Een Ethiopisch manuscript

1974-09-20
  • Jaargang 18
  • nummer 34
Enige tijd geleden - het was half mei - werd mij een Ethiopisch manuscript ter hand gesteld met het verzoek na te gaan wat het bevatte: De bezitter had het op een reis in Ethiopië verworven zonder te weten wat het was. Wel kon hij sterk vermoeden dat het heilige geschriften zou bevatten, maar wélke het waren bleef hem voorshands onbekend. Via enkele tussenpersonen, van wie de laatste wist dat ik mij de voorafgaande maanden vrij intensief met Ethiopisch had beziggehouden, kwam het handschrift bij mij terecht.
Het boek is 171/2 cm lang, 11 1/2 à 12 cm breed en, met de band erbij gerekend, 4 1/2 à 5 cm dik. De bladen, die van perkament zijn, vormen een dikte van ongeveer 3 1/2 cm. De band is gemaakt van twee met leer overtrokken plankjes, en dit leer loopt over de rug door.
Het aantal bladzijden is 246. Eerst zijn er 4 pagina's die elk twee kolommen bevatten, dan volgen 220 pagina's dde in enen door beschreven zijn, en aan het slot staan nog eens 22 twee-kolomenige bladzijden.

Mij bleek al spoedig dat op pag. 5 psalm 1 stond, en bij nader onderzoek zag ik dat het gehele psalmboek was opgenomen, met inbegrip van psalm 151, waarover straks nader. Na de psalmen volgden de Oden, een liederenbundel die in de Griekse Bijbelvertaling als boek voorkomt, maar waarvan een groot aantal zangen aan Oude of Nieuwe Testament ontleend is. Vervolgens kwam het Hooglied, terwijl het laatste, twee-kolommige gedeelte lofzangen op Maria bleek te bevatten.
Met de eerste vier, twee-kolommige pagina's kan ik (nog?) niet goed overweg. Wel heb ik al gezien dat in de eerste anderhalve kolom vele namen van apostelen voorkomen en in het dan volgende stuk vele namen van maanden.
De context ontgaat mij echter tot op heden. De laatste twee pagina's, aan het eind van het boek, sluiten vermoedelijk aan bij de eerste vier.

