WELKE "WETSORDE"?

1974-10-04
  • Jaargang 18
  • nummer 36
Onderscheid in gebodstype

De voorschriften die we in het Oude Testament vinden zijn niet allemaal van het zelfde type. Wij treffen allereerst de "Gij zult ... , gij zult niet ... "-voorschriften aan. Die geboden leggen aan het volk Israël als het ware bij voorbaat de wil van God op. Voordat men zelf nog een stap gedaan heeft is men reeds ingevangen in deze verbondskoorden. Voordat men op weg is, is de weg al bepaald.
Er zijn ook voorschriften van een ander type. Dat zou ik willen omschrijven als het "Indien gij ... wilt, dàn ... "-type. De koningswet van Deut. 17: 14-20 is hiervan een voorbeeld. Deze wet start bij de wens van het volk, die in de richting van een koning gaat.
Deze wens wordt gehonoreerd, maar omzoomd door tal van bepalingen, die moeten voorkomen, dat het vobk zijn vrijheid zal misbruiken en zo in het moeras van de afval zal belanden.
Van dit type is ook het voorschrift over het houden van geloften, waarin met nadruk wordt gesteld, dat het doen van de gelofte in de vrijheid van een ieder wordt gelaten. Maar ... als men een gelofte doet, dan dient men zich er ook stipt aan te houden.
Men zie Deut. 23 : 21-23.
Ik denk ook aan het vervolg in Deut. 23: de vrijheid om druiven te eten en aren te plukken in wijngaard en akker van de naaste, mits men geen voorraadje meeneemt of de -sikkel hanteert.
Het onderscheid is duidelijk.
Bij de "Gij zult ... "-voorschriften spreekt het gebod, vóórdat ik van start ben gegaan. Bij de "Indien gij ... wilt, dan ... "-voorschriften bèn ik gestart (in mijn wensen, verlangens, handelingen) en komt het gebed mijn gang "bepalen" vóór de start - ná de start ... zo zou men het kortheidshalve kunnen typeren. Het lijkt me belangrijk dit te bedenken, omdat ook hieraan te zien is dat Gods wet niet betekent een insnoering en afsnijding van menselijke verlangens, overwegingen, wensen.

Vervulling is geen verdwijning

De komst van Christus en zijn volbrachte werk betekenen vervulling en vernieuwing. Het zou te ver voeren hierop inde diepte en de breedte in te gaan. Maar ik geloof, dat we mogen vaststellen, dat het bovengenoemde onderscheid zijn zin en betekenis niet heeft verloren.
In 1 Cor. 6 : 12-20 zien we duidelijk de vervulling en de vernieuwing. Paulus spreekt daar over het sexuele leven en laat zien hoe de gehoorzaamheid op dit terrein krachten en impulsen ontvangt vanuit Christus: Pasen (14), Pinksteren (19), Goede Vrijdag (20). Inderdaad, alles is nieuw geworden.
Maar dat betekent niet, dat het "Gij zult ... " aan kracht of zin of duidelijkheid heeft ingeboet. Integendeel!
Ook van het "Indien gij... wilt, dan ... "-type zijn voorbeelden aan te wijzen. Een heel duidelijk in Jac. 4 : 13-17 (het "jacobinisch voorbehoud"), waar de schrijver kort samengevat naar voren brengt, dat een zakenman vrij is plannen te maken en lijnen uit te stippelen, mits hij dat doet in nederigheid en niet als iemand die hoogmoedig denkt te kunnen beschikken over zijn eigen leven.
"Indien je plannen wilt maken, dan in nederigheid tegenover de HERE die beschikt!" In het bekende "Deo volente" wordt onze bewegingsvrijheid tegelijk áángewezen en bepááld, heilzaam omgrènsd.
Veel meer nog dan in de oude tijd, toen de wet fungeerde als "paedagoog in de richting van Christus" wordt thans ons leven beheerst door het "Indien gij ... wilt, dàn .. ."-type, al blijft het liefdegebod in zijn kèrn aan al onze stappen voorafgaan.

