• Rondom de "kwestie dr Wiersinga"

1974-09-13
  • Jaargang 18
  • nummer 33
Enige weken geleden schreven we in "Kerkelijk Leven" een en ander over bovengenoemde kwestie.
We willen hier nog enkele andere beoordelingen daarvan doorgeven.
Dr Herman Ridderbos citeert het bekende synodebesluit, nl. "een ernstig beroep te doen op dr Wiersinga, dat hij luisteren zal naar het oordeel van de kerk en in verband daarmee hem dringend te verzoeken zich nauwgezet te willen bezinnen over de vraag of zijn confessionele en theologische positiekeuze niet herziening behoeft, zulks in de verwachting, dat hij in zijn ambtelijk werk dit belijden der kerk niet zal weerspreken."
In verband daarmee schreef hij het volgende:

Een ernstig beroep, een dringend verzoek, een (niet nader omschreven) verwachting. Met het eerste zal dr Wiersinga, die al ontzettend veel heeft moeten luisteren, niet veel moeite hebben, Als er in plaats van “luisteren naar" stond: "zich onderwerpen aan" zou het beroep voor hem "ernstiger" zijn. Het dringend verzoek zal hij als serieus en hoffelijk man evenmin naast zich neerleggen, Maar wat zal hij doen met "de verwachting" van de Synode "dat hij in zijn ambtelijk werk het belijden niet zal weerspreken"?
Zoals men uit de dagbladen heeft kunnen lezen zijn tegen het uitspreken van deze verwachting ter Synode ernstige bezwaren gerezen van de zijde van enkele van haar leden en praeadviseurs. niet omdat er (naar hun mening) te weinig, maar omdat er te véél van dr W. verwacht zou worden, als men zou menen.
dat hij in zijn ambtelijk werk de belijdenis van de kerk niet (langer) zou moeten bestrijden. In deze gedachtengang riekt het uitspreken zelfs van een zodanige verwachting blijkbaar toch nog énigermate naar Leertucht. En dat is wel het laatste, wat men in deze situatie in geding gebracht zou willen zien.
De Synode heeft zich daardoor (gelukkig) niet van haar stuk laten brengen, maar bij deze verwachting gepersisteerd. Wel heeft zij het bij een "verwachting" gelaten. Zij heeft van dr Wiersinga niet gevráágd of van hem verlangd, dat hij de kerkelijke belijdenis van de verzoening niet (langer) zal bestrijden; zij verwacht het slechts van hem. Op welke grond de Synode deze verwachting koestert, is niet duidelijk. Tot nu toe heeft dr W. Voor deze verwachting geen grond gegeven. Evenmin kan de Synode haar verwachting baseren op hetgeen zij als Synode thans zèlf besloten en uitgesproken 'heeft. Zij heeft immers niet willen zeggen, dat zij de opvattingen van dr Wiersinga binnen het kader van de gereformeerde belijdenis onaanvaardbaar acht. De Synode heeft wèl gezegd door dr Wiersinga niet overtuigd te zijn, maar geweigerd te. zeggen. dat zij zijn opvatting een "ernstige verkorting acht van het evangelie" (zoals de Commissie had voorgesteld). Voorts heeft zij de héle kwestie méér dan vroeger in discussie gegeven voor de e.k. jaren. Wat moet dr Wiersinga nu zelf denken van deze verwachting en welke betekenis moet de 'kerk er aan toekennen? Men Ivan niet zeggen, dat de Synode niets gedaan heeft ten gunste van de geldigheid van de kerkelijke belijdenis der verzoening; maar men kan ook niet zeggen dat het nog veel is.
Zelfs de verklaring van okt. 1971 is, doordat haar grondslagen nader in bespreking moeten worden genomen, niet weinig afgezwakt. Aan de goede confessionele bedoelingen van de meerderheid der Synode behoeft niemand te twijfelen; Maar het beeld is dat van een grote verwarring en onbeslistheid, Men kan wellicht zeggen, dat de situatie op de Synode geen ander resultaat toeliet: men leze slechts de persverslagen van de belangrijkste redevoeringen die er zijn gehouden! Kon daaruit nog iets anders voortkomen, dan een beslissing tussen wal en schip en de trouvaille om vanwege de synodale machteloosheid de zaak-voor de e.k. jaren maar uit te besteden aan een studiecommissie met vrijere armslag en niet - gelijk de Synodebelast met de kerkelijke verantwoordelijkheid voor de confessie?
Of het niet anders en beter gemoeten had, is voor mij geen vraag en waarschijnlijk ook niet voor de meerderheid van de Synode. De vraag blijft over, of het ook niet beter gekund had en zo neen, waarom dan niet.

