Nadere verklaring (vervolg)
1974-09-27
Graag wil ik nu nog iets verduidelijkends zeggen over mijn bewering, dat de Bijbel een weg is en dat wij deze weg bij herhaling moeten afwandelen. Deze bewering was de keerzijde van een kritiek mijnerzijds op mensen, die zich voor de verkondiging van de boodschap uitsluitend oriënteren op het evangelie-in-eindredactie van een Paulus.- Jaargang 18
- nummer 35
Dit laatste is nu toch overgekomen als een kritiek op Paulus, op de Heilige Schrift, in plaats van op een bepaald gebruik van de Heilige Schrift. Ik heb goede hoop, dat ik die verkeerde indruk kan wegnemen.
Laat ik daarvoor een kleine ervaring vertellen. Een paar jaar geleden ben ik met mijn vrouw voor enige weken de gast geweest van de kleine en vriendelijke Bijbel-gemeente in Thessaloniki.
Natuurlijk heb ik toen getracht in de zondagse erediensten de prediking in het moderne grieks met behulp van mijn beperkte kennis van het oude Bijbelse grieks zo goed mogelijk te volgen (wat mij niet meegevallen is). Ik verstond er zoveel van, dat ik gefrappeerd werd door het telkens en telkens weer tegenkomen van de naam van de geliefde apostel 'Pavlos'. In elke preek werd het evangelie verkondigd aan de hand van zijn brieven. "Zeker zijn brieven aan de oude Thessalonicenzen" - denkt U, maar nee, chauvinisme zat er niet achter.
Wat daar gebeurde was, denk ik, kenmerkend voor een jonge christelijke gemeente. Paulus is tenslotte de verkondiger van het evangelie bij uitstek. Zijn brieven zijn grondleggend voor het christelijk geloof. En als een kundig bouwmeester was de apostel daar in Thessaloniki als het ware opnieuw bezig het fundament te leggen. (Vgl. 1 Cor. 3 : 10) Toen ik op een zondag ook het woord mocht bedienen (via een tolk die van het engels in het grieks vertaalde) heb ik met opzet de preektekst uit het Oude Testament gekozen. uit de psalmen.
Ik heb de broeders gezegd, wat me in hun prediking was opgevallen, hoe begrijpelijk ik dat vond, maar ook heb ik gewezen op het gevaar van verschraling op de duur, omdat onze goede God ons, blijkens de inhoud van de Schrift, met meer wil voeden dan alleen met de woorden van de geliefde apostel.
Het kan ieder duidelijk zijn, dat dit geen kritiek op Paulus was. Wat was het dan? Typisch een opmerking van een "oudere" christen aan een "jongere" - waarbij ik natuurlijk niet aan persoonlijke leeftijden, maar aan verschil in kerkhistorische situatie denk. Bij het ouder worden van de gemeente gaat de belangstelling zich als vanzelf richten op de oorsprong van haar geloof: hoe zijn wij er eigenlijk toe gekomen, dit of dat te geloven? Waar komt de boodschap vandaan? Niet alleen trouwens het ouder worden doet zulk vragen ontstaan, ook de onzekerheid door aanvechting van het geloof, van binnenuit en van buitenaf.
Geen wonder daarom. dat wij wel midden in deze vraagstelling zitten.
Hoe goed is nu de Hemelse Vader, dat Hij in zijn Woord op deze vraagstelling gerekend heeft. Dat blijkt uit het feit, dat de Bijbel een historisch boek is - één van de grote ontdekkingen van de nareformatorische tijd. Natuurlijk heeft men van dit historische karakter altijd wel iets geweten daarvoor is het ook te klaarblijkelijk - maar als je de bijbelaanhalingen in onze confessies beziet, dan blijkt dat onze vaders de Schrift toch wel sterk benaderden als een steengroeve voor dogmatische bewijsplaatsen in plaats van als een openbaringshistorie of een verbondsgeschiedenis.
Als zodanig mag de Schrift nu onder ons bekend zijn en wij mogen God om zijn voorzienig bestel wel danken, dat juist onze aangevochten generatie de Schrift als weg mag kennen en dat juist wij, onverstandig en traag van hart geworden om te geloven, weer bij Mozes mogen beginnen. (vgl. Luc. 24). Zoals de psalm der aanvechting (77: "denk ik aan God, dan kreun ik ... !") zegt: "Ik zal de daden des Heren gedenken, ja, ik wil gedenken uw wonderen van ouds, van al uw werken gewagen en uw daden gedenken".