Toepassing op de kerkverbandelijke discussies

De lezer vraagt zich natuurlijk al lang af waar dat nu eigenlijk heen moet. Zie hier de "toepassing".
We hebben als kerken weer een dag gepraat over de inrichting van onze kerkelijke samenleving.
En daarbij is wel duidelijk geworden, dat het te Spakenburg genomen besruit om te gaan in de lijn van de artikelen 31, 32, 33, 36 en 38 van het konceptakkoord van Kerkelijk Samenleven maar uiterst moeilijk kan "landen" op het erf van onze kerkengemeenschap.
In deze artikelen wordt gesproken over het samenkomen door middel van afgevaardigden in regionale en landelijke vergaderingen, waarbij de samenstelling van de landelijke vergaderingen vanuit de regionale (dus een maal "getrapt") dient plaats te vinden. Overigens leveren deze artikelen eigenlijk nog maar een frame, een raam, dat later nog dient te worden "gevuld" door nadere konkretiseringen.
De bezwaren tegen deze artikelen bleken niet (meer) in de eerste plaats het "getrapte" karakter van de afvaardiging naar de landelijke vergadering te betreffen.
De vrees voor heerschappijvoering speelt een belangrijker rol.
Maar het dienste, meest principiële en daarom meest levenskrachtige bezwaar lijkt mij toch belichaamd te zijn in de stelling, dat de voorgenomen wijze van samenleven in de Schriften niet wordt geleerd. Het koncept berust niet op een instelling van Christus of van zijn apostelen. En daarom is het niet pas in de (mogelijke) uitwerking maar in de wortel verkeerd! Op dat laatste argument - mijns inziens het diepste - zou ik even willen ingaan.

Welke "wetsorde" hebt u gekozen?

Het argument "De Schrift leert het niet!" is schijnbaar een spontaan geloofsargument, dat aan alle mogelijke redenering vooràfgaat.
Maar dat is niet zo! Aan dat argument zèlf gaat weer een bepaalde keus vooraf, die men wellicht bijkans ongemerkt heeft gedaan! Men heeft namelijk bij voorbaat de zaak van de kerkelijke samenlevingsvorm geplaatst in het kader van de "Gij zult ... "-voorschriften. Men zet deze samenlevingsvraag in het kader van de geboden, die ons al ingevangen hebben, vóórdat we nog een stap hebben gedaan.
Waarom doet men dat? En waarom doet men dat zo geweldig konsekwent?
Men leidt namelijk het "Gij zult niet ... !" af uit het ontbreken van een "Gij zult ... ": "De Schrift leert het niet".
Mogen we niet denken in die twééde sfeer? Mogen we niet denken in het kader van "Indien gij ... wilt, dàn ... "? Ik acht het eigenlijk zeer voor de hand liggend om die tweede mogelijkheid te kiezen. Het Nieuwe Testament geeft ons de inrichting van het kerkelijk leven beslist niet in een exakt-definiërende “categorische" vorm. Steeds proeft men de vrijheid, die dan ongetwijfeld van Christus-wege "bepaald" wordt.
Zo geloof ik, dat we in konkreto de vrijheid hebben om het voorgestelde raam te aanvaarden, "indien we dat willen". Mits we nauwkeurig acht geven op de "bepalingen" van Christuswege.
Mits we de strijd voeren vóór zakelijke en doeltreffende onderlinge hulpverlening en tégen formalisme, heerschappij voering, kerkelijke machtswaan. De bijbel erkent telkens weer de gevaren die in het "Indien gij wilt ... " opgesloten lig1gen- denk maar aan de koning van Deut. 17 en aan de zakenman van Jac. 4. Maar hij bestrijdt die gevaren niet door al wat zakelijk-nuttig of menselijkwenselijk is af te snijden, maar door de aandacht te vragen voor de "dàn ... "-bepaling, voor de wijze waarop God de vrijheid bindt met zijn liefdekoorden.
Misschien zullen we gemakkelijker vooruit komen met elkaar, als we eerst een liefdevol èn kritisch oog krijgen voor de achtergronden van de gedachten van de ander.
En - niet te vergeten! - van onszèlf!

Meld je aan voor onze gratis nieuwsbrief