In een tweede artikel stelt Ridder bos de vraag wat de gemeente eigenlijk denkt bij "de kwestie-
Wiersinga". Daarover zegt hij het volgende:

De zoveelste theologen-twist, waarbij men vóór alles moet roepen: géén tucht in de leer!? Zou zij er nog iets van beseffen, dat het hier niet gaat om theologische spitsvondigheden maar om hetgeen niet alleen in de tijd van de reformatie, maar ook in Paulus' brief aan de Romeinen, ook in de brief aan de Hebreeën de grote kernvraag is geweest: hoe zijt gij rechtvaardig voor Go!d? Wat Paulus de toerekening noemt van de gerechtigheid van Christus, wat de reformatoren de justitia aliena, de vreemde gerechtigheid noemden en wat in de Hebreeënbrief heet het eenmaal aan God gebrachte en het altijd geldende offer van Christus, dat is aan de orde en niets minder. Als de kerk zich dat kan laten ontnemen zonder in beweging te komen is een Synode uiteraard machteloos.
Zijn wij zover? Als ik mijn oor te luisteren leg, bijv. in het in dit nr. opgenomen ingezonden, dan denk ik: ja! Maar er zijn ook andere stemmen. Juist deze week ontmoette ik iemand, die pas voor de dood gelegen had en de tijd had gekregen over alles nog eens goed na te denken.
Hij was (is) een eenvoudig man. maar wat men noemt: kerkelijk meelevend. Hij zei tegen mij: beller dan ooit heb ik toen beseft, dat wanneer ik enkel met het effect van de verzoening in mijn leven en niet met hetgeen Christus eenmaal voor mij voldaan heeft voor God moet verschijnen, de aanvechting mij te groot zou worden.·Er zijn anderen, die vinden, dat je in zo'n situatie zo diep niet meer denkt en dat de kerk in het algemeen "bij deze dingen niet leeft". De eerste getuige zag daarom bij het horen van het Synode-besluit zijn oren wel meer spitsen dan de tweede.
Moet hij dan nochtans in zijn geloof maar liever weersproken worden dan dat in de klerk de rust van die anderen verstoord wordt?
En wat het tweede betreft: kan op een synodale vergadering en in een synodale gemeenschap het geloof nog.- anders dan per psalmgezang - beleden worden dwars door de, steeds gecompliceerder theologische probleemstellingen heen? Iemand ik weet niet meer wie - (het was dr Noordmans – C.V.) heeft gezegd, dat Calvijn de paus schaakmat gezet heeft door de pion van de ouderling.
Tegenwoordig denk ik: is de rol van de pion nu toch uitgespeeld?
Wordt hij (de ouderling) op zijn beurt toch weer uitgeschakeld door de "raadsheer" van de theologische doctor of hoogleraar?
lik weet als theoloog zeer goed, dat "alles niet zo eenvoudig" is en dat de roep om "duidelijkheid" en "klare taal" dikwijls bewijst, dat de mensen niet weten waarover zij praten. Maar als de gemeente in haar belijden, dat Christus voor haar zonden is gestorven naar de Schriften met allerlei theologische bestrijding geconfronteerd wordt, waarvan zij weet, dat deze haar geloof in de kern raakt; en als de gemeente zich deze bestrijding nochtans moet laten wel/gevallen omdat in de vrije theologische discussie alle vragen nog niet zijn beantwoord, nu. dan is er naar mijn oordeel in de kerk iets fundamenteel mis. En dan hoop ik. dat de pion terugkeert, die, de "koningin" (der wetenschappen) althans in de kerk aan haar plaats zal weten te binden.

Dr Runia schreef over deze zaak in het Centraal Weekblad. Ook hij betreurt diep dat de synode niet tot een duidelijker uitspraak kon komen. Hij schrijft:

Het voorstel van de meerderheid zou veel duidelijker hebben laten uitkomen, dat we als kerken gereformeerd willen blijven, in deze zin, dat we voor onze belijdenis staan.
In het nu genomen besluit zit ongetwijfeld een element van onduidelijkheid en onzekerheid. De synode spreekt wel uit dat de kerk als geheel wil blijven bij wat in haar confessie staat over de verzoening, maar ze trekt daar niet de volle consequentie uit, nl. dat van elke ambtsdrager verwacht en gevraagd wordt daar ook persoonlijk con amore (met liefde, dat wil dus zeggen met zijn hart) achter te staan en zich daar ten volle aan te houden.