Werkelijk, mij is veel gelegen aan de stelling, dat de Bijbel een weg is. Zo hebben we de Schrift vandaag precies nodig.
Wat Holwerda ons geleerd heeft, dat namelijk de geschiedenissen van het Oude Testament niet dogma-illustrerend, maar dogma-funderend zijn, niet plaatjes bij wat we altijd al gedacht hadden, maar berichten omtrent iets dat groeit en opgebouwd wordt - het lijkt me een inzicht, dat ons vandaag uitstekend te pas komt. Let op de datum, die op teksten staat, zei Schilder. De Heilige Schrift is anders dan de Koran. De Koran is het uit de hemel gevallen boek, de Schrift is de in een lange historische weg gegroeide verkondiging.
Het is zo belangrijk dat op die historische weg elke volgende fase de voorgaande niet heeft verdrongen: het voorgaande kon zinvol blijven staan, het nieuwe was vervulling van het oude in plaats van vervanging. Zo hebben we niet een heel dun bijbeltje, waarin ons het eindresultaat, het evangelie-in-eindredactie geboden wordt, maar de hele weg van het heil is ons daarin "in het lange beschreven". De Bijbel neemt tot het evangelie-in-eindredactie een geweldige aanloop, zou je kunnen zeggen. en deze lange aanloop is te vergelijken met de staart van een windwijzer, die voorkomt dat 't ding tolt in de storm en die maakt dat de richtingaanwijzing stabiel en betrouwbaar is.
Het telkens herlezen van de Bijbel en het steeds weer opnieuw afwandelen van de weg van de Bijbel bedoelt dan ook ons geloof stabiel te maken, het bedoelt ons inzicht in Gods wegen van hier en nu te verdiepen. Met de Here God oplopen in de Bijbel of, geconcentreerd, met Jezus Christus oplopen in het evangelie, maakt ons vertrouwd met een stijl, een manier van handelen, een wijze van omgaan met de mensen, die ons moet elpen, Hem in het heden van onze en tijd en van ons eigen leven te signaleren. Het zal daarbij blijken, dat naarmate het gebeuren zich concentreert, de actualiteit van de Bijbel toeneemt.
Hier kan ik, geloof ik, duidelijk maken, dat mijn bedoelingen verschillen van die van Kuitert (Schillebeeckx, die ook/door Arntzen genoemd wordt/ken ik minder).
Volgens de opvattingen van Kuitert (waarvoor ik me in dezen oriëteer op het boekje 'Verstaat gij wat gij leest?') heeft de Schrift voor een belangrijk gedeelte iets achterhaalds. De Bijbel is het boek waarin God spreekt, zeker, maar ook ter sprake gebracht wordt. Dat laatste is tijdgebonden en moet in elke nieuwe situatie weer op een nieuwe wijze gebeuren. Zo blijft de inhoud van de Bijbel en wisselt de verpakking. Zo is kras geformuleerd, iedere tijd geroepen tot 'het schrijven van zijn eigen Bijbel. Ik weet wel. Kuitert schrijft (pag. 22): "Maar wanneer wij Hem in het heden niet herkennen of slechts Onherkenbaar Veranderd ontmoeten, gaan we weer terug van God-in-de-wereld naar God-in-de-Schriften, die niemand ander is dan God-in-Christus, en houden wij het - als het moet tegen alles in - bij de laatste!
Zoals Hij in de Schriften ter sprake komt, zó is Hij en zó mag en wil Hij vandaag nog steeds ter sprake komen, zelfs in tijden waarin Hij zijn herkenbaarheid heeft verborgen". Dit lijkt op wat ik heb beweerd. Toch reduceert Kuitert de God-in-de-Schriften tot de God-in-Ohristus. Deze laatste zorgt voor een steeds opnieuw ter sprake komen van Zichzelf. Volgens mij wordt in deze voorstellinz toch veel van de Schrift als verpakkling afgedaan.
