De mondigheid van de gemeente
1974-09-20
We vinden in het Nieuwe Testament geen uitgewerkt systeem van kerkrecht en wilden - daarmee eindigden we ons vorige artikel - vragen naar het "waarom" daarvan.- Jaargang 18
- nummer 34
De reden daarvan is gelegen in de mondigheid van de Nieuwtestamentische gemeente. Over die mondigheid spreekt Paulus in Gal. 4 : 5, waar hij het heeft over het recht van zonen, waartoe Christus ons heeft vrijgekocht. We willen om goed te zien wat hier bedoeld wordt luisteren naar prof. dr S. Greijdanus, die in de Korte Verklaring op dit Bijbelboek het volgende zegt: "Met deze aanneming tot zonen bedoelt de apostel wederom niet enkel de geestelijke geboorte der gelovigen uit God door den Heiligen Geest, maar wijst hij, zoals uit de volgende verzen blijkt, en in overeenstemming met 3: 26, tevens op de hoge, vrije, zelfstandige positie als van geestelijk mondigen, welke de gelovigen nu ontvangen hebben. Zij staan niet meer, zoals de gelovigen van den Ouden dag, onder de wet met haar schaduwendienst, en worden niet meer als onmondige, geestelijk minderjarige kinderen behandeld, die in alles geleerd moeten worden, voor alles bevelen moeten ontvangen, zonder zelf te kunnen inzien en beoordelen, wat nodig is, en onder opzicht staan, op velerlei wijze gebonden zijnde, doch mogen de eer hebben van, als volwassen zonen, onverhinderde, volle gemeenschap met God te oefenen, Joh, 4 : 23, en tot op zekere hoogte zelf te beoordelen, wat hun heilige plicht is volgens de hun in den Heere Christus ten deel geworden liefde en genade Gods."
Het citaat is wat lang uitgevallen, maar we wilden het onze lezers niet onthouden, omdat het op wel zeer duidelijke manier de positie van de Nieuwtestamentische gemeente aangeeft. Zij behoeft niet voor alles bevelen te ontvangen, maar mag tot op zekere hoogte zelf beoordelen, wat haar heilige plicht is. Natuurlijk niet in willekeur, maar vanuit de haar ten deel gevallen liefde en genade Gods, zegt Greijdanus.
We moeten ook deze woorden niet pressen.
Ze houden niet in dat de Here in de bedeling van het Nieuwe Verbond zijn gemeente ook niet op allerlei wijze concrete geboden en aanwijzingen heeft gegeven. Die vinden we in het Nieuwe Testament m.h.o. op verschillende levensgebieden.
Voor het huwelijk, voor de sociale omgang, ook voor het kerkelijk leven. Zo vinden we bv. in 1 Tim. 3 de vereisten voor het bedienen van het ambt van ouderling en diakenen. Wanneer de omstandigheden..dat meebrachten of noodzakelijk maakten, spraken de apostelen wel heel concreet.
Maar toch geeft datzelfde Nieuwe Testament duidelijk het verschil met de tijd van het Oude Verbond aan en brengt het de mondigheid van de Nieuwtestamentische gemeente in rekening.
Schrijft het Nieuwe Testament ons precies voor hoe de kerkdienst, de godsdienstoefening ingericht moet zijn? Hoeveel diensten er per week gehouden moeten worden? Hoeveel de gemeenteleden van hun inkomen moeten afstaan voor de kerkdienst? Wanneer we in deze en andere zaken het Nieuwe Testament vergelijken met het Oude, dan valt ons het verschil wel op en krijgen we oog voor de mondigheid van de Nieuwtestamentische kerk, die een bepaalde mate van vrijheid inhoudt voor wat de inrichting van het kerkelijke leven betreft.
Wat dat betreft zoekt men in net Nieuwe Testament tevergeefs naar een afgerond systeem en wie dat er in wil vinden miskent de aard van het Nieuwe Testament.
Natuurlijk hebben we uit te gaan van wat de Here ons in zijn Woord duidelijke openbaart: van de duidelijke bevelen - we verwezen als voorbeeld naar 1 Tim. 3 - en van voorbeelden, die ais zodanig zijn bedoeld. Van de algemene beginselen, die we in de Schrift vinden en bij de verwerking en nadere uitwerking daarvan hebben we te bedenke dat alles het genaderecht van koning Jezus dienen moet. Het moet staan in dienst van Zijn goddelijk recht. Het is goed en noodzakelijk om alle aanwijzingen, die de Here ons geeft op te sporen en daarmee onze winst te doen.
Maar we zullen ons er voor moeten hoeden de mondigheid van de gemeente uit het oog te verliezen en te menen dat we in het Nieuwe Testament een compleet wetboek voor de kerkregering kunnen vinden.
Dat de in het Nieuwe Testament genoemde gemeenten contact met elkaar onderhielden is een duidelijk gegeven, dat voor ons van richtinggevende betekenis is.
Daarin kwam hun geloofsgemeenschap tot uiting. Over de wijze waarop wordt ons ook het een en ander meegedeeld. Groeten, bezoeken, doorgeven van apostolische brieven enz. Daar kunnen we ook onze winst mee doen, maar hier spelen tijd en omstandigheden toch hun eigen rol. We behoeven elkaar niet meer bepaalde met de hand geschreven apostolische brieven toe te sturen.
We behoeven ook niet meer bepaalde collecten door een deputaatschap naar elkaar te laten brengen. Daar kunnen nu de banken wel voor zorgen.
Vandaag grijpen de apostelen niet meer in, wanneer er afwijkingen van de rechte leer of wandel zijn ineen gemeente. Men kan wel zeggen: maar nu hebben we het apostolische woord, maar dat is een in dit verband weinig zeggende opmerking, omdat het juist gaat om de afwijking daarvan in een bepaalde gemeente.
Dan zullen we nu toch elkáár als gemeenten daarop moeten wijzen en tot dat apostolische Woord moeten trachten terug te brengen.
Hoe?
Dat is een zaak van nadere overweging, waarbij het goddelijk recht van Christus op Zijn gemeente ons leiden moet en verder tijd en omstandigheden in acht genomen moeten worden.
Maar die nadere overweging kan niet gemist worden: de gemeenten zijn mondig.
Alle kerkelijke bepalingen, die de regering der kerk en het samenleven der kerken nader regelen, hebben het recht van Christus te dienen. Dat sluit overheersing van elkáár uit. Dat sluit ook uit het recht van bepalingen te maken die afwijken van wat Christus ons heeft bevolen in Zijn Woord en die de gewetens zouden binden als een stuk van onze godsdienst. Alleen wat de eendracht en de eenheid voedt en bewaart is acceptabel (art. 32 N.G.B.).
Maar dergelijke bepalingen zijn dan ook nuttig en goed, zegt hetzelfde artikel.
Dat classes en synoden in het Nieuwe Testament niet voorkomen mag ons er vanwege het bovenstaande niet toe brengen het houden ervan te veroordelen.
Maar wel is van betekenis welke rechten er aan worden toegekend en wat men er mee beoogt. Daarover valt nader te spreken, zoals onze kerken dat hèbben gedaan tegenover een hiërarchisch kerkrecht.
Wel moet worden opgemerkt dat het aantal kerkelijke bepalingen zo gering mogelijk moet worden gehouden en ook de nadere kerkelijke inrichting van samenleven zo sober mogelijk. Want de geschiedenis leert ons dat anders een invalspoort wordt geschapen voor menselijke heerschappijvoering en overwoekering van het Woord van God door menselijke regelingen.