Het Ethiopisch is een Semietische taal, verwant met o.a. Hebreeuws en Aramees, de talen van het Oude Testament. Het dialect waarin sinds de vijfde eeuw de Bijbel en allerlei godsdienstige en historische geschriften te boek gesteld zijn was in de vijftiende eeuw al zo goed als uitgestorven als spreektaal, maar tot op heden is het als' kerktaal en taal der geleerden nog in gebruik. Men kan dit verschijnsel vergelijken met het gebruik van het Latijn als kerktaal en taal der wetenschap in West-Europa tot ver in de nieuwere tijd. En zoals een "leek" de inhoud van de Latijnse kerkelijke liturgieën niet kon begrijpen, en er ook wel tijden zijn geweest dat een pastoor niet of nauwelijks wist wat hij zei bij het prevelen van zijn geijkte formules, zo kan ook de Ethiopische "leek" niet verstaan wat er gezegd wordt en doet menig kerkelijk ambtsdrager niet anders dan de uit het hoofd geleerde formules opzeggen, ronder ze te vatten.
De gewone man kan dan ook zelf niet in de Bijbel lezen. Hoogstens weet hij er bepaalde namen in te ontcijferen. Hij kent het schrift wel, en in zoverre kan hij ook in de Bijbel leren, maar wat er staat ontgaat hem ten enenmale.
Ook het handschrift waarover het hier gaat is in deze kerktaal gesteld.
Het christendom is vanuit Egypte in Ethiopië bevorderd. Daar, in Egypte, was de invloed van de Griekse cultuur heel sterk. Daar heeft men ook de Hebreeuws-Arameese Bijbel in het Grieks vertaald, welk werk al in de derde eeuw vóór Chrdstus een aanvang nam. Deze Griekse Bijbel, die behalve de ons bekende boeken van het Oude Testament. een aantal andere in de kerkelijke wereld van die dagen hoog geschatte boeken bevat, welke door de kerk der reformatie niet als canoniek erkend werden en· bekend staan als apocriefe boeken, draagt in de wandeling de naam Septuagint. Het Latijnse woord septuaginta betekent zeventig.
Deze benaming van de Griekse Bijbel dankt haar ontstaan aan een oude legende die zegt dat 72 Joodse schriftgeleerden, uit elke stam zes, deze vertaling vervaardigd hebben. Voor het gemak maakt men er zeventig van, en zo heet dan deze Bijbelvertaling Septuaginta of, zonder de a-uitgang, Septuagint.
Welnu, de Ethiopische Bijbel is niet een vertaling rechtstreeks uit de oorspronkelijke talen, maar een vertaling uit het Grieks. Dat is ook in het onderhavige manuscript goed te merken.
Ik geef daarvan een paar voorbeelden: In psalm 1 : 4 heeft de Hebreeuwse tekst. vertaald: Niet. alzo de goddelozen, maar (zij zijn) als het kaf dat de wind verstrooid. De Septuagint heeft dit ietwat vrij weergegeven, als volgt: Niet alzo de goddelozen, niet alzo; maar als het stof dat de wind opwerpt van het gelaat der aarde, De Ethiopische tekst heeft het precies zo: ook tweemaal de uitdrukking "niet alzo", en ook de toevoeging "van het gelaat der aarde".
In Hooglied 1: 2b staat volgens de Hebreeuwse tekst: want beter dan wijn is uw liefde. hetgeen de bruid van het Hooglied zegt tot de bruidegom. De Septuagint heeft evenwel: want uw borsten zijn beter dan de wijn, en dat treffen we ook aan in de Ethiopische tekst, waarbij duidelijk te zien is dat deze woorden gesproken worden tot een vrouw, hetgeen men in het Grieks niet kan onderkennen. De verwarring die hier heeft plaats gevonden is zeer begrijpelijk. Oorspronkelijk was het Oude Testament alleen maar in medeklinkers geschreven. Pas veel later, toen de juiste lezing verloren dreigde te gaan, is men klinkers gaan toevoegen, die men dan ook onder en boven de medeklinkers aantreft, alsmede allerlei tekentjes voor de juiste wijze van reciteren. Welnu, de medeklinkers van "uw liefde" en "uw borsten" zijn in het Hebreeuws precies dezelfde.
Evenals de Septuagint heeft het Ethiopische psalter een 151ste psalm. Ik heb er vroeger al eens aan herinnerd dat in mijn kinderjaren dit lied berijmd stond achter in onze psalmboekjes. Het kon gezongen worden op de wijs van psalm 19 maar werd nooit opgegeven.
Later verdween het uit de kerkboekjes. Het opschrift in .de Griekse Bijbel geeft aan dat dit lied door David eigenhandig geschreven wem nadat hij met Goliath. gestreden had, en voorts dat het "buiten het getal" is, dat wil zeggen buiten het getal van de 150 staat. Reeds lang werd vermoed dat dit lied, ook bekend in Syrische versie, uit het Hebreeuws vertaald was, of, anders gezegd, een Hebreeuwse Vorlage heeft gehad. En ziedaar, in 1956 kwam uit grot II van Qumran, een van de handschriftgrotten bij de Dode Zee, een rol met psalmen tevoorschijn die naast een heel aantal ons bekende Bijbelse psalmen enkele ándere liederen bevatte, waaronder psalm 151. Er zijn wel enkele verschillen. De Griekse psalm zingt eerst van Davids werk bij de kudde van zijn vader en van de muziek die hij maakte, vervolgens van zijn zalving door Samuél waarbij hij verkozen werd boven zijn knappe broers, en gaat dan nogal abrupt over tot de tweekamp met Goliath: Ik ging de man van vreemde stam tegemoet, en hij verwenste mij bij zijn afgoden; ik echter, na het bij hem vandaan (komende) zwaard getrokken te hebben, hieuw zijn hoofd af, en nam de smaad weg van de kinderen Israëls.
In de psalmenrol van de Dode Zee komt ná het lied over Davids verheffing een nieuw opschrift: Psalm van de heldendaad van David nadat de profeet van God hem gezalfd had. Van het lied .zelf is dan helaas niet veel overgebleven.
We lezen: Toen zag ik de Filistijn, smadend vanuit de gelederen der Filistijnen). Het tussen haakjes geplaatste is weggevallen, maar er moet wel zoiets gestaan hebben. Van de daarop volgende regel zijn slechts twee woorden bewaard gebleven, en ook de rest ontbreekt. Duidelijk is evenwel dat we in de Hebreeuwse tekst met twéé liederen te doen hebben. In de Griekse Bijbel zijn die samengesmolten tot één. En zo treffen we het lied ook aan in het Ethiopisch manuscript, met als opschrift: Na de dood van Goliath. De hierboven geciteerde regel van de Septuagint-tekst is vrijwel letterlijk vertaald: Ik nam het bij hem vandaan (komende) zwaard en hieuw zijn hoofd af.

(Volgende week de rest.)

Meld je aan voor onze gratis nieuwsbrief