleving in zoverre ze een rechtstreekse illustratie is in ekonomische realiteiten van wat nu eigenlijk verzoening, vergeving en barmhartigheld zijn.
En nu moeten we naar onszelf terugkeren. Wat vindt u nu in vergelijking met die samenleving van ons eigen sociaal-ekonornische samenleven?
U begrijpt wat ik bedoel. Het gaat mij nu niet om vragen of wij voortaan ook onze landbouwgronden 1 keer in de 7 jaar braak moeten laten liggen, of dat wij onmiddellijk de interest moeten afschaffen.
Dat zijn boeiende vragen, maar ze leiden de aandacht makkelijk af van de centrale, ik zou haast zeggen de pijnlijk-centrale vraag n.l. of wij in ons eigen sociaal-ekonomisch leven als mensen van het westen nu dezelfde gerichtheid, dezelfde ontplooiingsrichting aan de dag leggen als die welke hier voor het oude verbond getekend is.
Is het ons sociaal-ekonomisch leven om hetzelfde te doen?
Ik moet u eerlijk bekennen, dat ik hier toch een aantal scherpe kontrasten ervaar. Ik wil er drie noemen.
In de eerste plaats is er in de Israëlische samenleving die openheid naar de rust, die God alleen kan geven. De sjaloom is de basis voor de menselijke arbeid. De Thora luidt: Gedenk de sabbatdag, dat gij die heiligt. In pas staat er daarna daarin: in 6 dagen zult gij al uw werk doen. De sjaloom gaat vooraf aan het werk, geeft daar het kader voor. Maar is het niet zo, dat wij in onze samenleving veeleer zo hebben gebouwd, dat daarin alles allereerst is gecentreerd op ons onrustig jagen; op datgene waar onze prestaties kunnen opleveren.
Is die overtuiging dat het ten laatste van onze eigen arbeid moet komen, ook niet typerend geworden voor de stijl waarin de vakbeweging heden ten dage opereert, en waarin ook ondernemingen soms alleen maar aan eigen expansie denken.
Een tweede kontrast. In de Israëlische wetgeving, is er die illustratie van de genade van het nieuwe begin, die slaven in de rij van vrijen zet. Veeleer is in ons sociaal-ekonomisch samenleven aanwezig de vloek van nooit ophoudende tegenstellingen tussen mensen; tegenstellingen die om zich zelf wille worden aangescherpt. Ook tegenstellingen tussen werkgevers en arbeiders horen daar vaak onder. Ook mis ik, en dat is het derde kontrast, in ons sociaal-ekonomisch leven de feitelijke erkenning dat God als eerste recht heeft over het land en over de natuur. Want dat zou betekenen dat wij voor Zijn natuur, voor Zijn vogels, dieren, planten en vissen op dezelfde wijze zorgen, zoals we zouden zorgen voor de planten van de buurvrouw wanneer die een paar weken met vakantie is. Maar daar blijkt weinig van!
Veeleer hebben wij terwille van de uitbouw van onze eigen welstand de natuur welhaast ten einde toe overheerst en leeggehaald. De in chemicaliën en olie verstikte vissen en vogels in onze omgeving leggen daar het bewijs van af.
Dat zijn dacht ik vrij scherpe kontrasten. Maar het zijn bovendien kontrasten, foute samenlevingsstrukturen kunnen schuiven, zoals heden ten dage zoveel in de mode is. Dat is nu net iets te goedkoop.
Het slaat allereerst terug op hoe wij zelf zijn, hoe wij onszelf ook sociaal-ekonomisch gedragen, en ook op hoe wijzelf aan deze westerse sarnenlevingsorde vorm en inhoud hebben gegeven. En hier zou ik opnieuw het belijden ter sprake willen brengen.
Ik ben begonnen met te zeggen dat het sociaal-ekonomisch leven een vorm van belijden is. Dat gold voor het leven in het oude Israël, maar dat geld ook voor het leven in onze westerse samenleving. En als het u nugaat als mij, dan ervaar ik uit deze kontrasten, die ik net genoemd heb een ander soort belijden dan in het oude Israël. In het belijden van ons, westerse mensen, is dacht ik zo vaak allereerst dit centraal, dat wij ons heil en geluk verwachten van onze eigen prestaties en van ons eigen technisch kunnen. Zo is althans onze samenlevingsorde gebouwd; daarvan legt ze getuigenis af. Het is een samenleving, die allereerst gericht is op de verzadiging van onze eigen behoeften.
En die gebaseerd is op het diepe vertrouwen in onze eigen wetenschappelijke kennis en technologische macht.
Nu weet ik dat daarmee zeker niet alles is gezegd. In de struktuur van de westerse samenleving, in het sociaal-ekonomisch leven van. die samenleving, zijn er gelukkig ook andere dingen op te merken. Dingen, die ons herinneren aan het reformatorisch belijden van het "Coram Deo"; het belijden dat geheel ons leven zich afspeelt voor Gods aangezicht. De vrijheid van het ondernemen van het arbeiden en van het konsumeren zijn mij juist tegen die achtergrond zo dierbaar. Dat zijn als het ware ook stukjes belijdenis. Maar hoe hebben wij die vrijheden gebruikt? Zijn u en ik met behulp van die vrijheden nu toegekomen aan de verzoening, aan de sjaloom, aan het rentmeesterschap over Gods natuur? En dat is dan tegelijkertijd een aanwijzing dat wij als christenen temidden van ddt Westen mede schuldig staan aan een vorm van belijden die van God afgericht is geweest, en dat nàg is.