Weliswaar schrijft Kuitert, nadat hij het onderscheid heeft aangebracht tussen Christus en zijn gewaad, respectievelijk de heilsboodschap en de verpakking: “Wij herhalen voor alle duidelijkheid nog eens dat onderscheiden niet betekent: sommige stukken van de Bijbel zijn tijdloos en eeuwig geformuleerd, andere stukken tijdgebonden. Evenmin betekent het, dat de Bijbel zijn tijdgebondenheid laat afstropen als een ruwe bolster waarin dan de blanke pit van de eeuwige waarheden verscholen zou zitten" (pag. 44/45) - maar mijns inziens baat hem deze waarschuwing niet. Wie eenmaal het woord 'verpakking' heeft laten vallen - wat een overgang trouwens van Christus' gewaad naar een verpakking! Een gewaad zit om iemand, een verpakking -om iets. Iets dat verpakt is, vraagt erom uitgepakt te worden, iemand die gekleed is ook? - ontkomt niet meer aan een scheiding. Van de Bijbel blijft dan praktisch een reductie over, waaromheen nieuwe verpakkingen even waardevol kunnen zijn als de oude. Op deze wijze verdwijnt de Bijbel uit de theologie en daarna ook uit de prediking.
De uitleg van de Bijbel (ondertitel van het genoemde boek 'Over de uitleg van de bijbel') eindigt met het verlies van de Bijbel.
Dat is bepaald niet wat ik bedoel en mijn methode brengt me daar ook niet, ook niet tegen wil en dank. Ik bedoel juist een toenemende concentratie op het Bijbelwoord, een ernst maken met het feit. dat de boodschap ons in z'n voltooide vorm, maar ook in z'n ontstaansproces geboden wordt. En juist dat laatste is zo goed voor ons. Het is zo goed voor ons om langs de weg van een historische scholing. via de ballingschap van Israël. dat is via het échec van het oude verbond gebracht te worden bij het nieuwe verbond door het kruis van Christus. Het is zo goed om door de historie van Israël weerlegd te worden, als wij met het Oude Testament een politiekmessiaanse kant op willen.
Wat in de Catechismus. in de zondagen 5 en 6, geboden wordt als een redenéér-gang naar Christus is in de Schrift zelf beter voorhanden als een historische weg, waarop wij, zeker niet geleidelijk, maar ten zeerste schoksgewijs en zeker niet verstandelijk alleen, maar met de volheid van hart en leven gebracht worden aan de voeten van Jezus Christus als de enige Zaligmaker.
Er is meer. De hele bijbelse geschiedenis is zo iets als een model, een paradigma, een mikrogeschiedenis, waaruit we de structuur kunnen opmaken van de geschiedenis die een cultuur doorloopt, als het evangelie daarin gezaaid is. (Deze gedachte is eigenlijk geïnspireerd op Berkhof 'Christus, de zin der geschiedenis') Als dit waar is, betekent dat bijvoorbeeld, dat Jezus Christus, die in de israëlietische wereld een eind tijdelijke figuur was, dit ook in onze cultuur 'steeds meer zal blijken te zijn. Om dit op een bepaald punt toe te spitsen: Hij is niet iemand, die aan onze kerkstructuur vooraf gaat (of liever, dat is Hij wel, maar niet alleen).
Nee, Hij volgt er ook op en Hij neemt toe in actualiteit nu deze structuur wordt opgebroken,zoals Hij ook in Israël optrad in structuren. die de verdwijning nabij waren. Vele woorden van Hem zijn dan ook rechtstreeks eindtijdelijk en dat gaan we nu pas ontdekken. Zo bijvoorbeeld de bede: geef ons heden ons dagelijks brood. Eeuwen lang heeft de gemeente, in gevestigde verhoudingen, waarvoor ze God terecht gedankt heeft, gebeden om jaarlijks brood. Denk aan de bidstonden voor het gewas. Dat nam het gebed om dagelijks brood niet weg, maar we realiseerden ons niet, dat dit gebed van Jezus een vervolgingssituatie tot achtergrond heeft, waarin de gemeente uit haar sociale zekerheden gestoten is. Naarmate dit opnieuw het geval wordt (voorzichtig! Ik wil niemand de stuipen op het lijf jagen) komt het gebed des Heren in z'n oorspronkelijke actualiteit naar voren. De vorige maal heb ik een uitleg beproefd van het stukje uit de bergrede, waarin Jezus onderricht geeft over het gebod: gij zult niet doodslaan. Ook daarin frapperde de eindtijdelijke actualiteit van Jezus' woorden.