Dr Runia is van oordeel dat dit synodebesluit een bepaalde achtergrond heeft. Hij zegt daarover het volgende:

Op de achtergrond van dit alles speelde duidelijk de angst voor een nieuwe leertuchtprocedure een beslissende rol. In het minderheidsvoorstel was dit ook met zoveel woorden gezegd. ‘Wij vrezen dat het aanvaarden van de voorstellen van de meerderheid van de commissie kán leiden tot een traditioneel leertuchtproces . Wij menen echter dat dat in dit geval voor de kerken een ramp zou betekenen.’ Natuurlijk is deze angst heel goed te begrijpen. We hebben in het verleden bepaald niet veel vreugde beleefd aan leertuchtprocedures. In bijna alle gevallen hebben ze geleid tot een breuk in de kerk. Toch hebben we tot dusver altijd volgehouden dat een leertuchtprocedure mogelijk moet blijven. Juist dit hoort tot het zgn. gereformeerde karakter van onze kerken. We willen de belijdenis zo serieus nemen dat we er, als het nodig is, een leertuchtprocedure voorover hebben.
Nu is het niet zo dat de synode vorige week 'heeft uitgesproken, dat we nooit weer leertucht zullen uitoefenen.
Men kan zelfs met recht stenen, dat wat er vorige week is uitgesproken t.a.v. dr Wiersinga een duidelijke vorm van leertucht is.
Maar ik vrees wel, dat mee op grond van de wijze waarop nu de zaak is behandeld, het in de toekomst hoe langer hoe moeilijker zal worden, misschien weI onmogelijk, om nog ooit tot een zgn. leertuchtprocedure te komen. Natuurlijk verlangt niemand naar iets dergelijks. Maar de weg er toe moet openblijven. Ze staat ook duidelijk beschreven in art. 116 van de kerkorde.
Maar ik moet eerlijk zeggen, dat het m.i. in de toekomst wel erg moeilijk zal worden, na deze beslissing.
De gang van zaken ten aanzien van de in geding zijnde kwestie overziende constateert dr Runia een ernstige zwakheid in het lichaam der kerken.

Met opzet zeg ik het zo: 'In het lichaam' van onze kerken. Men mag nl. niet alleen maar naar de synode kijken, maar zal moeten beseffen dat de synode een weerspiegeling is van het lichaam van de kerk zelf.
Er zit een stuk innerlijke zwakheid in dit lichaam zelf. Zij de bespreking van andere rapporten tijdens deze zitting kwam dat duidelijk uit.
Je schrikt, als je hoort dat er steeds meer gezinnen zijn waar praktisc:h niets meer terecht komt van het gemeenschappelijk bijbellezen om van het persoonlijke bijbellezen maar niet eens te spreken. Of als je hoort dat er gemeenten zijn waar de catechisaties van 12-16 niet meer gegeven worden en er (zelfs in grote gemeenten) maar een handvol jongelui komen op de zgn. 'grote' catechisatie.
Dit is een situatie die zonder meer onrustbarend is. Het is ook een situatie die niet door een synodebesluit opgelost kan worden. Hier gaat het over de gemeente zelf.
Natuurlijk weet ik wel dat dit niet het hele beeld is. Er zijn ook nog de zeer velen die dicht bij de Heer leven. Er is nog een enorm stuk geestelijke vitaliteit in onze kerken.
Maar we. mogen de ogen niet sluiten voor 'het feit dat daarnaast een diep-invretend saecularisatieproces gaande is, dat leidt tot een geestelijke uitholling die een mens met grote zorg vervult.

Ook de Stichting Confessioneel Gereformeerd Beraad heeft zich over de synodebesluiten inzake dr Wiersinga uitgelaten. Zoals men weet is deze Stichting min of meer de exponent van de "middengroep" in de Geref. Kerken.
Het Stichtingsbestuur schreef een brief over deze zaak aan de kerken.
Daarin wijst het op en "tegenstrijdigheid in de synodale uitspraken".
Het sprak als zijn oordeel uit:

dat het besluit van de synode van 7 juni jl. innerlijk tegenstrijdig is.
Enerzijds stelt het dat "overeenstemming bestaat", anderzijds dat ds Wiersinga ontkent dat die verzoening bereikt wordt doordat Christus het gericht Gods in onze plaats !heeft gedragen".
De synode verklaart uitdrukkelijk dat "die 'belijden een essentieel bestanddeel uitmaakt van de verzoeningsleer der confessie, zodat een ontkenning hiervan te kort zou doen aan de rechte prediking van het evangelie der verzoening", Het is een raadset hoe overeenstemming kan bestaan, terwijl naar het oordeel van de synode zelf een essentieel bestanddeel wordt geloochend. Overeenstemming moet toch betekenen dat men het over het essentiële eens is geworden, Het Confessioneel Geref. Beraad heest voorts ernstige bezwaren tegen het feit, dat ten aanzien van dr Wiersinga alleen de verwachting werd uitgesproken dat hij in zijn ambtelijk werk het belijden der kerk niet zou weerspreken en dat van hem niet gevraagd werd (positief) zich te houden aan het belijden der kerk zoals de meerderheid van de commissie der synode voorstelde.
Had de synode zich achter dit voorstel geplaatst, dan zou dr Wiersinga met een duidelijk ja of nee hebben moeten antwoorden.
Daarmee zou niets anders van hem zijn gevraagd dan hetgeen van alle ambtsdragers bij hun ambtsaanvaarding, mede in het ondertekeningsformulier wordt gevraagd en waartoe ook dr Wiersinga zich eens had verbonden. Maar nu heeft de synode door haar besluit dr Wiersinga in een uitzonderingspositie geplaatst.
Van hem wordt niets gevraagd alleen maar iets verwacht.
Is het recht in de kerk van Christus ten opzichte van de ene ambtsdrager andere voorwaarden te stellen dan ten opzichte van de ander?

Naar het oordeel van "Confessioneel Gereformeerd Beraad" is er door het synodebesluit een situatie van grote onzekerheid in de kerken ontstaan. Het schrijft daarover het volgende:

Wanneer kandidaten bij het afleggen van kerkelijke examina er blijk van geven fundamentele bezwaren te hebben tegen de verzoeningsleer van de belijdenis, moet dan niet uit een oogpunt van eerlijkheid en billijkheid eenzelfde gedragsregel gevolgd - namelijk het voeren van een gesprek om hen te overtuigen, terwijl al voorts toegelaten worden tot de dienst van het Woord en van de sacramenten? Het laatste zou met zich meebrengen dat in prediking en onderricht en niet te vergeten in de bediening van het Heilig Avondmaal - dat juist een belijden is van en een herinnering aan het sterven van Christus onder Gods gericht een "essentieel bestanddeel van de verzoeningsleer" (om met de synode te spreken) wordt geloochend.
De stichting CGB vindt dit een tekort doen aan het karakter van de Gereformeerde Kerken als belijdende kerken en vraagt de synode zich nader te bezinnen op het door haar genomen besluit.
Zij wekt de kerkeraden en classicale vergaderingen op te gehoorzamen aan wat haar schriftuurlijke roeping is van Godswege, namelijk te waken bij de rechte prediking van Gods Woord en te weren alles wat daarmee in tegenspraak is. Zij hebben in dit opzicht een eigen verantwoordelijlklheid.

De brief eindigt met deze passage:

Wij begrijpen dat voorzichtigheid inzake de uitoefening van de tucht gewenst is, ook dat de huidige situatie van de Gereformeerde Kerken zulk een Uitoefening moeilijk maakt. Wij zijn niettemin van oordeel dat het juist om deze situatie te veranderen o.m. nodig is te weren al wat het belijden van de kerk duidelijk weerspreekt.
Ten overvloede kan nog gewezen worden op het feit dat het ook voor onze zusterkerken nadelig zou zijn als de Gereformeerde Kerken haar belijdend karakter niet langer zouden bewaren. Uit het oogpunt van oecumenische roeping is het zeer noodzakelijk dat wij onze zusterkerken herinneren aan het belijden der gemeente en dat zij ons er aan herinneren.
Het Confessioneel Gereformeerd Beraad wekt de leden van onze kerken, alsmede haar kerkeraden en classicale vergaderingen op, zich te richten tot de Generale Synode en hun instemming te betuigen met deze Open Brief.

Het scherpst liet de organisatie der "Verontrusten" "Schrift en Getuigenis" zich over de door de geïncrimineerde synodebesluiten uit. Zij publiceerde een brief van deze inhoud:

Deze verklaring is reeds eerder in "Opbouw" afgedrukt in het nummer van 30 augustus jl. op pag. 236.

We hebben dit alles laten afdrukken opdat onze lezers een beeld zullen kunnen vormen van wat er in de (synodaal) Geref. Kerken gaande is.
Wij weten dat van rancune of wrok over wat er in het verleden geschied is onder hen geen sprake meer is. En dat het voor hen een grote vreugde vzou zijn als een hereniging op een voluit Schriftuurlijke, gereformeerd-confessionele basis mogelijk was.
Maar we dienen wel te bedenken dat de rechtvaardiging van de goddeloze op grond van de zelfofferande van Christus aan het kruis - om met Calvijn te spreken - "het hart der religie" is, En dat als de kennis daarvan wordt weggenomen "de heerlijkheid van Christus verduisterd, de religie vernietigd, de kerk verwoest en de hoop op de zaligheid volledig weggevaagd wordt."

Meld je aan voor onze gratis nieuwsbrief