• Christen zijn en ekonomisch leven
Eindig ik nu met een soort oordeelspreek? Dat is niet mijn bedoeling, al moet ik er wel bij zeggen dat in dit geval een oordeelspreek niet verwerpelijk zou zijn. Want wij gaan in het geheel van het westen in zekere zin w el ene er een oordeel door. Als we zien hoe God de belediging serieus heeft genomen, die aan Hem als eigenaar van het land werd aangedaan in het oude Israël, dan kan de wijze waarop wij met Zijn natuur in het westen zijn omgegaan natuurlijk niet onbestraft blijven. Maar toch zou ik aan het einde van mijn toespraak vooral twee andere dingen willen benadrukken.
In de eerste plaats dit: dat van u en mij als Christenen mag worden verwacht, juist omdat sociaal-ekonomisch leven een vorm van belijden is, dat we een andere sociaal-ekonomische levensstijl aan de dag leggen als die welke om ons heen gebruikelijk is.
Bent u bijv. in uw eigen levensstijl al aan zoiets toegekomen als een open eigendom? Ziet u uw huis en uw auto als zaken die ook voor anderen in hun nood open dienen te staan? En wat is uw konsumptiestijl?
Zoekt u in uw konsumptiestijl uw kracht in het materialistisch wedijveren met uw buren, in het hebben van het mooiste bankstel?
Th wat is de stijl van uw werken? Kiest u uw werk daar waar u het meest verdienen kan? En maakt het voor u enig verschil of de ondernemingen waarvan u dure eindprodukten koopt milieuverontreinigers zijn? En hebt u weleens geprobeerd met uw hulp jongeren of ouderen dde in de goot terecht gekomen zijn, eruit te halen en hen een volstrekt nieuwe levenskans te geven, ook in ekonomisch opzicht?
En legt u uw geld wel eens in de poort? Of is uw barmhartigheid in ekonomisch opzicht eigenlijk wat denigrerend? En verstaat u nog wel de openheid van het echte feestvieren? En nodigt u bij die feesten ook de levieten en de vreemdelingen van vandaag uit, de eenzamen en paria's van deze tijd? Dat zijn zomaar een paar vragen. Het boeiende van vragen als deze is, dat ze eenvoudig niet tot recepten om te bouwen zijn. Lat moet ook niet. Want het gaat hier om de kenmerken van een spontaan geloof en van een spontane Christelijk-ekonomische levensstijl. Ook het sociaal-ekonomisch leven van de eeste Christengemeente was geen kwestie van het navolgen van prachtige blauwdrukken, w aar onze tijd zo vol van is. Het ging erom dat een geloof doorwerkte, ook in de manier waarop men sociaal-ekonomisch met elkaar omging; en daar zal het ook vandaag om moeten gaan.
De tweede en laatste opmerking: juist wanneer onze huidige samenleving eerder een gesloten samenleving is dan een open; veeleer een tunnelsamenleving waarin alles moet- worden opgeofferd om het einde van de tunnel te bereiken, dan één die elke dag naar de komende Heer openstaat; juist dan moeten we in zo'n gesloten samenlevingsstruktuur de moed niet verliezen. Want ons leven, ook sociaal-ekonomisch, is niet dicht te krijgen wanneer Jezus Christus onze deur naar het leven geworden is. Ik kan het ook anders zeggen.
Tunnelsamenlevingen, daarbij hoort een getal 666. Ik hoor daar persoonlijk in - het kan een exegese zijn die aanvechtbaar is - het ritme van het accentueren en goddelijk verklaren (3x) van de vruchten van de onafgebroken voorgaande en zichzelf repeterende menselijke arbeid (6) Een tunnelsamenleving is een verzelfstandigde poging om door voortdurende inspanning en het geven van onszelf het geluk te bereiken, en alles op die kaart te zetten, Maar daarmee wordt nooit de rust, de sjaloom (7) bereikt. Want de rust, de sjaloom is niet getypeerd door ons werken en onze aktiviteiten, maar door het aanvaarden van wat God heeft als basis voor ons leven en werken. Daarom kunnen de tunnelsamenlevingen hier er ons aan herinneren, dat er nog een nieuwe hemel en een nieuwe aarde op komst is. Daarin zullen geen belastingen en tienden meer nodig zijn, want zelfs het water van het leven zal er voor niets te krijgen zijn. Ook slaven en standsverschillen zullen ontbreken, want het jubeljaar zal dan een eeuwige realiteit zijn. En daar is het jachten en jagen tot een eind gekomen, omdat Gods vrede, omdat Hijzelf de enige basis van ons leven geworden is.
Laar zal Hij het centrum zijn. Onze Heer, die ondanks ons, als slechte rentmeesters, toch alles tot Zijn bestemming heeft gebracht.