Althans, mij frappeerde die.
En Paulus? Is Paulus nog eindtijdelijker dan Jezus, omdat hij later kwam dan Hij? Het lijkt een logische redenering. Toch lijkt mij Paulus meer met Mozes dan met Jezus vergelijkbaar. Zoals Mozes het israëlietische volksleven heeft geordend, zo heeft Paulus het leven van de christelijke gemeente gestalte gegeven.
Paulus staat, als Mozes, met een voltooide boodschap aan een begin.
Het is het nieuwe begin na het bevrijdend handelen van God.
Het is bij Paulus het nieuwe begin, dat Christus door zijn kruisoffer heeft mogelijk gemaakt; de ruimte, die geschapen is voor de afwikkeling van de wereldgeschiedenis, waarvan Hij de boekrol ter hand neemt en haar zegels verbreekt (Openb. 5). Binnen deze ruimte is Paulus de structuurbouwer van de christelijke gemeente.
Maar wanneer onze geschiedenis, als die van Israël, haar eindtijdelijke vernauwing binnengaat en de structuren opgebroken worden, dan zullen de woorden van Jezus over die van Paulus heenreiken en ongekende actualiteit blijken te bezitten. De hervormingen van de kerk hebben zich hoofdzakelijk op Paulus georiënteerd. Maar als er niets meer te hervormen is, omdat er geen vorm meer is, zullen de woorden van Christus verder blijken mee te gaan dan die van Paulus, "De hemel en de aarde zullen voorbijgaan, maar mijn woorden zullen geenszins voorbijgaan" (Luc. 21 : 33). Ik bedoel dit als nuanceverschil, niet als tegenstelling.
Er is geen sprake van een achterhaald raken van Paulus of van welk bijbelgedeelte ook. Ook het goddelijk geïnspireerd zijn van de apostel vecht ik niet aan. Wel brengt de leer van de organische inspiratie mee, dat wij soms nuances in geïnspireerdheid kunnen aanbrengen. Jezus is gewoon groter dan Paulus; het zou vreemd zijn als dat niet ook uit hun woorden zou blijken. De apostel zelf althans is zich dit verschil terdege bewust geweest, blijkens formuleringen als: "dit beveel ik niet, maar de Here" en "dlt zeg ik, niet de Here" (1 Cor. 7 : 10, 12) Paulus gebruikt zulke formuleringen kenmerkend niet, als hij de boodschap des kruises, onder woorden brengt. Dan spreekt hij van 'mijn evangelie' (Rom. 16: 25) en vervloekt degenen, die met een ander komen (Gal. 1). Maar wanneer hij. in gemeente-ordenende details treedt, kan hij het een te krasse inspiratieleer moeilijk maken met een opmerking als: "Voor de jongedochters heb ik geen bevel van de Here. Maar ik geef mijn mening, als iemand die door de ontferming des Heren trouw is" (1 Cor. 7: 25).
Terugkomend op het punt, dat ik uiteenzette, zeg ik daarom: Jezus is meer eindtijdelijk dan Paulus, hoewel Paulus later kwam. Zoals Jeremia meer eindtijdelijk is dan Nehemia, hoewel hij aan deze voorafging.
Enfin, hierin is nog veel dat om nadere uitwerking vraagt, veel onrijps ook nog, dat verdere doordenking nodig heeft. Toch hoop ik te hebben duidelijk gemaakt, hoe ik het bedoel als ik zeg, dat de Bijbel een weg is en dat wij niet enkel met de eindredactie moeten werken. Ook hoop ik te hebben aangetoond, dat mijn methode, anders dan die van de moderne hermeneutiek, mij consequent bij de Schriften zelf brengt en mij dwingt deze Schriften bij herhaling en in groeiende opmerkzaamheid te lezen. "Wie het leest, merke daarop!" - zei Jezus en Hij vroeg daarmee aandachtvoor de actualiteit van het Bijbelwoord.