Over Van Ruler

1974-10-04
  • Jaargang 18
  • nummer 36
"Denken vanuit het einde".
Zo heeft prof. dr W. H. Velerna in zijn "Confrontatie met Van Ruler" diens theologie willen typeren.
Van Ruler denkt theologisch niet zozeer van het begin uit (Schilder) en nog minder vanuit het midden (Barth), maar vanuit het einde. "Als met rugwaarts gaande beweging".
Toch kan ik me beter vinden in de sleutelformule van drs P. F. Th. Aalders (in "Woord en werkelijkheid", bundel opstellen over de theocratie ter nagedachtenis van Van Rul er), nl. de tweepoligheid.
Dat treft ons slag op slag in het denken van Van Ruler en hij grijpt telkens zelf weer naar nieuwe beelden om deze tweepoligheid duidelijk te maken:
- de ellips met twee brandpunten, in plaats van de cirkel met één middelpunt,
- lopen op twee benen, want op één been kun je niet lopen,
- scholletje springen - dansen - schaatsenrijden ...

Berkouwer heeft ooit eens gewaarschuwd voor "single track theologie", d.w.z. dat je gedachten maar over één spoor lopen. Nu het denken van Van Ruler loopt nooit over één spoor. Voor mensen, die alles graag op één kaart zetten om wild van te worden!
Daarom is zijn theologie ook niet in één formule te vatten en onder één hoedje te vangen. Telkens als je hem denkt te kunnen classificeren ontglipt hij je weer en komt hij heel olijk weer om een heel andere hoek kijken.
Dat verklaart ook m.i. waarom je Van Ruler blijft lezen. Ook als je hem jaren achtereen niet gelezen hebt blijft het telkens weer verrassend en verfrissend om een duik in zijn boeken te nemen.
Hoewel dezelfde themata telkens in zijn werk terugkeren wordt het toch nooit ééntonig. En ook nooit éénzijdig, Wie hem gelezen heeft. herkent ogenblikkelijk typisch-ruleriaanse zegswijzen als deze: we keren nu een ándere kant van de zaak naar voren, of: we leggen de zaak nu op een ándere zijde.
Hij neemt ergens zijn uitgangspunt en trekt van daaruit een pijl naar rechts. Maar even later springt hij over naar rechts en trekt vandaar zijn pijl naar links.
En je moet maar met hem meespringen.
Bij wijze van illustratie een stukje betoog uit zijn prachtige boek, dat voor mij een symphonie van zijn theologisch denken is, "Waarom zou ik naar de kerk gaan?".
Het is te vinden op pag. 148. Het gaat hem dan over de relatie tussen de kerkdienst en de praktijk der Godzaligheid, door hem tot onze verrassing aangeduid als "de cultuur en de humaniteit". Je kunt vanuit leven en wereld tot de liturgie komen en dan is de eredienst het tóppunt van de cultuur en de humaniteit. Je kunt ook net andersom vanuit de liturgie het leven en de wereld ingaan en dan worden de cultuur en de humaniteit vrucht van de liturgie. Deze twee richtingen zijn allebei even wezenlijk. Er bestaat dus niet slechts een relatie, maar heel bepaald een correlatie, een wederkerige betrekking tussen de praktijk der Godzaligheid en de liturgie. Ze hebben elkaar even hard nodig en bepalen ook elkaar.
Een echte correlatie is voor het denken altijd een vervelend ding.
Ze is nl. nooit helemaal te doorzien.
Waar men ook begint te denken, het is altijd goed. Er is niet een vast begin, waaruit alles helder en klaar kan worden afgeleid.
We brengen de moeilijkheid van de onderhavige correlatie goed op formule, als we zeggen: dat is de eigenaard van het werk van de Heilige Geest. Die is nl. altijd tegelijkertijd overal bezig. Zo is zijn werk ook de accolade, die de liturgie en de praktijk der Godzaligheid, in hun wederkerigheid, bijeenhoudt. In het krachtenveld van de Heilige Geest schiet het dan ook permanent heen en weer.
We moeten om zo te zeggen met ons denken en ook met ons doen op alle punten tegelijk beginnen.
Tot zover Van Ruler over zijn manier van theologisch denken.
De tweepoligheld wortelt bij hem zeer diep. In de eerste plaats in de grondstruktuur van het menszijn-
tegenover-God. "Mag ik een dans van u? vraagt God aan ons en de kern van ons bestaan hangt aan de vraag, of we bereid zijn daarop in te gaan" (Theol. werk, V, p. 44) Waar liefde is, is beweging, uittreden, toewending, uit het ik naar het gij, de wederkerigheid de dans. - Maar nog dieper wortelt de tweepoligheid in Gods eigen wezen, ze is er een weerspiegeling van. Terecht heeft Aalders geschreven, dat de tweepoligheid, die zo kenmerkend is voor het denken van Van Ruler het diepst wortelt in het trinitarisch dogma, dat hem zo lief was.
Daarbij valt dan te denken aan de eeuwige beweging van liefde tussen de Vader en de Zoon, waarin de Zoon uitgaat. van de Vader en tot Hem terugkeert (a.w. p. 12, 13).
Het kan duidelijk zijn dat v. Ruler wars is van alle absolutisme.
Dan blijft er immers maar één over. En voor een relatie zijn er altijd minsent twee nodig. In die zin kan men zelfs zeggen, dat hij "verbondsmatig" denkt, ook al struikelt men bepaald niet over het woord "verbond" in zijn geschriften.
Maar zijn in een verbond ook niet altijd "twee delen begrepen"? Het is opmerkelijk dat in de moderne theologie het "verbond" weer opgeld doet. Het zou overigens een studie waard zijn om deze nieuwe verbondstheologie te confronteren met die van gereformeerde theologen als Bavinck en Schilder.
Het kan eveneens nu duidelijk zijn, waarom Van Ruler koos voor het drie-enig denken (trinitarisch) en het christomonistische denken van Barth afwees.
Maar juist dat bewegelijke maakt hem zo uitermate boeiend. Het springerige in zijn denken, het speelse van zijn beelden, - het hoort er allemaal helemaal bij.
Het zijn de uitingen van tegelijk de diepe ernst èn de diepe vreugde waarmee hij de theologie bedreven heeft.
Een aangrijpende ernst en een aanstekelijke vreugde!

Meld je aan voor onze gratis nieuwsbrief