De datum van Pasen
2005-04-22
Met veel belangstelling las ik het artikel in ‘Opbouw’ no. 6, getiteld ‘Gods lente’. Nu heb ik ook een abonnement op het blad ‘Horizon’, van de Protestantse Gemeente Amsterdam.- Jaargang 49
- nummer 8
Dit blad komt een week eerder uit dan ‘Opbouw’ en ook daarin stond een artikel over de datum waarop Pasen gevierd wordt onder de titel ‘Pesach – Pascha – Pasen’.
De schrijver van dit artikel, Peter Tomson, legt uit dat het misverstand ontstond vanuit de verschillen die al bij de viering van Pesach of Pascha bij de joden ontstond.
Er waren twee kalenders gangbaar, één bij de Sadduceeën die de datum vaststelde aan de hand van wat er in Leviticus staat over de eerste schoof die na Pesach geoogst wordt, die naar de tempel gebracht moest worden ‘op de morgen na de sabbat’, dus zondag.
Dan moesten er zeven weken geteld worden voor het feest van de ‘Weken’, Sjavoet (Lev. 23 : 11,15). Men telde de eerste dag mee, dus ook het Wekenfeest zou op een zondag vallen.
De Sadduceeën hanteerden de letterlijke uitleg volgens deze tekst.
Volgens de andere groep, de Farizeeën, betekende Sjabbat in Leviticus 23 niet ‘sabbat’, zaterdag, maar feestdag in het algemeen, volgens Peter Tomson geen 'onmogelijke uitleg, maar waarschijnlijk niet de bedoeling van Leviticus'. Zij hielden rekening met de Babylonische ballingschap waardoor de meeste joden zich aan een maankalender met andere namen hielden.
Deze kalender geldt volgens het artikel tot de dag van vandaag. Pesach valt daardoor niet meer in Aviv, de ‘Lentemaand’ van de Tora (Exodus 13 : 4), maar op de vijftiende van de maand Nisan (vgl. Ester 3 : 7).
Volgens de Sadduceeën moest Pesach, uitgaande van het Sjavoet dus altijd op woensdag vallen. In de kalender van de Farizeeën begint elke maand op nieuwe maan, en dan kan Pesach op alle dagen van de week vallen, ook op zaterdag.
De Sadduceeën waren een heel ander type joden dan de Farizeeën, die meer gerespecteerd werden door het volk dan de Sadduceeën die meer de letterlijke uitleg van de tekst volgden.
Pas bij de ontdekking van de Dode Zee rollen is het verschil in visie duidelijk geworden en volgens Peter Tomson is het niet uitgesloten dat er nog andere kalendervarianten bestonden.
Tot zover de historische uitleg van Peter Tomson. Maar nu wordt het interessant, vind ik: hij probeert dit verschil ook aan de hand van bijbelteksten van Marcus en Johannes te laten zien. Ik citeer: 'Marcus zegt, net als Lucas, dat Jezus laatste maaltijd een Pesachmaaltijd was (Marcus 14 : 12). Dat roept de vraag op, hoe de Joodse raad Jezus op de volgende dag, de eerste dag van Pesach, kon veroordelen en aan Pilatus uitleveren (Marcus 15 : 1). Volgens een aloude joodse traditie kan op feestdagen namelijk geen recht gesproken worden. Johannes zegt echter dat Jezus aan Pilatus werd uitgeleverd op de vooravond van Pesach, en hij dateert de laatste maaltijd uitdrukkelijk ‘vóór het Paschafeest’ (Johannes 13 : 1) Johannes volgt kennelijk de joodse kalender die in de tempel en door de priesters aangehouden werd: Jezus laatste maaltijd valt vóór Pesach, zodat de priester hun Pascha in reinheid kunnen eten (Johannes 18 : 28).
Niettemin heeft Johannes één opmerkelijke gebeurtenis met Marcus gemeen: de voetwassing. met nadruk zegt Johannes dat deze plaatshad in Bethanië, zes dagen voor het Pascha (Johannes 12 : 1). Ook volgens Marcus was het in Bethanië, alleen twee dagen voor het Pascha (Marcus 14 : 1-3).
Marcus en dus ook Lucas en Mattëus, rekenen daarom volgens een andere Joodse kalender dan Johannes.' (einde citaat)
Eind tweede eeuw waren er twee christelijke feestkalenders. Volgens de ene, die vooral in Klein-Azië gevolgd werd, was Pasen gekoppeld aan de Farizees-joodse datum, de vijftiende Nisan. In Klein-Azië had men tevens een grote voorliefde voor Johannes en volgens Peter Tomson wordt het daarmee waarschijnlijk dat de kalender die Johannes volgde de Farizeese maankalender is. De andere kalender werd onder meer gehouden in Rome, waar men zich beriep op de traditie van Marcus en Lucas. Via verschillende leerlingen van Jezus had het christendom dus ook de kalenderdiversiteit geërfd van het jodendom, maar dit had volgens Tomson weinig te maken met sympathie voor de joden. Er waren twee oorlogen gevoerd tussen de joden en de Romeinen en onder deze omstandigheden waren de christenen losgeraakt van het jodendom en zich ertegen gaan afzetten. Op gezag van keizer Constantijn koos het concilie van Nicea in 325 voor de Romeinse kalender, omdat hij vond dat het christelijke Pasen het feest van de ‘verderfelijke joden’ niet langer mocht volgen.